Zo hoorde ik het verhaal van iemand die volgens een klasgenoot ‘er niet uitzag als een Marokkaan’. Toen die klasgenoot erachter kwam dat ze wel Marokkaanse roots had, keek ze haar vuil aan en liep snel weg. Ik hoor verhalen van meisjes die van docenten vragen krijgen over waarom die hoofddoek nu echt moet. Over een geschiedenisdocent die vertelt dat het N-woord prima gebruikt kan worden, zolang het maar in de historische context wordt geplaatst.

Ik hoor over leerlingen die trots praten over extreemrechtse partijen en afgeven op ‘dat woke gebeuren’. Over een jong meisje dat van een docent te horen krijgt dat als het op school niet lukt, ze er met haar knappe koppie wel komt. En dan heb ik het nog niet eens over wat er in de wandelgangen naar elkaar geroepen wordt, over de discriminerende en racistische opmerkingen die blijkbaar zo gewoon zijn geworden dat er nauwelijks nog iemand van opkijkt.

CBS-cijfers uit 2024 laten zien dat van de mensen die onderwijs volgden, vier procent in de twaalf maanden daarvoor discriminatie in het onderwijs heeft ervaren. De plegers zijn veelal een medescholier of student, maar ook een leraar of docent.

Uit het rapport Ervaren discriminatie in Nederland II van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2020 blijkt dat Nederlandse scholieren en studenten op alle onderwijsniveaus en in alle onderwijsfasen discriminatie ervaren. Meer dan 50 procent van de leerlingen met een Turks-, Marokkaans-, Surinaams- en Antilliaans-Nederlandse achtergrond geeft aan discriminatie te ervaren door zowel klasgenoten als docenten of begeleiders. Lees dit even goed.

Achter die cijfers zitten kinderen en jongeren die dachten gewoon naar school te gaan om te leren, vrienden te maken en zichzelf te ontwikkelen. Maar we stellen ze bloot aan de grillen van een kortzichtige en wat mij betreft, op dit onderdeel, falende onderwijswereld. Die het blijkbaar niet voor elkaar krijgt om ruimte te maken voor gelijkwaardigheid en in een aantal gevallen zelfs in de hand werkt. En misschien vind ik dat nog wel het moeilijkst te verteren: dat de verontwaardiging erover steeds minder zichtbaar is.

Mijn activistische hart werkt dan overuren. Hoe kunnen we samen zichtbaar maken dat dit niet kan? Wat nemen leerlingen mee naar school en wat brengen ze vervolgens weer mee naar huis? Ik vraag me af hoe de gesprekken hierover thuis aan tafel worden gevoerd. Worden ze überhaupt gevoerd? Wat zeggen ouders wanneer hun kind thuiskomt en vertelt dat een klasgenoot racistisch is behandeld of zelf heeft gediscrimineerd? Praten we dan net zo hard over verantwoordelijkheid als wanneer ons eigen kind slachtoffer is?

In een van de onderzoeken las ik dat wanneer discriminatie wel wordt aangekaart, de oplossing regelmatig bij de leerling die het ervaart wordt gelegd. Die moet weerbaarder worden, leren omgaan met de situatie of op een andere manier reageren. Maar wat zegt dat over hoe we naar degene kijken die discrimineert?

We praten veel over polarisatie, over de groei van extreemrechts, over verharding en over fascistische denkbeelden die steeds zichtbaarder worden in onze samenleving. We maken ons zorgen over wat er gebeurt in de wereld, maar vergeten soms te kijken naar de plekken waar een volgende generatie iedere dag leert hoe we met elkaar samenleven.

Als we werkelijk een kentering willen brengen in die ontwikkeling, zullen we elkaar moeten leren wat het betekent om mens te zijn tussen andere mensen. En dat vraagt iets van ons allemaal en begint thuis aan tafel en op school in de klas.

Lees ook

Marie Meeusen

‘Academisch’ racisme en de geest van de grootmoeder

Over morele ontwikkeling versus moreel verval aan de alma mater

halima-jun26-DSCF7558 – kopie

Halima el Hajoui-Özen

Halima el Hajoui-Özen is oprichter van de Inclusiefabriek en een ervaren journalist, trainer en diversiteitsadviseur. Met haar werk richt …
Profiel-pagina
Al één reactie — praat mee.