Wat ik zie is iets heel anders: Europese kerken omzeilen vaak wat we hen vertellen, ze negeren wat wij van hen vragen, en ze weigeren hun theologische en politieke houding te veranderen. Europese kerkleiders zeggen: “Wij zijn hier om te luisteren.” Maar in de praktijk luisteren zij niet – niet op een manier die leidt tot daadwerkelijke solidariteit.
Mijn vermoedens over de waarde en het doel van dit meest recente PKN-bezoek werden bevestigd toen ik interviews las die Kees van Ekris gaf na afloop van deze reis. Het ene interview verscheen op het eigen platform van de PKN, het andere verscheen in het Nederlands Dagblad. Deze interviews laten precies zien wat Palestijnse christenen al jaren zeggen: dat Europese kerken hardnekkig weigeren onze werkelijkheid weer te geven anders dan via een frame van valse symmetrie, dat de machtigen beschermt, en de waarheid met voeten treedt.
“Pijn aan beide kanten”: de theologie van valse symmetrie
In beide interviews spreekt Van Ekris over diepe trauma’s aan beide kanten, van lijden aan beide kanten, pijnlijke verhalen aan beide kanten. In het interview op de PKN-website beschrijft de kerkleider hoe hij aankomt op het station in Tel Aviv en een muur ziet vol foto’s van jonge mensen die op 7 oktober 2023 zijn vermoord of gegijzeld. Hij spreekt over de emotionele impact van de moorden en gijzelingen, en over het trauma dat de Israëlische samenleving zal blijven blijft tekenen.
In hetzelfde interview vertelt hij vervolgens wat de delegatie op de Westelijke Jordaanoever meemaakte. Van Ekris noemt de systematische vernedering van Palestijnse christenen en moslims, de onderdrukking en dreiging die de delegatie heeft ervaren bij Tent of Nations, waar kolonisten oprukken richting Palestijns land. Hij beschrijft hoe de delegatie voortdurend moest pendelen tussen verschillende realiteiten, en hoe Palestijnse christenen hen confronteerden in felle bewoordingen:
“Horen jullie dit? En wat doen jullie dan? Verlaten jullie ons of staan jullie aan onze kant?”
Van Ekris noemt een Palestijnse christen die vertelde dat achttien van zijn familieleden in Gaza waren omgekomen – ‘geen Hamas-terroristen’, maar willekeurig gedood, staat erbij – en die heel direct zei: “Jullie kunnen hier wel komen, maar als jullie teruggaan naar Nederland en er niets over zeggen, wat is dan het nut van deze ontmoeting?”
Tot zover zou je kunnen denken: goed zo. Ze hebben ze hebben de waarheid tenminste gehoord en onrecht gezien.
Maar het interview onthult het onderliggende frame dat het perspectief van de PKN bepaalt. Van Ekris benadrukt herhaaldelijk de ‘complexiteit’ van de situatie; hij citeert een rabbijn die zei: “Simplicity won’t hold.” En hij waarschuwt tegen wat hij noemt ‘simpele ideologische slogans’ over Palestijnen, Joden, land en samenleven.
Deze framing is niet onschuldig. ‘Complexiteit’ is in onze context een term geworden om je achter te verschuilen. Een beroep op complexiteit wordt niet gedaan om de nuances van de werkelijkheid recht te doen, maar om haar niet te hoeven benoemen. Instituten zoals kerken verschuilen zich achter ‘complexiteit’ om hun verantwoordelijkheid te omzeilen, het toont hun gebrek aan moed om zich uit te spreken.
Het interview in het Nederlands Dagblad maakt dit nog duidelijker. Het begint met afschuwelijke beschrijvingen van wat de delegatie hoorde over 7 oktober 2023: bodycams die verkrachting, verbrande lichamen en een stukken gescheurde baby’s[1] hadden gefilmd. Het is taal die bedoeld is om de lezer te choqueren. Daarna richt het interview de blik naar Gaza en lezen we even weerzinwekkende verhalen: een moeder die de lichaamsdelen van haar kind verzamelt, een bejaarde Palestijnse vrouw die werd neergeschoten en later door een tank werd overreden nadat zij twaalf uur op straat had gelegen. En dan komt de zin die de theologische houding van de PKN samenvat: “Het lijden laat zich niet tegen elkaar wegstrepen.”
Dit is de logica van symmetrie, die zegt: we zien horror aan de ene kant, en aan de andere kant, dus moeten we voorzichtig zijn. Dus moeten we geen grote woorden gebruiken en niet te stevige conclusies trekken. Van Ekris waarschuwt tegen het herhalen van gruwelverhalen op een manier die ze tot ‘bouwstenen van een betoog’ zou maken. Maar om tot morele helderheid te komen is analyse van wat er gebeurd is noodzakelijk.
Op de vraag wat de afdronk is van de reis, antwoordt Van Ekris dat het geweld moet stoppen zodat er tijd is om wonden te verzorgen, te rouwen, en te focussen op veiligheid ‘voor de een én voor de ander’. Van Ekris noemt de Israëlische genocide niet. Hij noemt apartheid niet, en ook de koloniale overheersing niet. Ook al heeft Van Ekris eerder op het machtsverschil gewezen (in een brief van 2 oktober 2025), hier is zijn taal enkel die van tragedie, trauma en de wederzijdse behoefte aan veiligheid.
Dat beperkt zich niet tot Van Ekris. Een interview op de site van de PKN met Wilma Wolswinkel en Geert de Korte volgt hetzelfde patroon. Wolswinkel en De Korte pleiten openlijk voor een houding die weigert ‘pro-Israël’ of ‘pro-Palestijns’ te zijn, maar in plaats daarvan ‘pro-vrede’ is. Zij spreken over ‘spanningen, verdriet en trauma’ aan beide kanten, en beschrijven hun werk als luisteren naar iedereen. Ook, als het, zoals De Korte formuleert, gaat om ‘aandachtig luisteren zowel naar iemand in Bethlehem als naar een kolonist uit Hebron’. De taal is opnieuw die van balans, symmetrie en emotionele gelijkstelling.
Het probleem waarop ik de vinger leg, is natuurlijk niet het verlangen naar vrede, dat deel ik. Het probleem zit erin is dat terwijl de genocide doorgaat en de apartheidspolitiek almaar verstikkender wordt, de kerk taal over ‘beide zijden’ inzet, en zo morele helderheid ontwijkt. Kerkelijke leiders presenteren zichzelf zo als meelevend en pastoraal, terwijl zij weigeren de werkelijkheid te benoemen en weigeren partij te kiezen voor de slachtoffers.
Laat ik duidelijk zijn: ik wil de pijn niet ontkennen, ik bagatelliseer de horror van 7 oktober niet. Dat heb ik steeds publiekelijk helder gemaakt. Maar kerken zijn niet alleen geroepen om te rouwen, zij zijn geroepen om de waarheid te spreken. Zij zijn geroepen om profetisch te zijn en om zonde te benoemen—zeker wanneer zonde wordt gepleegd door de machtigen, beschermd door het Westen, en genormaliseerd door theologie.
Wat mij schokt, is niet de empathie van Europese kerken met mensen die lijden. Wat mij schokt is hun hardnekkige weigering om de feiten onder ogen te zien en te benoemen. Van symmetrie is geen sprake. Wat er in Gaza gebeurt is niet simpelweg ‘lijden aan beide kanten’. Het is een genocide. En wat Palestijnen doorleven is niet simpelweg een ‘conflict’. Het is apartheid. Dit zijn geen simpele slogans, en het is geen ideologische retoriek. Het is in toenemende mate de conclusie van internationale experts in genocide, mensenrechten en internationaal recht, onder wie ook Joodse en Israëlischee en Joodse stemmen die weigeren dat hun identiteit wordt misbruikt om staatsgeweld te legitimeren.
Genocide
Op dit punt wil ik verduidelijken waarom het woord genocide zo belangrijk is. Genocide is geen Palestijnse uitvinding, wij hebben het juridische kader niet ontworpen. De definitie is afkomstig uit de VN-Conventie inzake de Voorkoming en Bestraffing van Genocide (1948). De conventie werd opgesteld in de nasleep van de Holocaust, en wordt gedragen door dezelfde Europese morele traditie van waaruit Europa decennialang de rest van de wereld heeft onderwezen in mensenrechten. Onder deze conventie verwijst genocide niet alleen naar massamoord, maar ook naar de doelbewuste vernietiging van een volk door het systematisch ontmantelen van de voorwaarden die leven mogelijk maken. En precies daarom is de weigering van Europese kerken en regeringen om hun eigen juridische en morele taal op Gaza toe te passen zo onthullend.
De claim dat Israël in Gaza genocide pleegt, komt niet van activisten en is niet gebaseerd op ideologische slogans. Zij is verwoord in een groeiend corpus van bewijs door gerespecteerde instellingen en experts, uit verschillende disciplines en continenten. Genocidewetenschappers en juristen hebben gewaarschuwd dat Israëls daden de drempel van genocide halen, of duidelijke genocidale patronen en intenties vertonen.
Onder hen is Amos Goldberg, hoogleraar Holocaust- en genocidestudies aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem, die helder heeft betoogd wat Israël doet in Gaza genocide is. Hij staat niet alleen. Vooraanstaande Israëlische genocidewetenschappers zoals Raz Segal en Omer Bartov, en een groeiende kring van Joodse wetenschappers wereldwijd, hebben erop aangedrongen dat deze aanklacht serieus genomen moet worden en niet weggezet mag worden als antisemitisch.
Daarnaast hebben belangrijke organisaties binnenin het vakgebied – zoals de International Association of Genocide Scholars, en honderden genocidewetenschappers wereldwijd -verklaringen uitgegeven waarin zij waarschuwen voor genocide in Gaza. Toonaangevende mensenrechtenorganisaties die kerken in andere contexten regelmatig citeren, zoals Amnesty International en Human Rights Watch, de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem, en talrijke VN-functionarissen waarschuwen voor genocidale omstandigheden, intentie, en de doelbewuste vernietiging van burgerlijk levens van burgers.
In de genocidezaak van Zuid-Afrika oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat die beschuldiging plausibel genoeg was om voorlopige maatregelen te bevelen, en het Internationaal Strafhof heeft arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen Benjamin Netanyahu en Yoav Gallant. Zouden kerkleiders nu beweren dat al deze organisaties en experts bevooroordeeld zijn of het mis hebben? Hoe rechtvaardigt de PKN haar positie – zeker gezien de omstandigheid dat Den Haag geldt als de stad van internationaal recht? Of zou het kunnen dat Westerse christenen Palestijnen niet als volledig menselijk ziet, en dat mensenrechten daarom niet op ons van toepassing zijn?
Dit is wat Europese kerken niet willen toegeven: hun zwijgen over genocide is niet of niet alleen ingegeven door een analyse dat van genocide geen sprake zou zijn. Het is een fundamenteel moreel falen. Dit zwijgen is, zoals we zullen zien, diepgeworteld in de Europese theologie.
Uw koninkrijk kome en de theologie van “pelgrimage”
De taal van trauma, lijden aan beide kanten en complexiteit weerspiegelt het theologische kader dat de Protestantse Kerk in Nederland in 2024 heeft vastgelegd in haar synodale beleidsnotitie ‘Uw koninkrijk kome: als pelgrims onderweg met Joden en Palestijnse christenen’.
De notitie werd aangenomen temidden van Israëls aanvallen op Gaza. Het document is een gids voor hoe de kerk zich moet verhouden tot Joden en tot Palestijnse christenen. Het maakt daartoe gebruik van de spirituele metafoor van pelgrimage. De kerk wordt beschreven als een gemeenschap die een weg gaat, en die, kwetsbaar en aandachtig, verbonden wil blijven met Joden en Palestijnse christenen. De kerk luistert naar hun verhalen, en zoekt hoe zij als kerk kan spreken en handelen in een verscheurde werkelijkheid.
Maar ‘pelgrimage’ blijkt te functioneren als een theologisch mechanisme om morele helderheid uit de weg te gaan. De pelgrimerende gemeenschap verkeert permanent in de modus van luisteren, dialoog en ontmoeting, en komt niet op een punt waar luisteren leidt tot het concreet benoemen van de werkelijkheid, het kiezen van de kant van de slachtoffers, dus tot handelen.
Hoewel de woorden ‘genocide’ en ‘apartheid’ in de mond van anderen voorkomen in ‘Uw koninkrijk kome’, neemt de kerk zelf geen duidelijk standpunt in. Het noemt christenzionisme, maar wijst het niet helder af. Er staat dat de Westelijke Jordaanoever volgens internationaal recht bezet is, maar het document verbindt aan dat en aan ander onrecht geen consequenties. Het roept niet op tot sancties of enige vorm van costly solidarity. Leidend is niet de taal van rechtvaardigheid, maar een vocabulaire van relatie, verbondenheid en complexiteit.
Ook spreekt de kerk bijna uitsluitend over Palestijnse christenen, als medegelovigen en oecumenische partners, als mensen die diaconale aandacht behoeven. Palestijnse christenen worden bovendien bijna steevast genoemd in combinatie met Joden. Dat werkt verwarring in de hand. Juist als de kerk antisemitisme serieus wil nemen, zal ze helder onderscheid moeten maken tussen Joden en de staat Israël.
Wat deze notitie bijzonder onthullend maakt, is de manier waarop de relaties van de kerk met Joden en met Palestijnen worden gestructureerd. De relatie met Joden wordt beschreven als theologisch, existentieel en geworteld in de eigen identiteit van de kerk. ‘Onopgeefbare verbondenheid’ geldt ‘het volk Israël’ (ook daar is de vraag: wat bedoelt de kerk precies met ‘volk van Israël’?). De notitie spreekt over Palestijnen niet als volk van gelijke theologische betekenis. Joden worden behandeld als theologisch subject; Palestijnse christenen in relatie tot de oecumenische en diaconale roeping van de kerk. Palestijns bestaan is altijd door een politieke lens bekeken, was betwistbaar en kwam op het tweede plan. Nog steeds beziet de PKN Joden en Palestijnen door verschillende lenzen, laat deze notitie zien. Het verklaart waarom Europese christenen hun racisme tegenover Palestijnen niet onder ogen kunnen zien.
Luisteren ze? En moeten we hen blijven ontmoeten?
Het bezoek, de interviews en de synodale notitie laten hetzelfde patroon zien dat al decennialang de houding van de PKN, en ook van andere Europese kerken, tegenover Palestina bepaalt. De PKN spreekt helder over Joods trauma, maar niet over vernietiging van Palestijnen. Ze spreekt helder over 7 oktober, maar niet over Gaza. Wel over antisemitisme en de Holocaust, maar niet over een genocide die zich voor de ogen van de wereld voltrekt. De PKN veroordeelt antisemitisme met morele helderheid, maar Israëlische apartheid niet. Daarmee faalt de PKN moreel gezien diep. Dat falen legt racisme ten aanzien van Palestijnen bloot, en maakt de PKN medeplichtig aan genocide.
De PKN presenteert zichzelf als een kerk die wil luisteren. Haar vertegenwoordigersleiders herhalen dat voortdurend: we kwamen om te luisteren, om te ontmoeten, om te leren, om pelgrims te zijn. Maar luisteren in Bijbelse zin is nooit passief. Luisteren in de Schrift impliceert de bereidheid om consequenties te accepteren van wat je gehoord hebt. Dan leidt luisteren tot verandering, tot bekering, tot een afwending van leugen en medeplichtigheid. Maar wat we ook na het laatste bezoek van de PKN zien, is een hardnekkige weigering om de werkelijkheid te benoemen.
De PKN heeft genocide in Gaza niet benoemd, ondanks het overweldigende bewijs en de groeiende consensus onder juristen, mensenrechteninstellingen en genocidewetenschappers. Zij heeft apartheid niet benoemd, ondanks decennia van documentatie en de duidelijke conclusies van grote mensenrechtenorganisaties. Zij blijft spreken in de veilige taal van “conflict”, “complexiteit” en “pijn aan beide kanten”, terwijl Gaza wordt vernietigd en Palestijnen worden uitgewist.
De intentie mag pastoraal zijn, maar de kerk schiet moreel gezien zeer te kort. Zo wordt apartheid een “conflict”, genocide een “oorlog”. En zo wordt de kerk een bemiddelaar tussen twee partijen die allebei pijn hebben, in plaats van een getuige van waarheid.
En daarom moet de vraag nu eenvoudig en onomwonden gesteld worden: heeft de PKN werkelijk geluisterd?
Want als Palestijnse christenen al jaren dezelfde dingen zeggen—spreek je uit over de bezetting, over de apartheidspolitiek, verwerp christelijk zionisme, hervorm de christelijk-joodse dialoog, trek consequenties, roep op tot sancties—en Europese kerken blijven deze oproepen negeren, wat betekent “luisteren” dan?
Het moment is gekomen om ons af te vragen of deze delegaties komen om te leren, of dat zij komen om de schijn op te houden. Deze bezoeken in de huidige vorm faciliteren een soort kerkelijk witwassen: de delegatieleden hebben hun plicht gedaan, ze zijn bij Palestijnse christenen op bezoek geweest. Ze vertellen aan de gemeenteleden: wij zijn er geweest, wij hebben het gezien; wij hebben geluisterd. Maar ze blijven dezelfde theologische en politieke taal gebruiken die de machtigen beschermt en de onderdrukten uitwist. Het Evangelie roept de kerk niet op om neutraal te zijn of controverse te vermijden. Het roept de kerk op om waarachtig te zijn. Het roept de kerk op om profetisch te zijn. Het roept de kerk op om te staan waar Christus staat: bij de gekruisigden.
Dit brengt mij bij een pijnlijke vraag die ik niet langer kan vermijden: moeten wij deze delegaties nog blijven ontmoeten? Als deze bezoeken steeds worden gebruikt om kerken af te schermen van de verantwoordelijkheid om waarheid te spreken, en als zij functioneren als vervanging voor bekering en costly solidarity, kunnen wij dan nog langer meewerken aan deze bezoeken?
Als de kerk weigert genocide te benoemen, weigert apartheid te benoemen, weigert haar medeplichtigheid onder ogen te zien, en weigert te veranderen, dan leidt de pelgrimage waarover zij spreekt niet tot de verwezenlijking van het Koninkrijk. Integendeel, het is een aanval op onze menselijkheid. De kerk doet dan wat ze altijd deed: terug naar Europa, met in de koffer Palestijnse pijn als was het een souvenir en met een geromantiseerde notie van hoop, maar solidariteit aan Palestijnen betonen ze niet.
[1] In een latere versie van het interview is de verwijzing naar verminkte baby’s geschrapt. Het ND plaatste daar de volgende opmerking bij: ‘In een eerdere versie van dit interview zei Van Ekris dat lichamen van baby’s aan stukken werden gehakt. Het is echter inmiddels algemeen aanvaard dat dat niet is gebeurd.’

Een zeer heldere analyse waarom de houding van mijn kerk de PKN ernstig tekort schiet. Men zegt te willen luisteren, maar hoort niet.
Ons protest in juli 2025 bij het dienstencentrum heeft niks opgeleverd. De kerk blijft volharden in taal die vroom klinkt, maar niets zegt, en daarmee tekort schiet.
Een begin zou moeten zijn om ferm afstand te nemen van christenzionisme in eigen kring.