Deze grondhouding van eenzijdige perceptie zien we symbolisch uitgedrukt in een overlevering van de dertiende eeuwse Turkse moslimfilosoof Nasreddin Hodja, ook wel bekend als Djoha:

‘Op een dag stond deze Nasreddin bij een rivier. Aan de andere kant van het water kwam een man aanlopen. De man keek naar Nasreddin en vroeg hem: “Beste man, hoe kom ik aan de overkant?” Nasreddin glimlachte en antwoordde: “Waarom vraag je dat, daar sta je immers al?”’

Deze parabel laat zien dat je perceptie bepalend is voor de wijze waarop je de realiteit waarneemt. Wat de overkant is voor de man, is dat niet voor Nasreddin. En uiteraard andersom. Dit idee van perceptie, van het niet zien – en soms zelfs niet willen zien – wat de ander ziet, is mijns inziens op macroniveau mede een oorzaak van de huidige spanning en polarisatie ten aanzien van de islam, en leidt onmiskenbaar tot emotie-politiek.

Emotie-politiek

Wat emotie-politiek betreft ben ik natuurlijk debet aan de wijze waarop de afgelopen jaren ‘het debat’ in Nederland is gevoerd, de sfeer waarin dit gebeurde en waarin dit nog steeds plaatsvindt. Gedurende een groot deel van mijn tijd in het parlement behoorde het hyperboliseren van alles dat raakte aan de islam en het in de media uitdragen van een radicaal anti-islamprogram, tot ‘core business’ van mijn politieke portefeuille als voormalig PVV-Kamerlid.

Wat emotie-politiek betreft ben ik natuurlijk debet aan de wijze waarop de afgelopen jaren ‘het debat’ in Nederland is gevoerd, de sfeer waarin dit gebeurde en waarin dit nog steeds plaatsvindt.

Deze emotie-politiek, waarbij consequent wordt ingespeeld op woede, angst en machteloosheid (en ratio en feiten veelal ondergeschikt worden gemaakt aan sentiment), werd en wordt vaak gelegitimeerd met een verwijzing naar een overigens bestaande realiteit van aanslagen en terroristische dreiging. Maar ook de associatie van de islam met criminaliteit, het historische vijandbeeld, wahhabistische propaganda en de gegeven context van progressief secularisme, waardoor het begrip voor en vooral ook van godsdienst blijft eroderen, spelen een voorname rol als het gaat om de perceptievorming ten aanzien van de islam.

Terreur en criminaliteit

Met de aanslag op de Twin Towers en het Pentagon, op 11 september 2001, barstte het maatschappelijk ‘islamdebat’ in alle hevigheid los. Terroristische gewelddaden volgden in de jaren erna ook nog op onder meer het parlement van India (2001), een toeristenoord op Bali (2002), een treinstation in Madrid, (maart 2004) en een school in het Russische Beslan (september 2004). Toen daarna Theo van Gogh werd vermoord (november 2004) was, naar de woorden van de AIVD, ‘de ideologie van de gewelddadige jihad’ ook naar Nederland gekomen (AIVD 2006).

Vele verschrikkingen zouden nog volgen, binnen en buiten Europa. Van ontvoeringen, antisemitische terreur en onthoofdingen tot aan lukrake steekpartijen, aanslagen met vrachtwagens, het uitroepen van het kalifaat door Islamitische Staat en zelfmoordaanslagen aan toe. Deze aanhoudende en steeds intensievere strijd van extremisten drukte, en drukt nog steeds, onmiskenbaar een stempel op het beeld van de islam.

Behalve het barbaarse terroristische geweld, wordt de publieke opinie ook gekleurd door de criminaliteitscijfers. Hoewel de relatie met de islam er theologisch geenszins is, associëren bepaalde groepen de islam met crimineel gedrag van mensen met een islamitische achtergrond.

Gedurende mijn tijd als Kamerlid hoorde ik veelvuldig de zorgen vanuit de achterban aan. Deze zorgen gingen niet over de verkrijgbaarheid van een Koran in de boekenwinkel, over het betalen van belasting over hoofddoekjes of over de invoering van een minarettenverbod. Deze zorgen gingen meer dan iets anders over alledaagse veiligheid. En dan met name over crimineel gedrag van jeugd(bendes). Daarbij werd door stemmers veelvuldig, en in lijn met de partijboodschap, gesteld dat de islamitische achtergrond een voorname oorzaak is van dit gedrag. Over ‘straatcultuur’ als bron van veel ellende werd niet gesproken. Diefstal, bedreiging, intimidatie en geweld tegen niet-moslims zouden expliciet door de godsdienst worden gelegitimeerd.

Op politiek niveau wordt dit idee ook ‘onderbouwd’. Zodra er gewezen wordt op het feit dat stelen, liegen, intimidatie en geweld binnen de islam – net als bijvoorbeeld binnen het jodendom en christendom – uiteraard niet is toegestaan, wordt er niet zelden met het begrip taqiyya geschermd. Dit uit de sjiitische traditie afkomstige concept, heeft echter niets van doen met het bovenstaande, maar stelt dat een gelovige in oorlogstijd zijn of haar religieuze identiteit mag verbergen als hij/zij vervolging of marteling vreest. Binnen bepaalde islam-kritische kringen wordt aan deze uitleg echter een draai gegeven en leert men dat moslims de waarheid mogen verbergen om vervolgens de ‘ongelovigen’ te ontdoen van hun welvaart en welzijn. Op deze wijze tracht men liegen als een islamitische deugd te presenteren. Iedere verdere discussie wordt daarmee vrijwel onmogelijk gemaakt omdat de islam-criticus altijd zal zeggen dat ‘de moslim’ liegt en dus taqiyya toepast als er argumenten worden ingebracht die zijn ongelijk aantonen. Een zeer kwalijk gevolg van dit mechanisme op een dieper niveau, is de normalisering van wantrouwen jegens moslims. En dit raakt uiteraard weer aan de eerder genoemde, en functioneel ingezette, emotie-politiek.

islamic-3710002_1920
Beeld door: Pixabay

Historische vijand

De basis voor dit wantrouwen jegens moslims en de islam in brede zin is echter niet contemporain van aard. Er bestaat in Europa een diepgeworteld, eeuwenoud vijandbeeld van de islam. Tussen de achtste en zeventiende eeuw was de voorstelling van de islam in het Westen primair gebaseerd op religieuze polemiek. Moslims werden eenvoudigweg geduid als ongelovigen. Veelal werd de islam beschreven als een ketterij, als een vorm van duivelsaanbidding of een heidense religie uit de woestijn. De islam werd vaak ook onjuist begrepen als de aanbidding van de persoon ‘Mahomet’.

Centraal in de benadering van de islam stond de uitdaging van strijd of bekering. Vanuit de praktijk van conflict en het destijds nog sterk aanwezige christelijk-religieuze kader, dat net als de islam een zendend en exclusief karakter kent, niet geheel verrassend.

Hoewel Europa de islamitische beschaving (die overigens ook bijna 800 jaar in Spanje bestond) natuurlijk schatplichtig is op het gebied van wiskunde (algoritme en de introductie van het Hindoe-Arabische cijfer 0 – Al Khwarizmi), geneeskunde (Avicenna), de optische wetenschappen (Al Haytham) maar ook de trigonometrie, sferische geometrie, sterrenkunde en zelfs de filosofie van de individuele rede (Ibn Tufayl, wiens werk een inspiratie was voor John Locke), is het negatieve beeld altijd dominant gebleven.

Wel werd deze negatieve perceptie vanaf de zeventiende/achttiende eeuw en later anders ingevuld. Was ‘de islam’ tot 1683 toen de slag bij Wenen, onder leiding van de Poolse legeraanvoerder Sobieski plaatsvond, in de ogen van Europa een religieuze maar zeker ook existentiële bedreiging, na de Europese overwinning én uiteraard de Verlichting, industriële revolutie en ‘moderniteit’, werden – aldus Hourani (1989) – moslims en de islam steeds vaker gezien als intellectueel beperkt, technologisch achtergesteld en bovenal inferieur. Na de Eerste Wereldoorlog en het uiteenvallen van het Ottomaanse Rijk werd dit idee ‘bevestigd’ door de kolonisatie van grote delen van het gebied van de voormalige antagonist.

Met name Eurabia heeft op diverse islam-vrezende geesten een stevig stempel gedrukt en het idee van de islam als historische vijand van het Westen, die haar ook nu weer bedreigt, gerevitaliseerd.

Hoewel het beeld van achterstelling en degeneratie van de islam is blijven bestaan, stak met de opkomst van moderne terreurgroepen ook de oude Westerse vrees voor het verlies van haar inmiddels seculiere geloof en haar existentie als zodanig, de kop weer op. Niet langer wordt een invasie met klassieke legers gevreesd maar nu gaat het om het idee van ‘omvolking’ en islamisering. Onder meer in werken als Les camps des Saints van Jean Raspail (1973; over algemene immigratie uit de Derde Wereld die het Westen/Frankrijk overspoelt) en Eurabia: The Euro-Arab Axis van Bat Ye’Or (2005; over een complot waarbij expliciet islamitische immigratie wordt uitgeruild tegen olie) worden deze ideeën vormgegeven. Met name Eurabia heeft op diverse islam-vrezende geesten een stevig stempel gedrukt en het idee van de islam als historische vijand van het Westen, die haar ook nu weer bedreigt, gerevitaliseerd.

Wahhabisme

Dit vijandbeeld vaart daarnaast wel bij de gegroeide invloed van de niet-traditionele islam. Meer specifiek dat van het wahhabisme. Al-Yaqoubi, een alom geprezen islamitische autoriteit, stelt dat deze stroming, vernoemd naar initiator Abd al-Wahhab (1703-1792), het tegengaan van innovaties in het geloof tot haar primaire doel had gemaakt. Het vehikel voor dit doel moest een terugkeer naar de zogeheten islam van de voorvaderen zijn. In de praktijk betekent dit dat wahhabieten, die zichzelf zelden zo duiden, een meer dan traditioneel restrictieve opvatting kennen ten aanzien van onder andere de scheiding der seksen, hoofd- en gezichtsbedekking van de vrouw, muziek in brede zin, de omgang met andersgelovigen, het dragen van de baard, het soefisme, het geloof in heiligen en het bezoeken van de graven van deze heiligen.

Daarnaast neemt het principe van takfir (het tot niet-moslim verklaren van verscheidene groepen medemoslims) een belangrijke plaats in, aldus Khaled Abou El Fadl (2005).

De presentatie in het Westen van het wahhabisme als ‘pure’ soennitische islam is overigens onjuist en mede een gevolg van het ‘progressief secularisme’. Zo wijst onder andere Algar (2002) erop dat de beweging van al-Wahhab al vanaf de begintijd werd afgewezen door de leidende soennitische geleerden. Vooral de toenmalige oorlogsretoriek en praktijk tegen moslims die de leringen van al-Wahhab betwistten, kreeg forse kritiek als zijnde een gevaarlijke dwaling/afwijking.

Het waren nota bene de vader en broer van al-Wahhab die respectievelijk een islamitisch geleerde en een qadi (rechter) waren, die als eerste het initiatief namen om deze ‘nieuwe’ leer te weerleggen. De broer schreef het boek The Final Word from the Qur’an, the Hadith, and the Sayings of the Scholars Concerning the School of Ibn ‘Abd al-Wahhab’ (Al-Rasheed 2008).

In het essay The Refutation of Wahhabism in Arabic Sources, 1745–1932, presenteert Redissi (2008) verder verschillende historische bronnen waarin het toen nog prille wahhabisme door de traditionele soenitische geleerden beschreven werd als een ‘ondermijnende sekte’ en ‘een exces’ .

Vooral het ‘eenvoudig’ toepassen van het theologisch principe dat uitdrukt dat een moslim een afvallige is geworden, of dat een bepaalde daad een vorm van ongeloof is (takfir), leidde en leidt ook vandaag nog in de praktijk tot veel ellende (Hassan 2017). We zien het ad hoc toepassen van takfir onder meer gebeuren bij wahhabitisch geënte terreurorganisaties als Boko Haram, IS en Al Qaeda.

Deze aberratie hangt, evenals de afwijkende visie op de bovengenoemde punten, volgens Algar (2002) samen met een kenmerk van het wahabisme: ‘het niet consistent naleven van één van de vier rechtsscholen’ (madhhabs), de traditionele soennitische methodieken om tot een oordeel te komen.

Door een politiek-religieuze alliantie tussen de families Al Saoed en al-Wahhab wist deze marginale stroming bij de stichting van het land evenwel de staatsgodsdienst van Saoedi-Arabië te worden. Overigens is het goed om aan te tekenen dat bijna 80% van de Saoedische bevolking geen aanhanger van het wahhabisme is (Izady 2014).

Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw is deze stroming echter flink geëxporteerd. Volgens The Henry Jackson Society (2017) werd alleen al vanuit Saoedi-Arabië bijna 60 miljard euro uitgegeven om deze interpretatie van de islam mondiaal uit te dragen. Door deze ontwikkeling is de visie van een mondige minderheidsgroep geleidelijk ook dominanter geworden binnen islamitische gemeenschappen in het Westen. Daar het een boodschap betreft die vandaag de dag vaak antiwesters, antisemitisch, vrouwonvriendelijk en niet gericht op vrijheid is, is het koren op de molen van islam-critici. Gelijk ondergetekende dat helaas lange tijd heeft gedaan, stellen zij deze stroming immers gelijk aan ‘de’ islam. Dit heeft onmiskenbaar invloed op de externe perceptie. Het bevestigt immers de eerder genoemde maar onterechte ideeën over het geloof als een religie van uitsluiting, hardheid en geweld.

mosque-245113_1920
Beeld door: Pixabay

Progressief secularisme

Daar waar zekere partijen en opiniemakers dit beeld dus bewust en overtuigd uitdragen, zien we ook dat Westerse media dit idee impliciet bestendigen door mee te gaan in het frame dat wahhabisme een reflectie is van hoe de islam ooit begon of van haar zogeheten zuivere vorm. Nu betreft dat geen opzet maar vaker een gebrek aan informatie. En dat is mede een gevolg van de progressieve en nog immer voortschrijdende secularisatie. Basale religieuze kennis is in dit proces verloren gegaan (wie weet er bijvoorbeeld nog wat er met Pinksteren gevierd wordt?) en daarmee ook begrip van en voor religiositeit in het algemeen. Religie wordt niet langer van belang geacht, waarde toegekend en ten diepste begrepen. En hoe kan dat ook anders in een culturele setting waar men, in navolging van Nietzsche, claimt dat God dood is. En dat het, zeker in Nederland, gaat om een verregaande secularisatie mag blijken uit de cijfers.

Voelde in 1900 nog 98% van de Nederlandse bevolking zich verbonden met een kerkgenootschap (CBS 2010), in 2015 behoort slechts 30% tot een kerkelijke gezindte en komt liefst 82% nooit tot bijna nooit meer in de kerk. Uitgesproken atheïsten vormen inmiddels een grotere groep dan uitgesproken theïsten (God in Nederland 2016). De onderzoekers van het rapport spreken zelfs van marginalisering en een wijkend christendom. ‘Nederland is geen christelijke natie meer,’ zo luidt één van de conclusies. Pew Research bracht in 2018 een onderzoek naar buiten waaruit zelfs zou blijken dat Nederland het meest ‘ongelovig’ is van alle West-Europese landen. Bijna de helft van de Nederlanders (48%) noemt zich atheïst, agnost of niet-religieus. En in oktober 2018 stelde ook het CBS vast dat de meerderheid van de Nederlanders zich voor het eerst niet meer rekent tot een religieuze groepering.

Deze ontwikkeling brengt spanning met zich mee ten aanzien van groepen die godsdienst wél een centrale plaats geven in het leven, die hier wél grote waarde aan hechten, er ook naar handelen en door voeding, kleding, gebed en religieuze taal soms ook uiterlijk onderscheidend zijn. De combinatie met een bijna inherent en letterlijk maatschappelijk onbegrip voor godsdienst in het algemeen, en zeker de ‘cultureel vreemde’ en -soms onbewust- zelfs vijandig ervaren islam, maakt al snel dat bepaalde handelingen, opvattingen of uiterlijkheden als buitengewoon worden opgevat.

Als dan ook nog eens een mediabeeld wordt opgevoerd waarbij de islam in haar zuiverste vorm gelijk wordt geschakeld aan het wahhabisme, kleurt dat ontegenzeggelijk de maatschappijbrede visie op en waardering van de islam.

Slot

Ondanks het negatieve beeld, waar de genoemde factoren mede aan bijdragen, leert de geschiedenis ons ook een praktijk die ver afstaat van het imago dat de islam thans treft. En het is die praktijk die heeft aangespoord en nog zal aansporen tot glansrijke ontwikkelingen. Het is een praktijk die haar basis vindt in het voorbeeld van de profeet Mohammed (vzmh). Een voorbeeld dat Mahatma Gandhi er na onderzoek toe bracht, in 1928, het volgende te zeggen:

‘Ik wilde alles weten over van het leven van die ene persoon, die vandaag de dag de harten van miljoenen mensen raakt en in beroering brengt. Ik raakte er meer dan ooit van overtuigd dat het niet het zwaard was dat destijds een plaats voor de islam veroverde in deze wereld.

Het was de heldere eenvoud, de uiterste bescheidenheid van de profeet, de nauwgezette aandacht voor beloften, zijn intense toewijding aan zijn vrienden en volgelingen, zijn onverschrokkenheid, zijn onbevreesdheid, zijn absolute vertrouwen in God en zijn eigen missie. Dezen waren het en niet het zwaard, die de mensen overtuigden en elk obstakel wegnamen. Toen ik het tweede deel (van de biografie van de profeet) sloot, vond ik het jammer dat er niet meer voor mij was om over dat geweldige leven te lezen.’

Het is ook dit voorbeeld dat de inspiratie was voor de eerder beschreven bijdragen op diverse wetenschappelijke vlakken. Het zijn grootse bijdragen maar tegenwoordig worden ze helaas weinig genoemd als er, in historische zin, gesproken wordt over de islam. En ook de rol die deze godsdienst en/of haar volgers speelde(n) in enkele kardinale momenten in de Westerse geschiedenis, wordt niet zelden onderbelicht.

Want wie weet nu, zeker in de hoek van de critici, dat het ironisch genoeg moslims waren die Europa de overwinning brachten in de strijd tegen het Ottomaanse Rijk? Het waren de Lipka-Tartaren die in elite-eenheden van de Oostenrijkse legers meevochten tegen de Ottomanen. De eerder genoemde Poolse legeraanvoerder Sobieski -vaak bejubeld in anti-islamkringen- was deze islamitische groepen zo dankbaar dat hij hen na de overwinning twee Poolse dorpen schonk én een moskee liet bouwen om hen te eren. Overigens vochten aan Ottomaanse zijde opvallend genoeg de protestants-christelijke Hongaren mee tegen de katholieke Oostenrijkers, omdat zij onder islamitisch bewind meer vrijheid kenden dan zij ooit zouden krijgen onder de toenmalige Rooms-Katholieke heersers in Europa.

Maar ook onze eigen vrijheidsstrijd, hier in Nederland, tegen de Spaanse bezetting in de zestiende/zeventiende eeuw, kent een sterk islamitische component. Het waren immers de islamitische Ottomanen die om hulp werden gevraagd door de geuzen. En die hulp werd zowel militair als financieel gegeven. Toen in 1574 Leiden werd ontzet, was het credo dan ook ‘Liever Turks dan Paaps’, ofwel liever moslim dan katholiek. Men droeg ook zilveren penningen in de vorm van een halve maan aan de hoeden en op de schepen werd gevlagd met het Ottomaanse dundoek. De islamitische steun was cruciaal voor de onafhankelijkheid van de Republiek, ons latere Nederland.

In een aanverwante historie van deze Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, over Amerika, zien we eveneens een zeer verrassend islamitisch aandeel. Het was namelijk ene Anthony Janszoon van Salé, zoon van een tot de islam bekeerde kaapvaarder die later president werd van de Marokkaanse stadstaat Salé, die van zijn vader naam moest maken in de Nieuwe Wereld. En dat deed hij. Anthony reisde af naar Nieuw-Amsterdam, het huidige New York. Met een aanzienlijk kapitaal dat hij meekreeg van zijn vader wist hij in korte tijd uit te groeien tot een succesvol boer, handelaar en grootgrondbezitter. Anthony is de grondlegger van onder meer het hedendaagse Brooklyn en de eerste moslimimmigrant die uit vrije wil naar Amerika kwam. Tevens bracht hij de eerste Koran mee naar het ‘nieuwe’ continent, nota bene nog voordat de Verenigde Staten onafhankelijk waren. Ook door zijn nakomelingen heeft hij een enorm positief stempel gedrukt op de Nieuwe Wereld en daarmee dus op het Westen. Zo bestaat zijn nageslacht onder andere uit Warren Harding, de 29e president van de Verenigde Staten, de Vanderbilt dynastie, Jackie Kennedy en Humphrey Bogart. De islam is dus vanaf de begindagen van het machtigste land ter wereld, aanwezig geweest in haar midden.

Dit idee van de islam als onderdeel van de Westerse traditie, wordt overigens ook prachtig tot uitdrukking gebracht in de koepel boven de belangrijkste leeszaal van de ‘Library of Congress’ in Washington. Op de muurschildering aldaar worden twaalf figuren uitgebeeld die elk een tijdperk representeren waarvan gedacht werd dat ze een bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van de Westerse beschaving. Eén van de figuren draagt de naam ‘islam’ en is afgebeeld naast een alambiek waar de tekst ‘physics’ bij staat geschreven. Deze schildering is uiteraard niet gemaakt vanwege politieke correctheid of vanuit cultuurrelativistische overwegingen. Men zag destijds eenvoudigweg de constructieve kracht en de inbreng van de islam. En die visie, die kijk op de islam lijkt heden ten dage dus helaas vaak afwezig. Door de eerder genoemde factoren is er nu meer aandacht voor korte, onvolledige en daardoor onjuiste duidingen van de boodschap van de islam. Met alle gevolgen van dien.

De islam is echter niet te vatten en op te delen in hapklare brokjes. De islam wordt ook niet gerepresenteerd door een enkele hadith (traditie) of geïsoleerde Korantekst. Het contextloos naar voren brengen van overleveringen, als ware dát een weerspiegeling van de boodschap kan, zoals dat in de parabel aan het begin van dit schrijven werd genoemd, ‘een grondhouding van eenzijdige perceptie’ en een ‘gesloten begrip’ in de hand werken. Bij meerdere partijen.

Het antwoord van Nasreddin Hodja in de parabel toont het belang van perceptie. Dezelfde parabel drukt aan het einde echter ook op symbolische wijze uit, hoe onjuist het idee is van ‘de islam als wezensvreemd aan de Westerse cultuur’. Zo komen de mannen later in het verhaal tot de conclusie dat het nodig is om een brug te bouwen over het water. Op het moment dat ze dit voornemen uitspreken loopt er een oude, doofstomme vrouw langs die naar een mistige verte wijst die de mannen niet hadden kunnen zien, omdat zij er met de rug naar toe stonden en te druk waren met elkaar. De vrouw wijst nogmaals naar de mistige verte achter de mannen. Deze draaien zich voor het eerst om en lopen richting de mist. Daar aangekomen zien ze een oude brug die de ene met de andere kant verbindt…

Het is dit gegeven, dat de islam al eeuwen een plaats heeft in het hart van de Westerse beschaving, dat over en weer zal moeten worden beseft. Dat besef zal onze brug zijn. Een brug die op verschillende wijzen zal worden gebruikt, zoals dat altijd is gebeurd. Een brug naar een solide en gezamenlijke toekomst. Ook al zien we die brug nu nog te weinig, mede door de mist van het debat.

Literatuur

AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst), De gewelddadige jihad in Nederland. Den Haag: Ministerie van BZK, 2006.

Al-Rasheed, M., Kingdom Without Borders: Saudi Political, Religious and Media Frontiers. New York: Columbia University Press, 2008.

Algar, H., Wahhabism: A Critical Essay. New York: Islamic Publications International, 2002.

Bat Ye’or, Eurabia: The Euro-Arab Axis. Cranbury: Fairleigh Dickinson University Press, 2005.

Bernts, T. & J. Berghuijs, God in Nederland, 1966-2015. Utrecht: Ten Have, 2016.

CBS, Meer dan de helft Nederlanders niet religieus, 22 oktober 2018. https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/43/meer-dan-de-helft-nederlanders-niet-religieus

El Fadl, K., The Great Theft: Wrestling Islam from the Extremists. San Fransisco: Harper, 2005.

Hassan, M., ‘The danger of Takfir (Excommunication): Exposing IS’ Takfiri Ideology.’ Counter Terrorist Trends and Analyses (CTTA). Singapore: Nanyang Technical University, 2017.

Hourani, A., A History of The Arab Peoples. Londen: Faber&Faber Limited, 1989.

Izady, M., Demography of Religion in the Gulf, 2014. http://gulf2000.columbia.edu/images/maps/GulfReligionGeneral_lg.png

Pew Research Center, Being Christian in Western Europe. 29 May 2018. https://www.pewforum.org/2018/05/29/being-christian-in-western-europe/

Raspail, J., Les camps des Saints. Parijs: Éditions Robert Laffont, 1973.

Redessi, H., ‘The refutation of Wahhabism in Arabic sources, 1745–1932’. In M. al-Rasheed (ed.), Kingdom without Borders: Saudi Political, Religious and Media Frontiers. New York: Columbia University Press, 2008.

Bovenstaand artikel werd geplaatst in ‘Wordt het nog wat met het islamdebat?’ onder redactie van Gert Jan Geling en Jan Jaap de Ruiter. Voor meer informatie over dit boek: klik hier.

U kunt gratis verder lezen

Klik deze melding weg via het kruisje. Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze schrijvers en word al vanaf € 5 per maand Vriend/in van Nieuw Wij.

Ik lees eerst het artikel verder.
Joram

Joram van Klaveren

Oud-politicus

Joram van Klaveren (1979) is oud-politicus. Tussen 2006 en 2017 was hij gemeenteraadslid, lid van Provinciale Staten, beleidsmedewerker in …
Profiel-pagina
Al 3 reacties — praat mee.