De analyse van Bodegraven is zo belangrijk omdat ze dieper graaft dan de gebruikelijke reflexen rond de manosfeer. Hij ziet dat de aantrekkingskracht van figuren als Andrew Tate niet simpelweg verklaard kan worden vanuit misogynie, conservatisme of weerstand tegen emancipatie. Achter die aantrekkingskracht schuilt een diepe onzekerheid: een zoektocht naar betekenis, richting, erkenning en verbondenheid. Bodegraven concludeert daarom terecht: “Geen enkele jongen die zich door Tate laat inspireren, laat zich overtuigen door een geschiedenisles over vrouwenemancipatie. (…) Hij voelt zich onzeker en vergeten in een voor hem angstige wereld waarin hij zijn plek niet vindt.”

Maar daar blijft zijn oplossing ook steken: als we maar weer de waarden van verbinding en solidariteit centraal stellen, komt het allemaal wel goed. Alsof het probleem is dat jonge mannen vooral verkeerde ideeën hebben gekregen. Alsof het ontbreken van morele richting een kwestie is van de wereld niet goed begrijpen. Daarmee blijft hij gevangen in hetzelfde abstracte vocabulaire dat tegenwoordig vrijwel elk maatschappelijk probleem probeert te verklaren via “waarden”, “bewustwording” en “narratieven”.

De diepere ontwikkeling is echter dat het ons niet ontbreekt aan ideeën, maar aan maatschappelijke praktijken die noodzakelijk zijn voor het vormen van verantwoordelijke, empathische, solidaire en open burgers. De motieven die aanleiding vormden voor menselijke ontmoeting, samenwerking en wederzijdse afhankelijkheid zijn overgenomen door markt, staat en bureaucratische systemen. Nu blijkt dat dat niet slechts een cultureel verlies is, maar een diepgaande sociaal-organisatorische ontwrichting oplevert.

Het artikel van Luc Person Waar is de community gebleven? in de Volkskrant van een dag later (16 mei) slaat wat dat betreft de spijker op zijn kop. Mensen werden vroeger niet hoofdzakelijk gevormd door abstracte waarden of morele boodschappen, maar door deelname aan gedeelde praktijken. In buurten, verenigingen, kerken, vakbonden, werkplaatsen, families en lokale gemeenschappen moesten mensen samen dingen organiseren. Ze waren op elkaar aangewezen. Daar leerden ze omgaan met verantwoordelijkheid, conflict, afhankelijkheid, loyaliteit, gezag, zorg en wederkerigheid. Juist in die concrete ontmoeting ontstonden eigenschappen als empathie, vertrouwen, generositeit en solidariteit. Niet omdat een instantie daar een campagne over organiseerde, maar omdat mensen elkaar daadwerkelijk nodig hadden.

Precies die oefenruimtes zijn in de afgelopen decennia systematisch uitgehold. Zorg werd geprofessionaliseerd, sociale zekerheid verstatelijkt, opvoeding gepsychologiseerd, productie gemondialiseerd en democratie steeds bureaucratischer georganiseerd. Zelfs vriendschap en liefde zijn in belangrijke mate verschoven naar digitale platforms en algoritmische systemen. Steeds minder maatschappelijke functies vragen nog om daadwerkelijke menselijke betrokkenheid.

De opkomst van de manosfeer laat zien dat het resultaat van deze processen niet simpelweg “meer vrijheid” is, maar een samenleving waarin mensen steeds minder sociaal en moreel gevormd worden. Dat is de werkelijke achtergrond van de individualisering en de zingevingscrisis waar Bodegraven over spreekt. De moderne samenleving heeft individuen wel bevrijd uit traditionele verbanden, maar nauwelijks nieuwe vormen van gemeenschappelijk handelen teruggebouwd. Daardoor ontstaan formeel autonome mensen die praktisch sociaal onthand en moreel vervreemd raken.

Vanuit dat perspectief is de manosfeer dus geen toevallige ontsporing, maar een symptoom van sociale ontbinding. Jongens zoeken ergens nog erkenning, richting, discipline, hiërarchie, kameraadschap en een vorm van volwassenwording. De manosfeer biedt daarvan een vervormde en destructieve versie, maar zij vult wel degelijk een leegte die de samenleving zelf heeft geproduceerd.

Daarom biedt de oproep van Bodegraven om ‘waarden weer centraal te stellen’ geen soelaas. Waarden ontstaan in een liberale samenleving niet primair door ze van bovenaf te communiceren. Mensen leren empathie niet via campagnes, maar via concrete relaties. Ze leren verantwoordelijkheid doordat anderen werkelijk van hen afhankelijk zijn. Ze leren solidariteit doordat ze gezamenlijk iets moeten dragen. Morele vorming is geen discursief maar een sociaal proces.

Bodegraven heeft zonder meer gelijk als hij zegt: “Als we de toenemende hang naar traditionele mannelijkheid tegenwicht willen bieden, is ook aandacht voor de levensbeschouwelijke erosie nodig.” Maar de fundamentele zin is niet welke waarden we jongeren moeten bijbrengen, maar hoe we dingen zo kunnen organiseren dat mensen elkaar nog ontmoeten op een manier die morele en sociale vorming mogelijk maakt.

Daar ligt het werkelijke alternatief voor de manosfeer. Niet in méér moraliseren over mannelijkheid, maar in het opnieuw organiseren van maatschappelijke structuren waarin mensen daadwerkelijk samenleven en samenwerken.

Lees ook

Schermafbeelding 2026-04-11 100038

Participatielezing manosphere: ‘Jongens niet als gevaarlijk wegzetten’

"Jongens zitten vast in de box van mannelijkheid," ziet Movisie-onderzoeker Djoeke Ardon

fotocor-1

Cor van Beuningen

Cor van Beuningen is onderzoeker bij Socires.
Profiel-pagina
Ward Huetink

Ward Huetink

Ward Huetink is programmacoördinator/onderzoeker bij Socires.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.