Ook ik heb geen eenvoudig antwoord op de vraag wat je moet doen tegenover militaire agressie. Pacifisme wordt buitengewoon ingewikkeld wanneer een land wordt aangevallen en mensen zichzelf moeten kunnen verdedigen.

Maar naast de vraag ‘hoe verdedigen we ons?’ hoort een andere vraag te staan: wat doet het met een samenleving wanneer voorbereiding op oorlog steeds vanzelfsprekender wordt? Welke taal en welk mensbeeld laten we daarmee toe?

Europa is gebouwd op de ervaring van twee wereldoorlogen en de verschrikking van de Holocaust. Nooit meer oorlog en nooit meer Auschwitz waren morele opdrachten voor de toekomst. Wat betekenen die opdrachten nog, nu geopolitieke en machtspolitieke belangen opnieuw ons denken over veiligheid bepalen?

Want oorlog is allang geen abstracte dreiging meer, maar dagelijkse realiteit. In Oekraïne, in Gaza en Israël, en in zoveel andere gebieden die voor mensen hier helemaal niet ver weg zijn.

Hoe voorkomen we dat de ‘logica van oorlog’ – het denken in vriend en vijand – steeds meer ons denken en samenleven gaat bepalen?

Wie zit er aan tafel?

Als feministisch theologe voeg ik daar nog een vraag aan toe. Meer dan 25 jaar geleden legde de VN-Veiligheidsraad met resolutie 1325 vast dat vrouwen volwaardig betrokken moeten worden bij vragen van oorlog, vrede en veiligheid. Toch was in 2024 wereldwijd slechts zeven procent van de onderhandelaars in grote vredesprocessen vrouw.

Wie voert eigenlijk het woord wanneer wij over oorlog spreken? Wie beslist wanneer geweld gerechtvaardigd is? En wie zit wel en niet aan tafel wanneer de keuze tussen vechten of onderhandelen wordt gemaakt?

Ik wil mannen en vrouwen niet tegenover elkaar zetten. Maar uiteindelijk zijn het geen landen of legers die sneuvelen. Het zijn mensen, mannen én vrouwen. Iemands zoon of dochter, partner, vader of moeder. En anderen blijven achter, vluchten, zorgen en rouwen. Ook dát perspectief mag aan tafel niet ontbreken wanneer we over oorlog en vrede spreken.

Geert van Dartel, voorzitter van de Raad van Kerken in Nederland, constateert dat kerken en vredesbeweging elkaar in de afgelopen decennia een beetje zijn kwijtgeraakt. Hij pleit ervoor dat kerken opnieuw hun stem laten horen in het debat over vrede en oorlog. En hij noemt drie woorden die daarbij richtinggevend kunnen zijn: menselijke waardigheid, waarheid en solidariteit. Dat pleidooi ondersteun ik van harte.

Maar ik zou er een vraag aan willen toevoegen: moeten we proberen de oude verbinding tussen kerken en vredesbeweging nieuw leven in te blazen? Of vraagt deze tijd om iets anders, iets nieuws?

De samenleving waarin de kerken vandaag vredeswerk bedrijven, is niet meer de samenleving van de grote vredesdemonstraties van de jaren tachtig. Nederland is religieus en levensbeschouwelijk veelvormig geworden. Veel mensen behoren niet meer tot een levensbeschouwelijke traditie. Ook de meeste jongeren zoeken hun zingeving niet meer binnen de muren van een kerk. Moslims, christenen, humanisten, atheïsten, hindoes, boeddhisten, mensen die uit verschillende religieuze bronnen hun zingeving putten: zij leven samen in dezelfde straten en wijken.

En tegelijkertijd zien we hoe gemakkelijk verschillen vandaag worden uitvergroot. Hoe snel een verschil van mening een tegenstelling wordt. Hoe snel een tegenstelling een identiteit wordt: wij tegenover zij. En hoe snel ‘zij’ – de anderen – vervolgens een bedreiging worden.

Daarom denk ik dat vredeswerk anno 2026 niet alleen vraagt om een nieuwe visie van de kerken op vrede, maar ook om nieuwe verbindingen met mensen en gemeenschappen die niet van christelijke huize zijn. Misschien moeten kerken daarom niet allereerst vragen: hoe krijgen wij onze stem terug? Maar: met wie verbinden wij ons? Met wie kunnen we samenwerken? Welke stemmen ontbreken aan onze tafel?

Willem Marie Speelman, hoogleraar in Franciscaanse Spiritualiteit aan Tilburg University, stelt tegenover de voorbereiding op oorlog een andere opdracht: ons voorbereiden op vrede. Hij zegt: “Ons voorbereiden op vrede is juist naar de ander toegaan.” Speelman herinnert daarbij vanuit de christelijke traditie aan het gebod om je vijand lief te hebben en oppert de mogelijkheid dat God zelfs in het gelaat van de vijand bij ons aanklopt. Een theologisch spannende gedachte.

Maar misschien begint vredeswerk nog één stap eerder. Namelijk met de vraag: Hoe is die ander eigenlijk mijn vijand geworden? Wanneer ben ik hem of haar zo gaan zien? Welke verhalen, politieke taal, sociale media en groepsidentiteiten maken van mensen die we nauwelijks kennen ineens ‘de ander’? Dat zijn cruciale vragen in een tijd van polarisatie. Misschien is een van de belangrijkste opdrachten van vredeswerk daarom niet alleen: heb je vijand lief. Maar vooral ook: weiger iemand te snel tot een vijand te maken!

moskeevrouw

Het vraagt dat we onze eigen beelden durven onderzoeken. Dat we niet alleen kijken naar wat de ander doet, maar ook naar de manier waarop wij zelf naar die ander kijken.

Daar komt voor mij compassie in beeld. Niet compassie als medelijden. En zeker niet als: laten we allemaal een beetje aardiger voor elkaar zijn. Uit eigen ervaring weet ik: compassie kan behoorlijk ongemakkelijk zijn. Compassie betekent namelijk dat ik mij laat raken door het concrete leven van een ander. Ook wanneer die ander anders denkt, anders gelooft, anders stemt, een ander verhaal over de wereld vertelt. Dat ik iemand niet reduceer tot ‘vluchteling’, ‘moslim’, ‘Israëli’, ‘Palestijn’, ‘Rus’ of ‘Oekraïner’.

Niet omdat verschillen er niet toe doen. Natuurlijk doen ze ertoe. Maar omdat achter ieder van deze etiketten een mens zit.

Daarom vind ik het verhaal van Speelman over de Somalische vrouw in zijn buurt heel passend. Buurtbewoners die mopperen op ‘die buitenlanders’, staan ondertussen gewoon op het schoolplein met haar te praten. Zij is niet meer ‘de buitenlander’ – zij is de buurvrouw. Hier gebeurt iets dat voor het vredeswerk essentieel is. De categorie verdwijnt niet, noch het verschil. Maar de mens verschijnt en dan verandert de onderlinge relatie. Dat brengt mij bij de vraag wat kerken vandaag concreet zouden kunnen betekenen.

Oefenplaatsen voor vrede

Kerken zouden veel nadrukkelijker oefenplaatsen voor vrede kunnen worden. Ik gebruik bewust het woord oefenplaats. Want vrede is geen toestand die je één keer bereikt. Vrede is ook geen ‘lieve vrede’ waarin we conflicten moeten vermijden.

Terecht wijst Speelman erop dat vrede zonder gerechtigheid meestal “verdrongen onvrede” is. Vrede moet geoefend worden! En dat betekent ook: leren omgaan met verschil en conflict zonder elkaar af te schrijven. Luisteren zonder onmiddellijk een antwoord klaar te hebben. Het ongemak van een ontmoeting leren verdragen. Je eigen gelijk even tussen haakjes kunnen zetten en de vraag durven stellen: wat zie ik niet? En ook: naast iemand gaan staan wanneer diens menselijke waardigheid wordt aangetast. Kerken beschikken daarvoor over iets kostbaars: ruimtes, rituelen, verhalen, gemeenschappen en een lange traditie van spreken over vrede en gerechtigheid.

20260922_212056 Vrede
De sprekers tijdens de bijeenkomst in Utrecht onder wie Manuela Kalsky (midden).

Kerken hebben daarvoor ruimtes, rituelen, verhalen en gemeenschappen. Maar die ruimtes moeten dan wel open zijn. Niet alleen voor mensen die al bij ons horen – ons soort christenen, zal ik maar zeggen. En ook niet alleen voor de mensen die ongeveer hetzelfde denken als wij. Ik zou het vredeswerk van ‘kerken’ veel breder willen zien: als een netwerk van kerken, moskeeën, synagogen, tempels, humanistische organisaties, vredesorganisaties, scholen, universiteiten, buurtinitiatieven en mensen die zich misschien nergens bij rekenen. Niet één centrum van waaruit verteld wordt wat vrede is. Maar vele plekken waar mensen vrede oefenen.

Misschien is dat ook een antwoord op de vraag waarmee we deze avond begonnen: hoe brengen we de vrede die hier in de Dom op zondag wordt gewenst, op maandag in praktijk? Het antwoord is volgens mij: door die vrede niet binnen de kerk te houden.

De vrede van Christus krijgt pas maatschappelijke betekenis wanneer die ons juist over onze eigen grenzen heen voert. Naar mensen met wie wij ons niet vanzelfsprekend verbonden voelen. Niet om verschillen uit te wissen. Niet om conflicten te vermijden. En ook niet om te doen alsof alles met dialoog kan worden opgelost. Over onze grenzen gaan is nodig, om te voorkomen dat verschil verandert in ontmenselijking, in vijandschap en uiteindelijk in oorlog.

Als kerken oefenplaatsen van vrede willen worden, zouden ze zich drie vragen moeten stellen:

Met wie oefenen wij vrede?

Wie ontbreekt er aan onze tafel?

En misschien de moeilijkste:

Wie hebben wij zozeer tot ‘de ander’ gemaakt, dat we niet meer zien dat die ander ook onze buurvrouw of buurman kan zijn?

Als kerken het aandurven deze vragen eerlijk te beantwoorden en oefenen verschillen te verdragen, de menselijke waardigheid van ‘de ander’ hoog te houden en samen op te staan waar onrecht geschiedt – dan denk ik dat kerken in het vredeswerk, binnen en buiten Nederland, een zeer belangrijke rol kunnen vervullen. Niet door nostalgisch terug te verlangen naar de vredesbeweging van vroeger, maar door mee te bouwen aan de vredesbeweging die deze tijd nodig heeft.

Lees ook

Coen van Loon – kopie

“Kijk naar wat jou bindt en niet wat jou scheidt”

Tikkoen Olam (8): Coen van Loon wil opkomen voor wie en wat beschermwaardig is

mk_foto

Manuela Kalsky

Oprichter en Bijzonder Hoogleraar

Manuela Kalsky richtte Nieuw Wij op als directeur van het onderzoekscentrum van de Nederlandse Dominicanen (DSTS). Zij was directeur, …
Profiel-pagina
Al 4 reacties — praat mee.