Vlakbij een plein in Kaapstad staat een enorme boom, door zijn wortels omgeven, onder de grond maar ook erboven. Je zou ertussen kunnen wonen: dat gebeurt hier soms ook. Bakkies rijden rond vier uur af en aan, afgeladen met werktuigen en kleine machines. Ertussen in, diep weggedoken voor de koude arctische wind, zitten de vermoeide arbeiders, vrouwen en mannen: ze zijn ooit overal vandaan gekomen, uit heel Zuid-Afrika en vooral van daarbuiten, om wat geld te verdienen. Flarden van onbegrepen talen komen telkens langs met daartussen de opgewekte roep als iemand een bekende ziet of ook een vreemde: ’How are you?’ ‘Yes, I’m fine, and you?’ ‘I am fine too!’ ‘Have a good day!’ En in het zien van elkaar klinkt hun lach van alle kanten op.

Waar hebben al die verschillende mensen hun wortels? Hoe zijn hun verbindingen met thuis? Via organisaties als Mama Money – als NGO ontstaan – sturen ze via een mobiele app hun zuurverdiende geld naar moeder, vrouw en kinderen. Zo kunnen ze het vaak malafide bankverkeer in hun eigen land vermijden. Alles komt hier in Zuid-Afrika samen op zoek naar werk en deze arbeidsmigranten wonen meestal in een township. Ze komen en blijven komen. Elke grotere plaats heeft er wel een. Kaapstad heeft er vijf waarvan Langa de oudste is. De eerste straten soms met huisjes maar hogerop de heuvel worden de onderkomens steeds armoediger. Hier geen burgemeester die misschien 57 immigranten zou willen toelaten na vele inspraakrondes in het dorp. In zo’n township kunnen soms wel een miljoen mensen wonen. Niemand weet hoeveel precies.

ZINTIJD 20241011_151246

Waar immigranten in Nederland ondanks krapte op de arbeidsmarkt niet mogen werken zolang ze geen status en BSN-nummer hebben, blijven en blijken (goedkope) arbeidskrachten hier in Zuid-Afrika nodig en welkom. Erg veel bescherming genieten ze niet, maar in het Westland is het bij ons vaak ook niet best. Je vindt hen in winkels, op bouwplaatsen, bij wegwerkzaamheden, in de wineries en in de Über-taxi’s. Je hoort Engels, allerlei Afrikaanse kliktalen en de talen van andere landen in Afrika. Taxichauffeurs spreken meestal drie of meer talen: Engels, soms een beetje Afrikaans en meestal twee of meer talen van hun eigen land. Elke man of vrouw met hun eigen nationaliteit, hun muziek en verhalen, en hun zorgen.

Hoe doen ze dat toch: omgaan met elkaar met een lach bijdehand? Het gevecht voor eigen levensonderhoud en meestal die van een hele familie is hard. Hun omstandigheden zijn veel zwaarder dan in Nederland. Toch lijkt het of men hier ondanks het geweld dat er ook is, gemakkelijker kan delen met elkaar om te overleven. Ligt delen als je heel weinig hebt meer voor de hand? Niet alleen je spullen, je woonplek maar vooral je levensvreugde. Ik denk dat je hier in een week meer lachende gezichten en vrolijke opmerkingen kunt ervaren dan in een heel jaar in Nederland. Elke ontmoeting biedt als wederzijds geschenk – ook al ben je een vreemde – een welgemeende begroeting, een stralende glimlach en soms een bulderende lach.

Hoe lukt het deze mensen, die vaak zo weinig hebben om in een kort moment zoveel van zichzelf te geven? Hoe sterk en geworteld moet je zijn, ondanks de verre afstand van huis en familie? Misschien wordt hun hoop dat het ooit beter wordt telkens weer gevoed door hun levensvreugde, hun lach die uit de ontmoeting met ander ontspringt en zich verspreidt de straat door, de stad uit, de wereld in, ons tegemoet…

Felicia Dekkers

Felicia Dekkers

Redacteur

Felicia Dekkers is Neerlandica en studeerde later theologie. Zij werkte in het onderwijs (MO en HBO) en daarna als (beeld)redacteur bij …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.