Het belang van de bescherming van kwetsbaarheid komt al eeuwen terug in verschillende (religieuze) tradities. Wanneer drie onbekenden voor Abraham verschijnen haast hij zich in zijn gastvrijheid; hij vraagt niet eerst naar hun identiteit of het doel van hun bezoek. Die onbevangen ontvangst welke in alle drie de Abrahamitische religies terugkomt, vormt het archetype wat in de islamitische traditie karam wordt genoemd: eer bewijzen aan wie aanklopt, louter omdat hij mens is. In dezelfde geest verschijnt bij Loet (Lot) een aantal engelen in menselijke gedaante. Hoewel anderen kwade bedoelingen hebben, weigert Loet zijn gasten uit te leveren; hij plaatst bescherming van de vreemdeling boven de angst voor (sociale) repercussies. Gastvrijheid wordt daarbij tentoongesteld als een vorm van morele moed.
Zo toont met tal van dit soort voorbeelden en verhalen ook de islam een voorbeeld aan gastvrijheid. De Koran laat zien dat gastvrijheid meer is dan noodopvang. Zo belooft Jozef die in Egypte de graanschuren beheert aan zijn broers ‘volle maat’ en om ‘de beste gastheer’ te zijn. Ondanks het verraad van zijn broers die nu juist in een kwetsbare positie zijn. Eveneens ook met Mozes, die na zijn vlucht uit Egypte door een familie wordt opgevangen, gerust wordt gesteld, en aan wie werk en onderdak wordt aangeboden. Of met de inwoners van Medina, de ansâr, die uit Mekka gevluchte moslims ontvangen en – zoals in de Koran wordt verwoord – hen ‘verkiezen boven zichzelf, ook al lijden zij gebrek.’ In een ander vers wordt de gastvrije voorbeeldfunctie van rechtvaardige gelovigen uitgebeeld die ‘de behoeftige, de wees en de gevangene spijzen omwille van God.’
Eeuwen later spreekt Jacques Derrida in een seculiere taal over ‘absolute hospitality’: de ethiek die de deur opent vóór we vragen wie er aanklopt. Derrida erkent dat staten altijd grenzen trekken, maar stelt daartegen alsnog dat ware gastvrijheid pas begint waar voorwaarde eindigt. Wat bij Derrida eerder een filosofisch kompas is, leeft in de islam als profetische plicht. Uit deze eeuwenoude, maar ook moderne lessen kunnen wij als partij ook ons voorbeeld halen. Voor (Europees) beleid zou het betekent dat we eerst veiligheid moeten garanderen en daarna pas moeten focussen op dossieropbouw. Eérst veilige corridors voor kwetsbare mensen die vluchten voor oorlog en geweld, en daarna pas papierwerk. Aansluitend geen langdurig onzekerheid, maar snel kunnen meedoen aan de maatschappij; sneller recht op taallessen en (betaald) werk en koppelnetwerken om participatie vanaf dag één te kunnen faciliteren.
Zet deze normen naast het hedendaagse (Europese) asielbeleid en -discussie, en het contrast is pijnlijk voelbaar. Burgers die de grenzen zouden ‘verdedigen’ op zoek naar ‘donkere mensen’, ad-hoc deals met grensmilities in Libië willen sluiten, en hongerende gezinnen op Griekse eilanden: het zijn symptomen van een moreel bankroet beleid. Het argument van bestuurbaarheid en publieke opinie klinkt vertrouwd: grenzen en onze samenleving zou instorten zonder selectie. Maar juist daarin ligt een moreel risico. Al-Ghazali waarschuwde al dat de angst voor schaarste de ziel verhardt en de gemeenschap zijn levendigheid ontneemt. Zoals hij elders symboliseert, keert bezit – en dus ook vrijheid – dat niet gedeeld wordt ‘zich tegen zijn hoeder als een slang.’
Echte gastvrijheid begint vóór de vraag ‘waar kom je vandaan?’ Wie ontvangt, investeert tegelijkertijd in zijn eigen menselijkheid. In een tijd waarin hekken sneller groeien dan empathie is moreel leiderschap belangrijker dan ooit. Een linkse partij die deze logica omarmt, hoeft niet te kiezen tussen humaniteit en bestuurbaarheid, maar moet eerder kiezen voor een model waarin menselijke waardigheid juist de voorwaarde is voor bestuurbaarheid. Kiezen voor gastvrijheid is geen romantische gamble; het is een investering in de samenleving die wij als partij zeggen te willen bevorderen. De vraag is dus niet óf we het ons kunnen veroorloven te ontvangen, maar eerder of we het ons kunnen veroorloven dat niet te doen.
Deze opinie verscheen onlangs in De Linker Wang.
