Die vraag raakt niet alleen het individu, maar de hele maatschappelijke orde. We proberen vaak individueel te herstellen wat collectief is ontwricht. Hulp, therapie, zelfzorg – ze zijn waardevol, maar wijzen ook op het feit dat veel van onze problemen relationeel en maatschappelijk van aard zijn. In een wereld waarin dragende gemeenschappen zoals gezin, kerk, buurt of traditie verdwijnen, wordt veerkracht een persoonlijke opdracht, terwijl juist de bedding ontbreekt waarin echte veerkracht kan ontstaan.
Van zelfredzaamheid naar verbondenheid
Onze cultuur idealiseert autonomie en zelfredzaamheid. Van mensen wordt verwacht dat zij zichzelf blijven ontwikkelen, verbeteren en overeind houden in een wereld vol onzekerheid. Maar mensen zijn niet gemaakt om het leven alleen te dragen. Wij zijn relationele wezens: ons lichaam, ons brein en onze ziel komen pas tot rust binnen veilige, dragende verbindingen. Waar die verbinding ontbreekt, raakt het zenuwstelsel ontregeld en wordt stress geen uitzondering maar een permanente toestand. Eenzaamheid, burn-out en gevoelens van falen nemen toe, en niet toevallig raakt de geestelijke gezondheidszorg overbelast. Wat collectief ontbreekt, proberen we individueel te repareren.
Met dragend bedoel ik dan ook niet dat het leven maakbaar wordt of dat alles goedkomt, maar dat je het niet alleen hoeft te dragen. Dat er mensen, ritmes en plekken zijn die je opvangen wanneer het te zwaar wordt. Theologisch verstaan verwijst dit naar God — niet als degene die problemen oplost, maar als een aanwezigheid die het leven uithoudt, draagt en openhoudt, juist daar waar het breekt.
In zo’n samenleving verdwijnt de publieke ruimte voor kwetsbaarheid. Werk, zorg en onderwijs worden steeds sterker bepaald door marktwerking en efficiëntie, terwijl mensen verlangen naar ruimte om te ademen. Naar plekken waar falen mag bestaan, waar ritme belangrijker is dan resultaat, en waar nabijheid geen uitzondering is, maar de norm.
En de kerk dan?
Voor veel mensen is de kerk uit beeld geraakt. Ze is in de afgelopen decennia voor velen gaan staan voor regels, uitsluiting of een taal die niet meer raakt. Tegelijkertijd groeit een diep verlangen naar betekenis, stilte, verbondenheid, en spiritualiteit. Dat roept de vraag op of de kerk opnieuw een dragende plek zijn, zonder terug te vallen in oude vormen en zekerheden.
Dat vraagt om een ander beeld van kerk-zijn. Niet als een bastion met antwoorden of ‘zeker weten’, maar als wat ik noem een kerk van glas: Glas is weliswaar stevig, maar niet massief, het laat licht door. Het beschermt, en juist daarin schuilt ook haar kwetsbaarheid. Een kerk van glas is geen etalage van overtuigingen, maar een ruimte waarin zichtbaar wordt wat mensen meedragen; open, doorzichtig, kwetsbaar.
In zo’n kerk zijn mensen welkom zoals ze zijn. Waar ze een gemeenschap vinden die niet doet alsof zij sterker is dan zij is. Een plek waar mensen niet eerst iets hoeven te geloven of te begrijpen, maar mogen binnenkomen zoals ze zijn; het mens-zijn is genoeg. Niet als alternatief voor therapie, maar als sociale en spirituele bedding waarin mensen ervaren dat ze het leven niet alleen hoeven te dragen.
Zo’n kerk begint niet bij wat zij wil zenden, maar bij wat zij mag ontvangen. Ze luistert vóórdat ze spreekt. Ze is aanwezig zonder alles te willen oplossen. Ze is minder een instituut, en meer een gemeenschap die ruimte maakt voor menselijke verhalen, twijfel, hoop, en verlangen.
De Oergrond: theologie als dragende werkelijkheid
Onder deze manier van kerk-zijn ligt een theologisch fundament dat ik aanduid als de Oergrond – een beeld voor God als de dragende werkelijkheid onder ons bestaan. Niet iets wat wij bezitten of maken, maar dat wat ons draagt, ook wanneer wij zelf geen grond meer ervaren. In klassieke taal: God. Maar dan niet als almacht op afstand, maar als solidaire, dragende nabijheid.
De Oergrond is geen theorie of sluitend godsbeeld, maar een manier van spreken over een liefdevolle, ontvangende grond waarop ons bestaan rust. Een werkelijkheid waarin we kunnen vallen, opstaan en opnieuw beginnen. De grond waarin onze geschiedenis geworteld ligt, en waarin wij als gemeenschap onze identiteit vinden – niet als bezit, maar als geschenk. God is in dit beeld geen antwoord, maar een tegenwoordigheid die ons in het lijden meedraagt. De kruisdood maakt zichtbaar hoe Jezus het lijden niet uit de weg gaat, maar er doorheen gaat. Zo laat hij zien dat God mensen niet verlaat wanneer het leven breekt, maar juist daar nabij en dragend aanwezig blijft.
De kerk als oefenplek van veerkracht
Vanuit deze Oergrond ontstaat wat ik noem theologische veerkracht. Dat is niet simpelweg “doorzetten”, maar het vermogen om te blijven leven, hopen en vertrouwen midden in gebrokenheid, omdat je weet dat je gedragen wordt. Niet: het komt wel goed, maar: je hoeft het niet alleen te dragen.
In dit perspectief wordt de kerk een relationeel veld – een oefenplek waar mensen mogen ademen, vallen, helen en gedragen worden. Niet door idealen van perfectie, maar door gedeelde verhalen, kwetsbaarheid en nabijheid. In plaats van een verzameling van gelijkgestemden, wordt de kerk een gemeenschap van gedeelde menselijkheid.
Een model van veerkracht
Die veerkracht laat zich denken als een model met kringen in het water. In het midden ligt de Oergrond: de dragende werkelijkheid die ons draagt. Van daaruit bewegen vijf dimensies naar buiten, zoals rimpelingen: ergens bij horen, het geloof van de ander in jou, hoop, gedeelde verhalen, en overgave. Het is geen stappenplan en geen meetinstrument, maar een relationeel veld een oefenplek waarin mensen kunnen vallen, opstaan en gedragen worden.
Dit model verbindt het persoonlijke met het maatschappelijke. Het laat zien dat veerkracht niet ontstaat door individuele wilskracht, maar door gedeelde praktijken van zorg, ritme en betekenis. Waar zulke praktijken ontbreken, raakt de mens uitgeput. Waar ze aanwezig zijn, ontstaat ruimte om te ademen.
De kerk mag opnieuw een publieke rol vervullen – niet als machtsinstituut, maar als dienende gemeenschap. Een plek waar het tempo vertraagt, waar stilte ruimte krijgt, waar zorg niet geleverd maar gedeeld wordt, en waar het mens-zijn op waarde wordt geschat, los van prestaties.
In dit licht wordt de kerk een tastbare belichaming van de Oergrond: een plek van liturgie, hoop, vergeving en gedeelde kwetsbaarheid. Geen antwoord op alles, maar een ruimte waar mensen niet alleen geloven, maar vooral samen leven. Zoals brood en wijn meer betekenen dan zichzelf, zo wijst de kerk symbolisch en lijfelijk naar een werkelijkheid die groter is dan zijzelf – een werkelijkheid van genade, nabijheid en trouw. Daarin ligt haar profetische kracht: een plek zijn waar mensen zich gedragen weten, tegen de tijdgeest van maakbaarheid en prestatie in.
Hier krijgt de kerk een publieke rol. Waarbij ze niet meer centraal staat als gezagsdrager, maar als dienende gemeenschap die ruimte biedt voor ontmoeting en zingeving, geworteld in haar navolging van Christus, die zich niet boven mensen plaatste, maar temidden van hen leefde. Een ruimte waar het tempo vertraagt, stilte ruimte krijgt, en zorg nabij en menselijk is, los van puur functioneel handelen. De kerk kan zo een plek worden waar mensen ontdekken dat hun waarde verder reikt dan hun prestaties en wordt daarmee een oefenplek van verbondenheid.
Op deze manier belichaamt de kerk de Oergrond in zichtbare vorm, die in christelijke traditie wordt verstaan als de dragende aanwezigheid van God, zichtbaar geworden in Christus. Ze ontleent haar betekenis aan verwijzing in plaats van bezit. Zoals brood en wijn symbool staan voor iets groters dan zichzelf, zo verwijst de gemeenschap naar de dragende werkelijkheid die haar ondersteunt. De kerk bevindt zich onder het kruis, in het hart van het leven, waar kwetsbaarheid een gedeelde werkelijkheid is.
Dat vraagt om een nieuwe manier van denken, waarin eigenaarschap en actieve betrokkenheid centraal staan, in plaats van lidmaatschap en behoud. Mensen dragen
de gemeenschap, vanuit het besef dat zij zelf gedragen worden door God, die in de Geest de gemeenschap bezielt en bijeenhoudt. Op die manier groeit kerk-zijn uit tot een oefening in wederkerigheid, vrij van verplichting.
Tegen de tijdgeest in
In een samenleving die versnelt polariseert en uitput, waar mensen steeds meer worden meegetrokken in het ritme van prestatie, autonomie en digitale onrust, kan de kerk een stille tegenstem zijn. Een inclusieve ruimte waarin mensen niet moeten, maar mogen zijn. Waar tijd geen product is, maar ritme. Waar kwetsbaarheid niet iets is om te overwinnen, maar een taal waarin we elkaar verstaan. De kerk leeft dan niet van bezit of zekerheid, maar van vertrouwen – dat betekenis niet wordt gemaakt, maar geschonken. In die ruimte bloeit hoop op als een daad van verzet tegen de logica van het moeten. Veerkracht groeit waar mensen elkaar dragen. En waar mensen elkaar dragen, wordt God tastbaar.
Slot
De toekomst van de kerk ligt niet in het herstellen van wat verloren is, maar in het openen van ruimte voor Gods toekomst – in nieuwe vormen, open gemeenschappen, en radicale nabijheid. Daarin schuilt haar roeping: om in een gebroken wereld een bedding van hoop te zijn. Een oefenplek van verbondenheid. Een kerk van glas.
Birgit Jaarsma studeerde in 2025 af aan de PThU in de systematische theologie met haar doctoraalscriptie Veerkrachtig geloof in een verstrooide samenleving. De originele versie van de scriptie bevat een aantal kunstwerken van de auteur en kan worden opgevraagd via [email protected]. Voor de kunstwerken zie: saltandwater.eu.

Ik heb genoten van je artikel. En toen begon ik zelf te schrijven wat in mijn hart opkwam:
Ja, Birgit, wat draagt ons nog als samenleving? Dat is de vraag die je aan de lezer stelt. (En ik dacht stilletjes: wat zou het aan mij doen, als ik de vraag verander naar WIE draagt ons nog als samenleving?) Het kernantwoord kan altijd herleid worden tot relatie. De relatie die je met jezelf hebt en vervolgens met de maatschappij waarin je staat. Dat is voor velen een zoektocht door aardedonker glas aan het worden.
Altijd op zoek naar de nog onbekende jij die je schijnbaar door prestatie moet vinden. De maatschappij leert je dat je daarvoor zelf verantwoordelijk bent. En dat is nu gebleken erg problematisch te zijn. Het maakt je doodmoe …
Jij noemt dat we relationele wezens zijn. En je verwijst naar lichaam, brein en ziel. En beiden is voor vele mensen ogenschijnlijk op zand gefundeerd. Wat je doet, bepaald wie je bent. Dat zijn de eisen van de samenleving vandaag.
Met 1 Thessalonicenzen 5:23 in gedachten, zou ik zou hier nog de allerbelangrijkste een willen bijvoegen: het hebben van een geestelijke relatie met Vader, Zoon en Heilige Geest. Dat is wat volgens mij in de doorsnee-kerk afwezig is. Daarom het ligt het glas bij vele kerken aan scherven.
Je zegt het zo mooi: We proberen vaak individueel te herstellen wat collectief is ontwricht. Voor gelovigen is het collectieve in Bijbeltaal het Lichaam van Christus, en in de volksmond de kerk, de gemeente.
Maar laat de kerk van vandaag je deel voelen van het Lichaam? En is het begrip kerk voor de meeste niet beperkt tot een fysische locatie waar je hooguit een maal per week naar toe gaat? Maar dat is toch niet wat kerk-zijn betekent. Vooral niet als je Handelingen 2:42-47 leest.
De kerk is een familie. Er is een Vader en een Zoon, en we zijn omringd door een menigte van getuigen (Heb. 12:2) … En jij bent daar deel van. Wij zijn de kerk, de tempel van God, zegt de apostel Paulus. En daar moet je in de kerk van bewust gemaakt worden. Dat geeft iedereen een rechtmatige plaats. Het ligt niet in wat we doen en hoe we presteren. Maar het ligt in wie we zijn. En dat is wat kerk-zijn primair behoort uit te beelden: Het Levend Lichaam van Christus.
Maar is dat zo?
Hoe behoort de kerk er volgens de betekenis van het Griekse woord Ekklesia uit te zien? Dat Griekse woord bestaat uit twee delen. Het woorddeel EK betekent oorsprong en KALEO om een achternaam te geven. KERK-ZIJN heeft als hoofddoel om jouw oorspronkelijke identiteit collectief in Christus te funderen. Je bent deel van de familie van Vader-God en samen met de Geliefde Jezus Christus een geliefde.
Binnen deze familie mag je natuurlijk kwetsbaar zijn. En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee (1 Cor. 12:26). Maar in deze familiegemeente is er vreugde, wordt er gedoopt, voegt God bij, word er in de leer van de apostelen volhard, word er brood gebroken en gebeden, word er dagelijks eensgezind in de tempel bijeengekomen, breken ze van huis tot huis brood, word God geloofd. En de gemeente vind genade bij heel het volk.
Dat is voor mij een kerk waar glas symbolische betekenis krijgt: helderheid, zuiverheid, volmaaktheid, Gods aanwezigheid, maar ook menselijke kwetsbaarheid, vergankelijkheid en de noodzakelijkheid voor geestelijke transformatie.
God zelf draagt ons in onze ogenschijnlijke kapotte samenleving. Ja, God is nog steeds Hoofd van de kerk. En Hij bouwt elkeen van ons met onbreekbaar glas.
Een liefdesgroet uit Zuid-Afrika
Jan Buscop