Minister Mirjam Sterk hield bij de opening van het academisch jaar van de Protestantse Theologische Universiteit een stevige spiegel voor aan kerk en theologie. Haar boodschap: als we werkelijk een zorgzame samenleving willen, moeten begrippen als gemeenschap, barmhartigheid en gerechtigheid opnieuw inhoud krijgen. Dat is terecht. Maar haar kritiek op de kerk is mij soms te gemakkelijk. Alsof kerken pas nu hoeven te ontdekken dat mensen zorg, aandacht en gemeenschap nodig hebben. Wie om zich heen kijkt, ziet dat duizenden vrijwilligers dat allang iedere dag doen. De werkelijke vraag is daarom niet óf de kerk zorgt, maar voor wie zij nog werkelijk een gemeenschap is.
In talloze kerken koken vrijwilligers maaltijden, bezoeken ze zieken en ouderen, organiseren ze inloophuizen, rouwgroepen, ontmoetingsmiddagen, voedselhulp, maatjesprojecten en activiteiten voor mensen die anders gemakkelijk buiten beeld raken. Veel daarvan gebeurt zonder veel woorden, zonder subsidie en zonder dat iemand er een beleidsnota over schrijft. Het beeld dat kerken opnieuw zouden moeten ontdekken wat zorg voor elkaar betekent, doet daarom geen recht aan wat er al is.
Maar daarmee is Sterks kritiek niet van tafel. Want vanuit de kerk zelf bezien kan het inderdaad heel goed lijken te gaan. Er is betrokkenheid, er zijn vrijwilligers, mensen worden bezocht en er is aandacht voor elkaar. Alleen zegt een goede intentie nog niet dat we ook werkelijk bereiken wie we denken te bereiken. Dat is volgens mij de ongemakkelijke vraag die de kerk zichzelf moet stellen: voor wie zijn wij eigenlijk een gemeenschap?
Veel kerkelijk werk bereikt vooral mensen die de kerk al kennen, de taal begrijpen, weten bij wie ze moeten aankloppen en zich min of meer thuis voelen in kerkelijke vormen. Voor hen kan die gemeenschap werkelijk dragend zijn. Maar buiten die kring bestaat een veel grotere groep die nooit naar een kerkelijke activiteit zal komen, ook niet wanneer die met de beste bedoelingen wordt georganiseerd. Niet omdat zij tegen de kerk zijn, maar vaak eenvoudigweg omdat de kerk niet meer tot hun wereld behoort.
Daar ligt voor mij de werkelijke uitdaging. De vraag is niet alleen of kerken zorgzaam zijn voor de mensen die zij kennen, maar of zij nog aanwezig zijn in het leven van mensen die zichzelf nooit als kerkelijk zouden omschrijven. De buurvrouw die alleen is. De vader die vastloopt met zijn kind. De jongere die nergens aansluiting vindt. De mantelzorger die het nauwelijks volhoudt. De man die zijn vrouw heeft verloren maar nooit naar een rouwgroep van een kerk zal gaan. De vrouw die behoefte heeft aan een goed gesprek over haar leven, maar zichzelf niet religieus noemt.
Als we hen pas ontmoeten wanneer ze cliënt worden van een professional, zijn we vaak al laat. Daarom vind ik Sterks nadruk op samenredzaamheid ook riskant. Wanneer gemeenschap vooral wordt opgeroepen omdat professionele zorg duur en schaars wordt, wordt de volgorde verkeerd. Dan moet de samenleving repareren wat de verzorgingsstaat niet meer kan betalen. Maar gemeenschap is geen goedkope vervanger van professionele zorg.
We hebben elkaar niet nodig omdat de professionele zorg het niet meer aankan. We hebben elkaar nodig omdat een mens niet gemaakt is om het leven alleen te dragen.
Precies daarom denk ik dat de kerk haar blik veel nadrukkelijker naar buiten moet richten. Niet vanuit de vraag hoe we mensen bij onze activiteiten krijgen, maar vanuit de vraag waar mensen leven, waar zij elkaar ontmoeten, waar zij uit verbinding raken en welke ruimte wij daar kunnen helpen scheppen.
Daaruit is voor mij het idee van een Huis van Ontmoeten ontstaan. Geen nieuw kerkgebouw en ook geen zorginstelling. Geen plek waar mensen eerst gelovig moeten zijn of zelfs maar geïnteresseerd in religie. Wel een publieke ruimte waar mensen elkaar kunnen ontmoeten rond verhalen, muziek, kunst, maaltijden, maatschappelijke vragen, verlies, levenskeuzes en alles wat het betekent om mens te zijn.
Juist daar kan de kerk iets bijdragen wat de overheid of professionele zorg niet eenvoudig kan organiseren: ruimte waar niet onmiddellijk iets opgelost hoeft te worden. Waar iemand niet eerst patiënt, cliënt of doelgroep wordt. Waar ontmoeting waarde heeft zonder dat vooraf vaststaat wat zij moet opleveren.
Dat vraagt wel iets van kerken. Ze moeten niet alleen naar hun eigen activiteiten kijken en concluderen dat er veel gebeurt. Dat klopt. Er gebeurt ontzettend veel. Maar de belangrijkere vraag is hoeveel daarvan zichtbaar, toegankelijk en betekenisvol is voor mensen die buiten de kerk staan. Dáár heeft Sterk een punt. Niet omdat kerken te weinig doen, maar omdat veel van wat zij doen zich nog steeds afspeelt binnen een wereld die voor een groot deel van Nederland niet meer vanzelfsprekend toegankelijk is.
De uitdaging is daarom niet om nóg harder te gaan zorgen. De uitdaging is om dichter bij het gewone leven van mensen te komen. Misschien begint een zorgzame samenleving precies daar: niet wanneer burgers de gaten van een terugtrekkende overheid gaan vullen, maar wanneer we opnieuw plekken maken waar mensen elkaar tegenkomen voordat er een probleem moet worden opgelost.
De kerk heeft daar veel voor in huis. Maar dan moet ze wel naar buiten.

Mevrouw Jaarsma schrijft terecht dat er veel mensen zijn voor wie de kerk niet of niet meer tot hun wereld behoort. Soms is het nog een stuk erger. Er zijn mensen die, wanneer hun kennissenkring uitdunt, een beroep zouden moeten doen op dezelfde personen die hen op de basisschool gepest en uitgesloten hebben omdat hun ouders niet naar de kerk gingen, of niet naar de juiste kerk. Dat blijft een leven lang pijn doen, en nodigt niet uit om naar diezelfde kerk en die zelfde mensen terug te gaan om hulp.
“De kerken” zijn geen homogene groep, ze hebben zeer verschillende ideeën over wat goed en wenselijk is. In mijn knipselmap vind ik een artikel over een oudere lesbische dame, die het portret van haar overleden partner maar wegborg wanneer de thuiszorg langs kwam (Trouw 9 april 2014). Ik vind een verslag over hoe de gemeente Enschede samenwerkte met het Leger des Heils bij de zorg voor uit huis geplaatste kinderen. Bij één gezin hield het Leger de terugplaatsing van kinderen tegen omdat de ouders “een heidens geloof” aanhingen, en deze ouders werden door de contactpersonen van het Leger regelmatig gekleineerd (Tubantia 17 oktober 2020).
Er zijn kerken die zonder meer veel goed werk doen, er zijn ook kerken met heel andere opvattingen. Wanneer de overheid de hulpverlening probeert af te schuiven naar de religie zal zij moeten garanderen dat ALLE religies meedoen, en niet één enkele. Denk aan artikel 1 van onze Grondwet.
Beste Boris, dank voor uw reactie. U heeft gelijk dat de kerk voor mensen ook een plaats van uitsluiting en pijn kan zijn geweest. Juist daarom pleit ik niet voor het overdragen van overheidstaken aan ‘de kerken’, maar voor een andere manier waarop kerk in de samenleving aanwezig kan zijn.
Mijn uitgangspunt is de vraag die Jezus aan mensen stelt: ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ Voor de kerk van vandaag wordt dat: wat kunnen wij voor jou doen? Dat is iets anders dan mensen vertellen wat zij nodig hebben of hen binnenhalen om onze boodschap te kunnen verkondigen. Het gaat niet in de eerste plaats om de boodschap brengen, maar om de boodschap zijn: in de manier waarop wij luisteren, ruimte maken, zorg dragen en aan tafel gaan met mensen die elders niet worden gezien.
Jezus vroeg mensen niet eerst of zij het juiste geloof hadden voordat zij bij Hem aan tafel mochten. De ontmoeting kwam vóór de voorwaarden. Voor mij ligt precies daar de roeping van de kerk. Zij is geen eigenaar van God, maar mag iets van Gods aanwezigheid op aarde zichtbaar maken. Drempelloos, gastvrij en zonder vooraf te bepalen wie erbij hoort.
In de kramp van de postmoderne samenleving is de kerk soms vooral bezig geraakt met haar eigen voortbestaan, identiteit en boodschap. Daardoor is zij vergeten dat het evangelie niet alleen wordt uitgesproken, maar vooral gebeurt waar mensen werkelijk worden gezien en opnieuw met elkaar verbonden raken.
Dat is wat ik bedoel met theologische veerkracht. Niet de veerkracht van een instituut dat probeert te overleven, maar het vermogen om in een verstrooide samenleving nieuwe verbindingen mogelijk te maken. Tussen mensen met verschillende achtergronden en levensovertuigingen, zonder dat zij hetzelfde hoeven te denken of geloven. Een Huis van Ontmoeten moet daarom geen verkapte kerk en geen vervanging van professionele zorg zijn, maar een levensbeschouwelijk open ruimte waar ieder mens welkom is.
Misschien begint kerk-zijn wel niet bij de vraag: hoe krijgen wij mensen weer binnen? Maar bij de veel wezenlijker vraag: waar kunnen wij naast jou gaan zitten?
Beste mevrouw Jaarsma, bedankt voor uw antwoord. De site van Nieuw Wij werk meestal niet als een discussieforum, maar ik wil toch graag een paar opmerkingen plaatsen.
U spreekt (net als minister Sterk) meestal van “de kerk”, abstract en algemeen. In de tastbare wereld waarin mensen leven hebben we te maken met een groot aantal verschillende kerken, die zeer uiteenlopende opvattingen hebben over wat Jezus bedoelde. Dat maakt het moeilijk om de reikwijdte van uw antwoord in te schatten.
Ik heb een aantal jaren meegewerkt in een Platform voor Religies en Levensbeschouwingen, en ik heb daar gezien dat er in sommige kerken mensen zijn die heel goed kunnen luisteren, echte bruggenbouwers. aaaaer waren drie kerkgenootschappen die meedeen. aaer waren ook kerken die geen belangstelling hadden (onder andere de PKN) en kerken die interreligieus contact zonder meer gevaarlijk vonden (“om te weren en ui te roeien alle valse godsdienst en afgoderij…”)
Ik merk de afgelopen tien tot vijftien jaar dat de belangstelling voor interreligieus werk sterk afneemt. Ons platform is al lang geleden opgeheven, ik hoor dat groepen hier in de buurt die soms interreligieuze initiatieven namen het dit jaar opgegeven hebben.
Uw Huis van Ontmoeten klinkt sympathiek, maar wanneer het opgezet wordt door “de kerk”, of door een concrete kerk, of door een consortium van kerken, zult u niet aan de verdenking ontsnappen dat het een verkapte kerk is. Voodat zo’n initiatief genomen wordt zou er een goede samenwerking moeten zijn met alle religies die in een bepaald gebied aanwezig zijn, ook de minderheden. U weet niet hoe woorden en symbolen die in kerkelijke kring gangbaar zijn bij andere groepen overkomen.
Voorbeeld: In de loop van december worden er op allerlei plaatsen kerstdiners of bijeenkomsten georganiseerd voor eenzame oude mensen. Goed initiatief, niets op tegen. Maar vrijwel alle religies die op het noordelijk halfrond ontstaan zijn hebben feest- of gedenkdagen in de buurt van midwinter. Wanneer je tot een minderheidsgodsdienst behoort, en uitgenodigd wordt voor een feest of beijeenkomst die volledig in ingericht volgens de verhalen en symbolen van een andere religie, waar jouw religie niet genoemd wordt of misschien gerekend wordt tot de machten der duisternis die overwonnen moeten worden, dan versterkt dat het gevoel van isolement. “De onaangenaamste vorm van eenzaamheid is die welke men ervaart te midden van andere mensen.” In zulke gevallen zou mn eerst moeten vaststellen welke religies er aanwezig zijn, en moeten zorgen dat ze allemaal in positieve zin genoemd worden.
Ik had natuurlijk moeten schrijven: ALLE religies en levensbeschouwingen, dus alle richtingen die in een bepaalde stad of streek aanhangers hebben. Niet alleen de grote en goed geörganiseerde.
Beste Boris, ik zou graag met je in gesprek gaan en je ervaringen horen. Huis van Ontmoeten is volledig onafhankelijk en komt uit mijn eigen verlangen en overtuiging dat ieder mens gezien wil worden. De basis is dus ons gedeeld mens-zijn en religie (welke dan ook) kan daar onderdeel van zijn. Mijn houding ten aanzien van religies is ‘niet weten’. Daarmee kan ik zelf maar 1 beweging maken; openstaan voor wat zich aandient en nieuwsgierig zijn. Mijn geloof hoort bij mij en het geloof van de ander bij de ander, daartussen vindt ontmoeten plaats. Via LinkedIn kunnen we wellicht contact zoeken
Ik vraag me eerlijk gezegd af of deze theoloog werkelijk door heeft waar het om gaat. Heeft zij wel door hoe professionals, vrijwilligers en mantelzotgers in de zorg voor morele dilemma’s komen te staan en het zelf maar moeten uitzoeken? Is haar bekend hoeveel mensen richting burn out zitten omdat zij niet kunnen aanzien wat er met kwetsbare mensen gebeurt die zich niet kunnen weren. Enig idee waarom onder zorgpersoneel het ziekteverzuim en de uitstroom zo hoog is? Waar bleven toen de kerken, want het personeelstekort speelt al decennia. In mijn boeken schreef ik al: Elke dag lijden tienduizenden mensen in de zorg nodeloos. En nu te doen alsof een en ander zich sinds kort afspeelt is gewoon niet waar. Het speelt al decennia.
Het is mij niet helemaal duidelijk op welke theoloog u doelt. Bedoelt u minister Sterk, of richt uw kritiek zich op mij als auteur van het artikel?
Als het laatste het geval is, dan wil ik één misverstand wegnemen. Ik weet wel degelijk over welke groep mensen en welke problematiek u spreekt. Juist de spanning die professionals, vrijwilligers en mantelzorgers ervaren wanneer systemen tekortschieten, mensen tussen wal en schip raken en zorg steeds meer op individuele schouders terechtkomt, vormt een belangrijk onderdeel van mijn werk.
Mijn afstudeerthesis -Veerkrachtig geloven in een verstrooide samenleving- die op deze site te vinden is onder het artikel ‘Kerk van glas’, gaat precies over die bredere maatschappelijke ontwikkeling. Daarin beschrijf ik hoe individualisering, institutionele verschraling en het verlies van dragende gemeenschappen ertoe leiden dat steeds meer verantwoordelijkheid terechtkomt bij individuele burgers en professionals. Mensen moeten dan niet alleen zorgen, maar ook morele dilemma’s, onmacht en systeemfalen zelf zien te dragen. Dat houdt niemand onbeperkt vol.
Mijn artikel beweert dan ook nergens dat deze problemen pas sinds kort bestaan. Integendeel. Mijn punt is juist dat we een ontwikkeling die al decennia gaande is te lang vooral hebben beantwoord met méér professionalisering en méér individuele verantwoordelijkheid. En precies daar stel ik de vraag naar de kerk. Niet omdat de kerk het personeelstekort in de zorg moet oplossen, maar omdat zij van oudsher een gemeenschap zou moeten zijn waarin mensen niet alleen hoeven te dragen wat het leven en de samenleving van hen vragen.
Daar ligt voor mij ook de kern van mijn kritiek op de toespraak van minister Sterk: de zorgzame samenleving mag niet het volgende antwoord worden op een tekortschietende verzorgingsstaat, waarbij burgers, mantelzorgers, vrijwilligers en kerken nóg meer verantwoordelijkheid krijgen. De diepere vraag is hoe we opnieuw gemeenschappen vormen waarin mensen daadwerkelijk door anderen gedragen worden.
Dank voor uw reactie. Wat we indedaad zien is hoe mensen aan de basis van de zorg decennia lang al de klappen krijgen. Ik zag dat als verpleegkundige in verscheidene functies en telkens viel mij op dat machthebbers alleen gevoelig zijn voor tegenmacht. Nu ook met de huidige staking. Te gek voor oorden dat dit moet, maar ze hebben volkomen gelijk, dat is namelijk de taal die verstaan en begrepen wordt. In de zorg lijden elke dag duizenden mensen nodeloos. Een van de rdenen is dat de vereniging van mantelzorgers, zorgprofessionals, patientenverenigingen niet in staat zijn om alleszins redelijke eisen op tafel te leggen en weten af te dwingen. En wat kerken ook doen ook in de zorg bepalen de machthebbers wat de kerken ook roepen en zeggen omdat zij geen tegenmacht vormen. Doordat er geen tegenmacht is zullenn ook in de zorg de meerst kwetsbare mensen geofferd worden, ook al wordt gesteld door de kerken dat opgekomen behoort te worden voor de minste der mijnen. Dat gebeurt echt niet. De huidige situatie is echt niet uit de lucht komen vallen.