Er zit iets merkwaardigs in de Nationale Kroonbede. Politici, bestuurders en vertegenwoordigers van de overheid komen samen in een kerk om te bidden voor regering, parlement en bestuur. Waarom bestaat er geen kroonbede voor traumachirurgen, vuilnismannen, docenten, mantelzorgers, journalisten of ontwikkelaars van kunstmatige intelligentie? Hun beslissingen grijpen dagelijks minstens zo diep in op het leven van mensen.

Natuurlijk mag er voor politici worden gebeden. De vraag is waarom politieke macht een eigen liturgisch podium krijgt. Wie in het gebed wordt genoemd, wordt gezien. Wie ontbreekt, ontdekt iets over de rangorde die kennelijk ook in de kerk bestaat. Waarom zou een politicus in ons gebed een voornamer plaats krijgen dan de vuilnisman die onze straten leefbaar houdt of de mantelzorger die dagelijks verantwoordelijkheid draagt voor een ander? Politieke macht vraagt bovendien eerder om tegenspraak en begrenzing dan om sacrale omlijsting.

Tijdens deze Kroonbede hield scriba Kees van Ekris zijn bijdrage over “een andere verbeelding”. Politiek, zo stelt hij, raakt gemakkelijk gevangen in pragmatiek, kleinheid en ressentiment. De kerk kan een ander waarnemingsvermogen openen. Gebed zuivert de blik, maakt ontvankelijk en helpt het lijden in het gelaat van de ander te zien.

Dat is een stevige morele opdracht aan politici. Zij moeten hun eigen gelijk loslaten, scherper waarnemen en verantwoordelijkheid nemen voor wat zij zien. Alleen stelt Van Ekris diezelfde eisen nauwelijks aan de kerk die hij vertegenwoordigt. De kerk verschijnt als degene die het morele zicht van anderen corrigeert. Haar eigen blinde vlekken, belangen en verstarring blijven buiten beschouwing.

Precies daar wringt zijn verwijzing naar Gaza. Van Ekris beschrijft een museum in Tel Aviv waar een grote foto hangt van de verwoesting in Gaza. Vijftien meter verder zien bezoekers festivalgangers die op 7 oktober voor Hamas vluchten. Beide werkelijkheden moeten onder ogen worden gezien.

De moordpartij en gijzelingen door Hamas waren gruwelijk. De angst van Israëli’s en de groei van antisemitisme vragen om een ondubbelzinnig antwoord. Maar in de beschrijving van Gaza gebeurt iets anders. Er zijn ruïnes, dood en verlies. Wie de bommen werpt, de grenzen beheerst en voedsel en medische hulp kan tegenhouden, blijft ongenoemd.

De ruïnes krijgen een foto. De veroorzaker krijgt van Van Ekris geen naam.

Dat is opmerkelijk in een betoog over waarnemingsvermogen. Wie werkelijk ziet, ziet ook macht. Die vraagt wie handelt, wie kan stoppen en wie verantwoordelijkheid draagt. Door beide beelden naast elkaar te plaatsen ontstaat een moreel evenwicht dat politiek niet bestaat. De menselijkheid van Israëlische en Palestijnse burgers is gelijk. Hun macht en handelingsruimte zijn dat niet.

Het leed van Israëlische en Palestijnse burgers moet beide worden gezien. Daaruit volgt echter niet dat de verantwoordelijkheid voor het huidige geweld gelijk verdeeld is. Wanneer de nadruk vooral ligt op luisteren naar elkaars angst en het herstellen van contact, verdwijnt uit beeld dat de Israëlische regering en het Israëlische leger over de macht beschikken om Gaza te bombarderen, grenzen af te sluiten en hulp tegen te houden. Van Palestijnse burgers kan niet dezelfde stap worden gevraagd. Zij kunnen dit geweld niet beëindigen; zij ondergaan het.

Ook het verhaal van Ruth wordt in deze richting gelezen. Bij Van Ekris laat Ruth zien dat mensen kwetsbaar zijn en elkaar nodig hebben. Maar Ruth is niet zomaar een kwetsbaar mens. Zij is vrouw, migrant en weduwe, zonder land, bezit of bescherming. Boaz heeft grond, status en handelingsmacht. De toekomst ontstaat doordat hij zijn positie inzet en haar daadwerkelijk toegang geeft tot voedsel en veiligheid.

Wie Ruth reduceert tot een verhaal over wederzijdse kwetsbaarheid, maakt het Bijbelverhaal onschadelijk. De politieke vragen verdwijnen: van wie is het veld, wie mag er eten, wie bepaalt de voorwaarden en wie heeft de macht iets te veranderen? Ruth heeft geen behoefte aan een gesprek over de gedeelde kwetsbaarheid van landeigenaar en arenraapster. Zij heeft brood en bescherming nodig.

Hier wordt de binnenkerkelijke normativiteit zichtbaar. De gewenste christelijke houding is mild, ontvankelijk en verbindend. Boosheid wordt gemakkelijk gif. Een scherp oordeel dreigt ophitsing te worden. Conflict geldt als mislukking en pacificatie als morele volwassenheid. Daarmee bepaalt de bestaande kerk vooraf hoe verandering zich moet gedragen: geduldig, beheerst en zonder de gemeenschap werkelijk te ontregelen.

Dat verklaart ook de ‘confirmation bias’ in het betoog. Van Ekris ziet vooral wat past binnen het zelfbeeld van de PKN als verbindende middenkerk. Bijbelverhalen, gebed en menselijke kwetsbaarheid bevestigen dat gesprek en ontmoeting de aangewezen weg zijn. Wat een pijnlijker conclusie zou afdwingen, krijgt minder ruimte: soms vraagt zien om aanklagen, begrenzen en partij kiezen. Soms is woede geen vertroebeling van de waarneming, maar het bewijs dat iemand eindelijk beseft wat er gebeurt.

Dezelfde norm bepaalt wie binnen de kerk werkelijk ruimte krijgt. Lhbtiq+ mensen zijn welkom, maar moeten per gemeente afwachten hoeveel ruimte hun liefde krijgt. Vrouwen mogen predikant zijn, maar hun gezag wordt binnen delen van dezelfde kerk nog betwist. Mensen met een beperking treffen open deuren en onneembare drempels. Mensen die arm, gescheiden, neurodivergent, migrant of beschadigd door de kerk zijn, worden gemakkelijk onderwerp van pastoraat. Veel lastiger blijkt het hen mede te laten bepalen hoe de kerk wordt ingericht.

Zelfs bij het predikantentekort weigert de kerk werkelijk te zien. Zij zegt nieuwe voorgangers nodig te hebben, maar handhaaft een langdurige en weinig flexibele opleidingsroute waardoor geschikte veertigplussers met beroepservaring, zorgtaken en theologisch vermogen afhaken. De kerk constateert het tekort en beschermt tegelijk het systeem dat mensen buitenhoudt.

Daar ligt de verstarring van de PKN. Zij ziet lege kerkbanken, vacatures en onbetaalbare gebouwen. Zij antwoordt met rapporten, visienota’s en gesprekken. Wat zij moeilijker verdraagt, is de gedachte dat haar eigen normen, opleidingen en machtsstructuren deel van het probleem zijn.

De kerk heeft geen gebrek aan verbeeldingstaal. Maar zij mist de bereidheid haar eigen werkelijkheid door anderen te laten herschrijven.

Misschien moet zij daarom voorzichtig zijn met haar rol als morele raadgever van de politiek. Wie anderen vraagt beter te kijken, moet onderzoeken wat de eigen blik buitensluit. Wie voor de macht bidt, moet nagaan wie daardoor opnieuw op de achterste rij belandt. Wie vrede verkondigt, moet durven benoemen wie geweld uitoefent. En wie mensen welkom heet, moet aanvaarden dat hun komst iets verandert.

Gebed kan de ogen openen. Het kan ook een keurige vervanging worden voor handelen. Wie bidt om een andere verbeelding, moet bereid zijn het vertrouwde beeld van de eigen kerk te verliezen.

Lees ook

Munther Isaac

‘Luisteren ze wel echt?’ Munther Isaac over de Protestantse Kerk in Nederland

De PKN spreekt helder over Joods trauma, maar niet over vernietiging van Palestijnen

1741891434692

Birgit Jaarsma

Birgit Jaarsma is missionair theoloog en pastor. Ze is programmadirecteur en initiatiefneemster Huis van Ontmoeten. Tevens is zij opgeleid …
Profiel-pagina
Al 4 reacties — praat mee.