‘For good luck, please take it,’ zegt hij. Hoopvol, vermoeid.

Hij is ergens eind twintig en lijkt vaagjes op een jonge versie van de acteur Irfan Khan. Wat we met elkaar gemeen hebben: roots in India. Ik door mijn voorouders uit India. Begin twintigste eeuw kwamen zij als contractarbeider naar Suriname, legden het fundament voor volgende generaties en mijn ouders trokken de migratielijn door naar Nederland. Een achtergrond waardoor ik nu woon in Rotterdam, vrij kan reizen over de wereld en shoppen in Milaan. Naar zijn verhaal kan ik alleen raden, maar ik weet nu al dat de woorden ‘vluchten’, ‘stress’ en ‘onstabiliteit’ er meerdere keren in voorkomen. Een achtergrond waardoor hij mij nu hoopvol en wanhopig tegelijkertijd een armbandje in de kleuren van de regenboog aanbiedt.

‘I’m sorry, I don’t have any cash with me.’ Ik zeg het als een automatische reflex nog voordat ik echt over zijn verzoek heb nagedacht, zoals je ook je ov-chipkaart voor de scanner houdt of een zoemende vlieg wegjaagt.

Door zijn manier van doen, leeft een herinnering van jaren geleden op. Een eerste keer-herinnering dus helder van kleur. Ik was zeventien toen ik de bagage van mijn Indiase uiterlijk op een internationaal speelveld ontdekte. Tijdens een werkweek in Rome met de rest van de vwo- en gymnasium leerlingen. Mijn eerste trip zonder ouders in het buitenland.

Als ik stukjes bagage van mijn Indiase uiterlijk op reis uitpak, ziet dat er bijvoorbeeld zo uit: mensen die spontaan Bollywoodliederen beginnen te zingen als je voorbij loopt. Als dat een brug te ver is, dan proberen velen het roepen van namen van Indiase actrices. Op rondreis in Bali begonnen hotelmedewerkers spontaan stukjes uit filmdialogen na te spelen. Op reis wandelt Bollywood dus altijd met me mee. Het toont zichzelf op de meest onverwachte momenten, net als de pop-up ads aan de zijkant van je laptop.

Maar ik ontdekte ook een bittere kant waar mensen uit de Indiase diaspora mee geassocieerd kunnen worden. Op de Piazza Navona zag ik vele Indiase rozenverkopers. Ze vielen me op, tussen alle flanerende zonnebrildragende ijsetende mensen. Ik observeerde hoe de rozenverkopers toeristen observeerden. Wie was zo goed geluimd door vakantiekoorts en flink geld aan het uitgeven, dat ook een roos er wel bij kon? Wie was op een date met een dame en kon een geste van een roos wel goed gebruiken of juist niet weigeren zonder harteloos over te komen? Het was puur en noodzakelijk ondernemerschap.

De andere vwo-leerlingen leken ze niet te zien. De jongens vertelden elkaar sterke verhalen over Italiaanse vrouwen, de meisjes keken giechelend naar de Italiaanse jongens. Ik zag die Italiaanse jongens ook wel, maar was door de rozenverkopers gefascineerd. Waarom verkochten ze rozen? Hoe maakten sommigen de rozen blauw van kleur? Hoe zou een gesprek tussen rozenverkopers onderling verlopen? Ik zag voor me hoe ze na een avond werken bij elkaar zaten. Het ambacht van het rozen verkopen besprekend; de beste technieken voor de verkoop, de meest gewilde locaties, de gunstigste tijden. Meer vragen bleven opkomen: Deelden ze de winst? Dachten ze ook wel eens over het verkopen van andere producten? Maar de vraag die ik hen echt had willen stellen, maar helaas niet durfde: hoe kwamen ze hier, wat was hun verhaal?

Jaren later ben ik weer in Italië, dit keer in Milaan, en ontdek ik weer nieuwe dingen. Verrassingen die perspectieven en associaties door elkaar gooien.

Zo ontdek ik dat een van de meest gerenommeerde ijszaken in Milaan wordt gerund door migranten van Indiase en Sri Lankaanse afkomst. Twee meisjes met prachtige ogen zijn constant bezig met het bereiden van perfecte ijsbolletjes, voor een rij die nooit korter lijkt te worden.

Ik eet in een oer-Italiaans restaurant gespecialiseerd in polenta, en krijg daar perfect advies van een ober van Pakistaanse afkomst. Hij woont nu 10 jaar in Italië. Samen een gesprek voeren in gebrekkig Hindi is een plezier.

Een paar voorbeelden waardoor beelden en generalisaties over de Indiase diaspora veranderen, ruimte krijgen om te ademen. Het globale burgerschap kan niet in hokjes worden geplaatst.

In de Gouden Vierhoek wordt het steeds drukker. De Indiase jongeman kijkt me nog steeds afwachtend aan. In mijn ooghoeken zie ik ook enkele mannen van Afrikaanse afkomst rondlopen met de gekleurde armbandjes. Met een kleine sprankel in zijn ogen vraagt hij: ‘Do you have a husband?’

Waarschijnlijk maakt hij zich dagelijks zorgen om zijn toekomst. Of mogelijk denkt hij er helemaal niet meer over na. Leeft hij bij de dag. Van het ene bandje naar de volgende maaltijd naar een slaapplek en dan weer op zoek naar een ontbijt. Van moment naar moment is overzichtelijk. Lange perspectieven verdoven de beste manier om door te kunnen gaan. Maar hij is ondanks alles een jongeman zoals iedere andere. Wat als zijn hart onverwachts romantisch gaat kloppen en toekomstdromen toch een weg naar buiten vinden?

Waar zou deze jongeman mij mee associëren? Een rijke toerist waarschijnlijk. Mogelijk is hij ook benieuwd naar mijn verhaal.

En hoe denk ik over hem? Het is alsof ik kijk in een ongemakkelijke spiegel. Want wat als ik in zijn wieg had gelegen? Ik zie zijn ondernemendheid, harde werken en doorzettingsvermogen. Deze jongemannen zijn niet zielig. Maar zonde is het wel. Kwestie van de verkeerde plek onder de verkeerde omstandigheden, en ga zo maar door. Toch proberen ze er wat van te maken, elke dag opnieuw.

Besluiteloos sta ik voor de kunstzinnig vormgegeven etalage van Gucci. De jongeman nog steeds naast me.

‘I have a husband,’ zeg ik.

Hij pakt er nog een regenboogkleurig bandje bij.

‘One for you and one for your husband. For good luck,’ zegt hij.

‘Free of charge.’

Shantie Singh

Schrijver

Bestuurskundige en schrijver
Profiel-pagina
Al één reactie — praat mee.