Tot ik in 1966 in Amsterdam ging studeren had ik de consequenties van de stichting van de staat Israël (in mijn geboortejaar) voor Palestijnen niet werkelijk in het vizier. Het narratief in mijn jeugd was: de Arabische staten hebben het verdelingsplan afgewezen en zijn tot de aanval op de joodse staat overgegaan. Over het geweld, de verdrijving, de vluchtelingenkampen voor een geschatte 700.000 Palestijnen hoorde je niets. Dat paste niet in het toenmalige narratief. Hun lot werd verzwegen of de Arabieren en Palestijnen werden als vijand beschouwd. Dat klopte ook in 1947/1948, tijdens de Suezoorlog in 1956, de Zesdaagse Oorlog in 1967 en de Jom Kippoer oorlog in 1973.

Israël was voor mijn achttiende levensjaar, en voor de meeste Joden nog steeds, een blanco cheque, vanuit de gedachte: als het weer mis gaat hier, hebben we tenminste een plek. Ik herinner mij hoe mijn ouders en wij kinderen in 1956 aan de radio gekluisterd zaten. Ook weet ik heel goed hoe veel angst ik als jonge student had om het voortbestaan van Israël in 1967. Ik werd telkens gevraagd wat ik over Israël vond: “Ik ben Nederlander en ik heb geen kiesrecht daar”. Die vraag en mijn antwoord zijn zestig jaar hetzelfde gebleven.

Die jaren hebben mij politiek gevormd. In 1969 heb ik meegedaan aan de bezetting van het Maagdenhuis, maar ben naar buiten geklommen voordat zwaarbewaakte politiemensen het gebouw binnendrongen. Ik werd lid van de Kritische Zionisten en later, na terugkeer uit Londen, van de Vrienden van Vrede Nu (mijn partner Judith Frishman zat in het bestuur). In 1971 heb ik Israël voor het eerst bezocht – het feit dat Israël een bezetter was geworden heeft mijn instelling veranderd.

Een ander aspect dat mij gevormd heeft is de Sjoa. In de eerste decennia na 1945 ging het Nederlandse narratief vooral over de helden van het verzet en van de Februari-staking in 1941. Maar in joodse kringen, religieus en seculier, ging en gaat het vaak nog steeds over wie niet is “teruggekomen” oftewel vermoord is. Wanneer ik als kind vroeg waarom wij geen opa’s oma’s, ooms, tantes, neven of nichten hadden, kreeg ik ontwijkende antwoorden. Leonard de Vries’ boek Chaveriem (1955) over een overlevende die in Israël sinaasappels gaat plukken, heb ik verslonden. Sam Wagenaars fotobandje Vrouwen van Israël liet stoere, mooie, vrolijke en vooral hardwerkende pioniers op de kibboetsiem zien. Zulke boeken gaven je zelfvertrouwen en vooral trots. Dat konden we goed gebruiken na een periode van vernederingen en angst.

Het lot van de Joden werd pas echt een thema met het Eichmann-proces (1961), toen voormalig NIW-redacteur Jo Melkman in Jeruzalem getuigde over de situatie hier. Ik herinner mij dat mijn vader tijdens een door Philip Bloemendal ingesproken nieuwsfilm bij het item Eichmann mijn ogen bedekte, en ons mee naar buiten nam. Pas geleidelijk ben ik erachter gekomen hoeveel van onze familieleden vermoord zijn. Vijf jaar geleden ben ik begonnen hun portretten voor herinneringskamp Westerbork te schrijven. Ik ben nog niet helemaal klaar.

De Hollandsche Schouwburg en Westerbork waren na de oorlog met verval en sloop bedreigd: Westerbork is pas in 1963 en de Schouwburg pas in 1983 tot gedenkplaatsen voor de 107.000 uit Nederland naar de vernietigingskampen gedeporteerde Joden geworden. Lange tijd hebben Joden geen enkele rol op de nationale herdenkingsdag op 4 mei gespeeld: de Jodenvervolging werd tot 1966 niet eens genoemd. Geleidelijk is 4 mei steeds inclusiever geworden, alle slachtoffers worden genoemd, ook LGTBQ+. De herdenking is verder uitgebreid, ook tot de gevallenen van militaire acties in het buitenland – nog steeds omstreden.

Ik ben opgegroeid in een gezin waarin de Duitse klassieke literatuur (Goethe, Schiller en uiteraard Heine) en muziek (zoals Bach en natuurlijk Mahler, Schönberg en Gershwin) aanwezig waren. Mijn ouders spraken goed Duits. Maar naar Duitsland wilden ze nooit meer komen – ook niet voor de opening van Jüdische Lebenswelten in Berlijn, een grote tentoonstelling die ik mede had georganiseerd. Behalve grappen over Duitsers heb ik mijn ouders nooit iets negatiefs over Duitsers horen zeggen – het woord ‘moffen’ kwam bij ons niet voor.

Vooral sinds 7 oktober 2023 verbaas ik mij erover hoe niet-joodse studenten en academici zich in hun solidariteit voor de Palestijnse zaak joodse mede studenten en collegae in een voor hen bedreigende situatie brengen. Dat er altijd antisemitisme is, groot en klein (dat laatste noemen Joden risjes kwaadaardigheid) weten en merken we, maar dat het ooit opnieuw, openlijk en dagelijks naar boven zou komen, heb ik echt niet verwacht.

Kritiek op de regeringspolitiek van Israël vind ik persoonlijk terecht, maar dat mag niet omslaan in een antisemitisch narratief, dat het bestaansrecht van Israël principieel betwist. Wie dat doet, brengt Joden wereldwijd in het nauw – de gevolgen maken we dagelijks mee. De democratische consensus in Nederland erkent Israël sinds 1949 zoals een groot aantal andere leden van de Verenigde Naties, zelfs Iran (tot 1979). Duitsland en Oostenrijk dragen als landen, die verantwoordelijk zijn voor een internationaal als zodanig erkende genocide, een bijzondere verantwoordelijkheid. Dat geldt natuurlijk niet voor de (klein)kinderen van de vervolgers.

Nederland heeft die verantwoordelijkheid voor de Sjoa ook, vanwege de inmiddels door historici erkende verantwoordelijkheid voor het actieve meewerken daaraan. Nederland is ook verantwoordelijk voor het bloedbad in Srebrenica in 1995, door de VN in 2024 als genocide gekwalificeerd. De nationale gedenkdag Keti Koti en een slavernij museum verdienen alle steun. Herstelbetalingen voor de slachtoffers van het wereldwijde Nederlandse kolonialisme: dat is de hoogste tijd.

Ik vind het fantastisch dat 4 en 5 mei in Nederland op zo veel plekken overal in heel Nederland zo massaal herdacht wordt. Hoe snel een autocratisch regering een open democratie ondergraven kan, zien we overal wereldwijd om ons heen. In een pluralistische samenleving is er plaats voor diverse vormen van gedenken.

De miljoenen slachtoffers van oorlog en vlucht hebben gevolgen voor de overlevenden: hun trauma werkt generaties lang door, dat is een van de dingen die de Sjoa ons geleerd heeft. Je kunt geen volk, geen mens onderdrukken, je kunt de ander niet zijn bestaansrecht ontkennen en dan denken dat je zelf rustig slaapt. Selectieve en eenzijdige verontwaardiging zijn niet behulpzaam, het gesprek zoeken en de ander als mens in de ogen kijken wel.

Lees ook

Gazastrook-bombardement-vernietiging_wikimedia

Respect voor elkaars tradities is van groot belang voor vrede in Israël, Palestina en daarbuiten

Kunnen wij ons samen voor gelijkheid en wederzijds begrip inzetten?

1517494923824

Edward van Voolen

Edward van Voolen studeerde kunstgeschiedenis en geschiedenis in Amsterdam en is geordineerd als rabbijn door het Leo Baeck College, …
Profiel-pagina
Al 2 reacties — praat mee.