De tikoen ha’olam is een wereld waarbij sprake is van universele gelijkwaardigheid, vrijheid en vrede voor iedereen. Het voelt als een opdracht waar godsdienst, samenleving en politiek zich voor dienen in te zetten en elk individu met zijn mogelijkheden en beperkingen ook zijn rol in dient te spelen. Voor mij geldt dan ook: Ik kan niet volhouden medeschepper te zijn wanner ik me niet daadwerkelijk inzet voor een betere wereld voor alle mensen, dieren en al wat groen is, zover dat in mijn bereik ligt.
Medeschepper zijn is noodzakelijk, een must. Wij mogen tikoen ha’olam niet alleen aan de Eeuwige over laten. Ons afzijdig houden onder het motto: de Eeuwige kan alles en dat Hij niet ingrijpt valt ons, de mens, niet aan te rekenen. Het tegenovergestelde is waar voor mij: Wij kunnen de tikoen ha’olam bewerkstelligen en dan maken wij het Hem mogelijk om in te grijpen zodat wij verder kunnen gaan op de ingeslagen weg, de weg die leidt naar de tikoen ha’lam.
Hoe kan ik verantwoording dragen wanneer er gezegd wordt: de mens wikt en G’d beschikt, waarvoor ben ik dan verantwoordelijk? G’d is verantwoordelijk dat er brood uit de aard komt en wij, de mens dat dit brood, ook eetbaar brood wordt. De mens bewerkt het land, zaait, oogst, maalt en bakt. Wij moeten onze verantwoordelijkheid niet op de Eeuwige afschuiven. Onze verantwoordelijkheid is onze verantwoordelijkheid en dat geldt voor ons als gemeenschap en als individu. Het koosjer eten is voor mij dan ook niet alles eten wat je voor de mond komt. Kritisch zijn op wat je naar binnen werkt; kritisch zijn op hoe je in het leven staat. Jezelf vragen durven stellen ook al zijn ze niet aangenaam. De mens leeft niet om te eten zonder opdracht, maar de mens eet om te leven met een opdracht.
Voor elke maaltijd met brood zegenen wij de Eeuwige, wij zegenen Hem omdat Hij het brood uit de aarde laat voortkomen: De aarde wordt door U verzadigd en vruchtbaar: gras laat U groeien voor het vee en gewassen die de mens moet verbouwen. Zo zal hij brood winnen uit de aarde…ja, brood dat het mensenhart versterkt (104:13-15). Iedereen heeft het onbetwistbare recht op brood. Toen het volk door de woestijn trok viel er brood, voor iedereen voldoende zowel hij die veel nodig had als hij die weinig nodig had. Iedereen kon zich verzadigen: met brood uit de hemel stilde Hij hun honger (105:40). Hij is het die voldoende brood uit de aarde laat voortkomen (zie 132:15) dan komen we toch niet om de vraag heen.
Dat er dagelijks duizenden mensen letterlijk van de honger sterven is dat de verantwoordelijkheid van de Eeuwige, of van ons, de mens? Zou het te maken kunnen hebben dat er voldoende brood is, maar niet genoeg vanwege de hebzucht? Zou het te maken kunnen hebben dat er een systeem ontwikkeld is waarbij iedereen naar iedereen kan wijzen en wij dus allemaal schone handen hebben en de Eeuwige het probleem mag oplossen? Hij, de grote oplosser van de problemen die de mens zelf veroorzaakt, maar wij ons wel smekend tot Hem wenden met woorden als: ‘verlos ons en red ons’, terwijl het aan ons is onszelf, de dieren en het milieu te kunnen verlossen en redden van ons en hun lijden. Samen met de Eeuwige en de Eeuwige samen met ons, kunnen de wereld bewoonbaar maken voor al wat leeft.
De vraag doet zich voor of een mens de Eeuwige kan zegenen. Mijn antwoord is ja. Wanneer ik door mijn daden goed om ga met mezelf, medemens, dieren en het groen, dus met alles wat de Eeuwige heeft geschapen, ben ik een zegen voor Zijn schepping en daardoor ook voor Hem. Eveneens kan ik een vloek voor Zijn schepping zijn en daardoor ook voor Hem. Je kunt de Eeuwige alleen zegenen wanneer je naar best vermogen een zegen bent voor Zijn schepping. De Eeuwige en Zijn schepping horen bij elkaar en dienen niet van elkaar gescheiden te worden want het leidt tot schizofreen denken en handelen met alle gevolgen van dien.
Dit is een fragment uit het boek van Binjamin Heyl: Alles wat adem heeft looft de Eeuwige, paperback, 171 pagina’s. ISBN 978-94-933-4973-5. Uitgeverij Van Warven, 2026.
Heyl laat zich in dit boek inspireren door de Tehiliem, de Hebreeuwse naam voor de Psalmen. Beide woorden verwijzen naar hetzelfde boek in de Tenach en het christelijke Oude Testament. In het Hebreeuws betekent Tehileim zoiets als ‘lofliederen’ of ‘lofprijzingen’.

Ik geloof dat we niet anders kunnen. Van de geschiedenis kunnen we leren dat de wegen die we wandelen vloek brengen en dat betekent dat we God, de Eeuwige, Allah vloeken. Joden en christenen en moslims hebben vanaf Avram (later Avraham) de opdracht gekregen elkaar en daardoor de wereld en de Eeuwige tot zegen te worden en we hebben elkaar en daardoor de wereld en God vloek gebracht en we gaan er volop mee door: antisemitisme, christenvervolging en moslimhaat. Het zijn de religieuze leiders van jodendom, christendom en islam wel degelijk kwalijk te nemen dat zij weigeren om gezamenlijk, ook in gebed, in actie te komen tegen antisemitisme, christenvervolging en moslimhaat en dat zij weigeren om gezamenlijk in actie te komen voor een rechtvaardige vrede, gebaseerd op recht, rechtvaardigheid en gerechtigheid voor Israël en de volkeren rondom. Dat zij liever blijvend hun handen in onschuld wassen met de prachtige woorden: wij vinden geen schuld bij ons zelf. Zo helpen zij mee dat de vloek heerst over de zegen en het onmogelijk is dat joden, christenen en moslims elkaar tot zegen zijn en daardoor God gevloekt wordt terwijl wij en wij God dienen te zegen. In Berlijn hebben ze het begrepen. In Nederland is men kennelkijk zo bang voor elkaar dat samen bidden, noch de synagoge, noch de kerk en noch de moskee daarop zitten te wachten. In en in triest. Diep beschamend. Wij moeten elkaar en God niet vloeken, maar elkaar en God zegenen. Kennelijk is het te moeilijk, te zwaar om de vloekbrengende weg te verlaten en op zoek te gaan naar zegenbrengende, samen biddende wegen.