Nu kun je je afvragen: ‘Wat geeft dat? Natuurlijk was het 75 jaar geleden heel anders: toen was er terreur en geweld, haat en verdrukking, de wereld had haar verstand verloren.’ ‘Maar nu’, zo heet het, ‘hebben we dat overwonnen, we leven toch in andere tijden, we hebben al zo lang vrede: die vlaggen in de straten Van Nederland zijn een ritueel dat mensen nodig hebben om de onzekerheid van de corona-crisis uit te houden.’ Maar is herdenken niet méér dan een ritueel, meer dan een symbolische gemeenplaats die ons voor even een goed gevoel geeft, zoals de wapperende kleuren rood-wit-blauw?

Die vraag stelde Arnon Grunberg in zijn 4 mei-lezing in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Zijn antwoord was scherp. Ja, herdenken is geen ritueel, het is een actieve confrontatie: herdenken is opnieuw-doordenken, en het moet gevoed worden door een ‘verlangen naar kennis en inzicht’, stelde Grunberg. Herdenken prent ons in dat de bezettingsjaren helemaal niet achter ons liggen, dat we niets overwonnen hebben. Herdenken houdt in dat we opnieuw op zoek gaan naar het verleden, niet als iets wat ooit was, maar als iets wat ons hier en nu bezighoudt, ons inspireert maar ook verwart en verontrust.

Genadeloos concreet maakte Grunberg dit herdenken als confrontatie, door het aan beelden te koppelen. Want beelden zijn de dragers tussen verleden, heden en toekomst. Ze laten dingen herleven, ook al zijn ze allang voorbij, allang niet meer ‘echt’. Beelden kunnen ons vervoeren en bespoken, en dat doen ze in het nu. Dwingend laten ze ons over onszelf nadenken, zoals we nu zijn. Beelden maken wat niet meer is, wat niet meer ‘echt’ is – tenminste, dat geloven we, het is toch immers voorbij? – tot harde werkelijkheid. Beelden zetten zo de tegenstelling tussen echt en onecht, en tussen heden en verleden, op haar kop. Zoals het beeld van de vrouw in Auschwitz die op het punt staat gefusilleerd te worden, haar kind op de arm. Grunberg vertelt het bijna verbeten. Het beeld is keihard.

‘Toen knalden er opeens een paar schoten door de stilte. Het kind was van opzij in de borst getroffen. De moeder, die voelde dat het bloed van haar kind langs haar lichaam liep, verloor haar zelfbeheersing en smeet de moordenaar het kind in het gezicht, toen die de loop van zijn wapen al op haar had gericht. Oberscharführer Voss was van zijn stuk gebracht en stond daar als versteend. Toen hij het nog warme bloed in zijn gezicht voelde, liet hij zijn geweer vallen en wreef met zijn hand over zijn gezicht.’

Het verleden laat ons niet los; het is er, nu. Dat maakt dat het herdenken van de onvrijheid en het vieren van de vrijheid, dat 4 en 5 mei momenten zijn waarop we hard moeten werken. Werken om te begrijpen, om kennis te vergaren, ook als die kennis eigenlijk alleen maar onbegrijpelijk is en verbijsterend. Dat ben ik zeer met Grunberg eens.

Natuurlijk houdt die noodzaak hard te werken aan onszelf niet op na 5 mei. Terecht stelde Grunberg in zijn lezing dat we herdenking voorbij de onschuld van het ritueel moeten brengen: voorbij de vertrouwdheid van het symbool en de geruststelling van het gezamenlijke gebaar. Je moet je verleden kennen, en het herkennen en erkennen in het heden. Wie niet op deze lastige manier herdenkt, ‘is gedoemd niet te weten wie hij is’. Dat betekent niet dat we door te herdenken weer een identiteit krijgen, een zekerheid omtrent wie we zijn. Het betekent dat we weten hoe onzeker we zijn over onszelf, dat we zinzoekers zijn. De mens is een vraag voor zichzelf, stelde Augustinus in zijn eigen zelfonderzoek en zelf-herdenking, de Bekentenissen, uit het jaar 398. We staan versteld van onszelf, ten goede en ten kwade, wanneer we de beul Voss, de vrouw en haar kind gedenken. Zijn wij dat?

Antiserum tegen vreemdelingenhaat

We moet ons verleden kennen om te weten waar we staan: dat we ons suf piekeren over de vraag wie we zijn, de vraag die we zijn. Omdat dat zo is, moeten we volgens Grunberg ‘speels omgaan met onze identiteit’. Zo is herdenken een antiserum tegen de illusie van de ‘eigen’ identiteit en tegen vreemdelingenhaat:

‘Niets doet mensen zozeer naar een onwrikbare identiteit verlangen als het knagende vermoeden dat ze geen idee hebben wie ze zijn. En het is vaak de onwrikbare eigen identiteit, de weigering er speels mee om te gaan die ertoe leidt dat de ander als een volstrekte vreemde en een absolute vijand wordt gezien.’

Herdenken is dus strijd: verzet tegen nationalisme en populisme. Het is geen ritueel dat we op gezette tijden uitvoeren, het is een voortdurende urgentie. Die strijd is niet gratis. Dat blijkt al als een dag na zijn lezing Grunberg honderden haatdragende berichten ontvangt, vooral op Twitter. Mensen protesteren heftig tegen zulke harde verhalen op 4 mei. Mijn vrouw Heleen was net als ik ontroerd door Grunbergs woorden, maar begrijpt het protest ook. Ze zei: ‘Het was alsof Arnon Grunbergs woorden zelf het kind waren dat, net dood geschoten, in ons gezicht werd gesmeten’. En toch is dat precies wat er moet gebeuren in coronatijd. Daar begint herdenken, jammer voor de boze twitteraars.

In deze vreemde, onverwachte tijd gaan veel mensen die confrontatie aan, zonder te weten wat er aan het gebeuren is, in onzekerheid: de mensen in de zorg, in het onderwijs, in de culturele en creatieve beroepen. De coronatijd is een tijd van talloze her-denkingen: van nieuwe ideeën en vormen, koortsachtige duidingen, experimenten. Het lijkt of er nog nooit zo veel is geschreven, gefilmd, geschilderd, verhaald, gedicht, en vooral gezorgd. Het is alsof we allemaal in het diepe springen zonder te weten waar we landen – als we al landen. Het is alsof de wereld van het onvoorwaardelijke spreken en handelen, van het woord, het beeld en de zorg het tijdelijk hebben overgenomen van de wereld van de economie: van de controle, de berekening en vooral van de voorwaardelijkheid.

Ik bedoel: vrijheid is in de neoliberale tijd vooral: jezelf zijn, succes hebben, en gedreven worden door de vraag ‘Wat levert het mij op?’. In de logica van het neoliberalisme is alles voorwaardelijk: niets is voor niets, alles moet een doel en een nut hebben, niets heeft waarde in zichzelf, alles moet renderen. En om rendement te kunnen maken, moet je controleren. Daarom is helaas tot op heden ons neoliberale overheidsbeleid er eenzijdig op gericht het virus zo snel mogelijk onder controle te krijgen, zodat de economie weer kan aantrekken. Maar velen voelen aan dat die controle misschien wel nooit meer terugkomt. En dat dus de vrije markt waar de regering Rutte zo verliefd op is, haar houdbaarheidsdatum aan het passeren is. Die markt is moordend, en is helemaal niet vrij.

Ondoordachte bezuinigingen

Kijk maar naar de ondoordachte bezuinigingen op de zorg, doordat die zorg werd geprivatiseerd en vercommercialiseerd in de laatste tien jaar. ‘Veel te duur, die zorg, onbetaalbaar’, hoorde je politici van rechts tot links klagen. En nu mogen verplegers met een salaris dicht bij het bestaansminimum de samenleving dragen. Op de website SaarMagazine las ik begin april deze brief van een moeder over haar dochter, werkzaam in de IC-verpleging. De brief is gericht aan onze premier.

‘Beste Mark,
de afgelopen jaren heeft uw eigen VVD jaar in jaar uit gesneden in de zorgkosten. Bezuinigingen, bureaucratie, geld dat in managementlagen blijft hangen. En dit alles maakt de zorg geen aantrekkelijke loopbaan, waardoor de tekorten alleen maar verder oplopen. Regelmatig hoor ik van mijn dochter over collega’s die bezwijken onder de werkdruk. En inmiddels vraag ik me al bijna niet meer af óf dit mijn dochter ook gaat gebeuren, maar wanneer. Dus wil ik één ding aan u vragen, voor mijn dochter. Want die doet haar werk niet om ‘heldhaftig’ gevonden te worden door u. Die doet het niet voor het geld, of voor een keer applaus om acht uur ’s avonds. Zij doet het omdat ze mensen wil helpen. En daarom vraag ik u: help haar ook. Niet nu, maar juist als we uit deze crisis zijn. Zorg een beetje voor de zorg. Het is namelijk het belangrijkste wat we hebben, zoals u nu misschien eindelijk inziet.
Vriendelijke groet, een bezorgde, ontzettend trotse moeder.’

Kijk ook naar de duizenden ondernemers die opeens zware verliezen lijden en op omvallen staan… De hulpprogramma’s voor ondernemers zijn indrukwekkend en noodzakelijk, maar ze zijn voor de korte termijn, en ontoereikend. Maar moeten de ondernemers allen weer zo snel mogelijk vrij kunnen ondernemen? Willen we terug naar de oude wereld die nog geen twee maanden geleden van zelf sprak? Of moeten we naar een andere politiek, gedragen door de zogenaamd ‘zachte’ sectoren – onderwijs, zorg, cultuur –, een politiek die de economie niet meer op haar beloop laat, maar zoekt naar een nieuwe relatie tussen de mensen onderling en tussen mens en wereld?

Ik vind dat de corona-crisis ons de kans geeft om nog eens serieus te kijken naar het pleidooi van Rutger Bregman en van de Duitse filosoof Hartmut Rosa voor een basisinkomen, of naar het pleidooi van de Franse econoom Thomas Piketty voor een jongerenkapitaal. We wuifden dat tot nu toe weg als naïeve utopieën; misschien zijn ze veel reëler, en zeker veel betaalbaarder dan de grillen van de vrije markteconomie. Laten we er eens over nadenken! Ook dat hoort bij het herdenken in mei 2020.

Ik hoop dat we nu, 75 jaar bevrijding vierend, een ander soort vrijheid in zicht krijgen dan die van de markt. Die hoop deel ik met twee jonge auteurs in de digitale krant De Correspondent, Lynn Berger en Jelmer Molmers. Op 27 maart 2020 schreven ze:

‘We zijn in onze westerse, geïndividualiseerde samenleving gewend om onafhankelijkheid te vieren: om autonomie als een groot goed te zien en zelfstandigheid als het belangrijkste doel van de opvoeding; om onze successen toe te schrijven aan onszelf en om “vrijheid” gelijk te stellen aan “doen waar je zelf zin in hebt”.’

De waarheid is dat we allang aan het afscheid nemen zijn van dat autonome mensbeeld. Dat maakt deze crisis duidelijk. Volgens Berger en Molmers:

‘We zijn door en door afhankelijk. Van elkaar, maar ook van de dieren en planten om ons heen. Voor ons welzijn, onze veiligheid, en voor ons bestaan. Wat als we die blik vasthouden?’

Het is een simpele vraag, maar probeer haar maar eens van een antwoord te voorzien. In elk geval is deze vraag ook een uitnodiging: ga de confrontatie aan met het heden! De vlaggen in mijn straat zijn dan misschien toch meer dan een loos ritueel: we hijsen ze uit verbazing over wat er aan het gebeuren is. En we hijsen ze om het heden te herdenken, dat wil zeggen, om onszelf anders te denken. Herdenken is om-denken. Herdenken is her-zien. Wat als we die blik vasthouden?

De lezing van Arnon Grunberg is terug te lezen in de Volkskrant.

U kunt gratis verder lezen

Klik deze melding weg via het kruisje. Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze schrijvers en word al vanaf € 5 per maand Vriend/in van Nieuw Wij.

Ik lees eerst het artikel verder.
laurensjw

Laurens ten Kate

Hoogleraar

Bijzonder hoogleraar Vrijzinnige religiositeit en Humanisme aan de Universiteit voor Humanistiek Utrecht
Profiel-pagina
Al één reactie — praat mee.