Het overkomt me meer dan eens. Ik heb mijn gedachten geuit over deze harteloze, donkere tijden, de zorgen die ze me baren, en daarbij medestanders gevonden. In een gesprek met vrienden, of op Facebook. Een onthullend en onthutsend artikel over Soedan gelezen, gedeeld, een online petitie ondertekend. Iemand raadt me een geweldig boek aan, omdat ik na lezing pas zal begrijpen hoe wereldmachten achter de schermen werken. ‘Het is zo schokkend!’ Een ander vraagt of ik alvast een tekstje wil inleveren voor een lezing over duurzame betrokkenheid.
Maar in dezelfde tijd heb ik een berichtje van een Jemenitische vriend, statushouder en journalist, weg geklikt. Even geen tijd om te chatten. Ik weet dat hij wil afspreken. Wil ik ook graag. Maar steeds weer zeggen dat ik het zo druk heb, vind ik pijnlijk. Het berichtje van de kennis in Bethlehem open ik niet eens meer. Natuurlijk wil ik heel graag horen hoe het met hem is, maar sinds het moment waarop hij alleen nog maar om geld bleef vragen, begon ik er steeds meer tegenop te zien. Bij de ingang van de supermarkt probeer ik mezelf snel langs de vriendelijke Afrikaanse verkoper van de daklozenkrant te manoeuvreren. Nog voordat hij ‘Hey, how are you?,’ heeft kunnen vragen. Het gaat namelijk niet al te best met mij. Maar zoiets vertel ik liever niet – zeker niet aan een dakloze vluchteling.
’s Nachts in bed dringt het pas tot me door. Het was weer eens beduidend makkelijker om over goed en kwaad in de wereld te denken, te schrijven, te spreken, dan gewoon een handeling te verrichten, van mens tot mens. Nota bene aan mensen die ik ken. Uit géén ander besef dan dat zij en ik deel zijn van één mensheid. En dat ik, gesteld dat ik mij in hun volstrekt ongekozen levenssituatie bevond, ook graag zou willen dat er tenminste even iemand naar mij omkeek, naar me luisterde en iets zou zeggen dat me bevestigde in mijn menszijn.
Nog zo’n voorbeeld. Ik heb een indrukwekkende documentaire gezien, een verontrustende roman gelezen, en denk, als ik een straatinterview zie met mensen die radicaal-rechts hebben gestemd: “O, wat zijn deze mensen toch dom. Wat laten ze zich misleiden en ophitsen. Als zij nou eens de goede kranten lazen, naar zo’n docu keken, er een boek bij pakten… Dan zouden de volksmenners geen vat op ze krijgen. Dan zouden ze de vluchtelingen niet meer gebruiken als zondebok voor alle problemen…”
Maar is dat zo? Zijn deze mensen allemaal dom, alleen omdat ze niet hetzelfde denken als ik, als ehm… wij? Wordt het niet gaandeweg een doel op zichzelf: om moreel beter te zijn dan hullie, om gewaardeerd te worden in kringen van gelijkgezinden? Gebruik ik de verontwaardiging over die zogenaamd domme schreeuwers niet heel vaak als middel om zelf tevreden in de spiegel te kunnen kijken: zie mij eens de zachte krachten blijven verdedigen… Zie mij eens de tijd nemen om te blijven lezen en reflecteren en spreken en schrijven, te hopen, te geloven, te bidden…
En juist terwijl ik er een beetje aan begin te lijden dat er soms zo´n kloof gaapt tussen dat wat ik belangrijke waarden vind, en mijn alledaagse praktijk, begint mijn denken naar excuses te zoeken, naar rechtvaardigingen. Ik herinner me mensen die me complimenteerden met alles wat ik toch maar mooi wél doe, ik troost mezelf met uiterst redelijke argumenten als ‘Je kunt niet de hele wereld op je schouders nemen’ enzovoorts, en bemerk dat ik met al deze gedachten vooral probeer om de genoemde kloof te overbruggen.
Misschien is dat nog wel zorgwekkender dan de pijnlijke ervaring van die kloof tussen ideaal en praktijk. Dat mijn denken als een trouwe dienaar voor me klaarstaat – om dat wat krom blijkt, recht te praten. Mezelf weer goed te voelen. Waarmee meteen bewezen is, dat nadenken, reflecteren, niet sowieso moreel goed is.
Maar toch schuilt er iets heel hoopvols in deze observaties. Dat is het feit dát ik mezelf kan observeren. Mijn denken, mijn voelen, mijn herinneringen, geluk en pijn, frustraties, dromen. Keren waarop idealen en daden wél samenvielen, en nu dus bewust kan waarnemen hoeveel ruis ertussen zit. En dat ik ervoor kan kiezen om morgen andere keuzes te maken. Die de ander bevestigen in zijn menszijn, en mezelf daardoor ook bevestigen in mijn menszijn. Of beter: in mijn menswording.
In de tekst van de Duitse historica en filosofe Bettina Stangneth, waarin ze uitlegt wat Immanuel Kant over de rede heeft geschreven, horen we opnieuw wat het betekent dat we allemaal zijn geboren met een vermogen, een zintuig, dat aan iedere vorm van denken voorafgaat. Dat vermogen dat bij Kant de rede heet, en dat later, bij Hannah Arendt, uitdrukkelijk zal worden verbonden met het geweten.
Dat oefenen van zelfbewustzijn, dat reflecteren op onszelf… Dat is een eenzame aangelegenheid. Die om afzondering, om stilte vraagt. Om de moed om zelf te denken. Ver weg van iemand die roept dat de meeste mensen deugen. Ver weg van een ander die roept dat we nu eenmaal aangeklede apen zijn, en ten diepste heus wel weten dat alleen de sterkste, de meest aangepaste, kans heeft om zijn soort te laten overleven. Ver weg ook zeker van degenen die de rede, het geweten en de geest maar flauwekul vinden, en ons voorhouden dat we slechts moeten doen wat ‘goed voelt’ in het hier & nu, omdat alleen dat iets oplevert. ‘Stel grenzen, wees lief voor jezelf, investeer alleen in relaties als ze iets toevoegen….. Echt, je doet al genoeg als je voor die paar mensen van wie je houdt het verschil kunt maken, al het andere berooft je slechts van energie.’ Het klinkt logisch, maar wie consequent de adviezen opvolgt, wordt meedogenloos.
Bettina Stangneth laat het in haar werk keer op keer zien: juist de nazi’s beriepen zich op een zeer weldoordachte filosofie van het gevoel, van het lichaam, van de aarde, van de schoonheid, het eigen, van al het vreemde gezuiverde welbevinden, doorgevoerd tot de uiterste consequentie… Toen er na de Tweede Wereldoorlog werd gevraagd om berouw, of alleen al het inzicht dat er grootse misdaden tegen de menselijkheid waren gepleegd, erkenden de daders dit ruiterlijk: niet omdat ze berouw voelden, maar omdat er opeens een nieuwe orde gold, waarin dat wat ooit goed heette opeens slecht was.
Veertien was ik, toen ik voor het eerst de evangeliepassage las die zojuist klonk. Jezus die zegt dat Hij geen vrede komt brengen, maar het zwaard…? In de kerk die ik bezocht, was het nooit voorgelezen. Ik was er kapot van. Wat een afschuwelijke tekst. Zo helemaal niet in lijn met hoe ik Jezus, of liever Christus, de Mensheidrepresentant, beleefde. Juist die geschoktheid maakte dat ik met de woorden wilde leven. Alleen. Jarenlang. Om er gevoel voor te krijgen. Want ik wist zeker dat hierin geen oproep school tot wat voor kruistochten en geweld jegens andersdenkenden dan ook.
Mag ik het leven en het welzijn van mijn zoon dan niet meer belangrijk vinden, hem niet meer liefhebben? Jawel. Het venijn zit hem in dat woordje ‘mijn’. Alsof hij mijn bezit is, of een verworvenheid, of dat zijn bestaan een verdienste is van mij, en ik dat van mijn familie, en er niets boven die hechte bloedbanden uitgaat – en wel zo, dat ik niet meer zie dat ieder mensenkind een aan de wereld geschonken, vrij en uniek individu is, iemand die mijn thuisgevoel niet bedreigt, maar evenveel recht heeft op een thuisgevoel, op broederschap, zusterschap, in deze wereld zelf.
Dat zwaard, dat is misschien het zwaard van de engel draagt die ons de terugkeer tot het schuldeloze, overvloedige aardse paradijs ontzegt, de toegangspoort afschermt, opdat liefde en medemenselijkheid voortaan in dit ruwe, rauwe aardse tranendal kunnen vorm krijgen, uit vrije wil en eigen bewogenheid en beweging. Het is misschien het zwaard van Michaël, de aartsengel die ook wel wordt afgebeeld met een weegschaal. Inderdaad, net als Vrouwe Justitia. Michaël, die op de vele afbeeldingen van hem, de draak niet doodt, niet verjaagt, maar in de bek ziet en op zijn plaats houdt, bedwingt.
Dat zwaard maakt inderdaad keer op keer korte metten met mijn behoefte aan vrede, gemoedsrust, de wens dat mijn woorden effect sorteren, dat ik kan gaan slapen met een warme mantel van medestanders om mij heen, een hechte familie van ziels- geest- en droomverwanten. Een zwaard dat ik zelf moet gebruiken, om mijn mensheidsliefde te vrijwaren van mijn behoefte aan waardering, complimenten, familiegevoel, en van de gedachte dat mijn liefde een beloning zal krijgen, ooit. Of dat de vele zegeningen in mijn leven het resultaat zijn van mijn volhardende liefde. Al die keren dat ik dit denk, kan ik mijn denken observeren en inzien dat ik de logica volg van een door en door economisch moreel denken, waarin welbegrepen eigenbelang uiterst gezond en gerechtvaardigd heet. En waarin je leven verliezen omwille van een vaag ervaren van ‘mensheid’ een doodzonde is.
Mij best. Kom maar op met dat zwaard. Die onrust, die onvrede. Die slapeloosheid en totale eenzaamheid. Net daarin lig jij, ver weg, naast me. Minstens zo wakker als ik. En God, wat een geschenk dat we elkaar zonder woorden verstaan. We hebben de mens gezien. We weten ervan. Zwaard, snijd maar diep. Onthul de kloof. Aan ons die te verbinden. Niet in de buitenwereld. In onszelf. Opdat we niet alleen hoeven zeggen: ja, we hebben het geweten. Maar we de vragende stem van ons geweten kunnen beantwoorden met onze daden, met ons leven zelf. In iedere ontmoeting opnieuw. Totdat het eindelijk klopt. Met ons mensenhart.
In de dienst in de Dominicuskerk in Amsterdam op 23 november waar Désanne van Brederode deze overweging hield, werd gelezen uit ‘Het kwade denken’ (fragment) van Bettina Stangnethen en uit het Evangelie naar Mattheüs (hoofdstuk 10: 34-39).
