Religieuze geletterdheid begint basale kennis over religie, maar ook jezelf en de religieuze ander begrijpen in zijn of haar sociale, politieke en culturele context. Het vraagt om vaardigheid te zien wat er speelt, maar daar vervolgens ook naar kunnen handelen, terwijl je in verbinding blijft. Dat betekent dus dat je er niet bent met een lesje ‘Who is who in christendom en Islam’, hoewel dit een goed begin kan zijn. Overigens is het adequater om te spreken over religieuze en levensbeschouwelijke geletterdheid, omdat ook levensbeschouwingen als het humanisme hieronder vallen.
Waarom zou je als overheid investeren in religieuze en levensbeschouwelijke geletterdheid? Vanuit het vakgebied waarin ik werkzaam ben, de internationale betrekkingen, zijn er goede redenen om religieuze en levensbeschouwelijke geletterdheid te bevorderen. De belangrijkste reden is dat de vrijheid om religie en levensbeschouwing een mensenrecht is. Artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens brengt dat tot uitdrukking. Dit recht omvat ook de publieke dimensie, namelijk het onderwijzen van religie en het uitleven ervan. Kortom, religie heeft een publieke dimensie en daarmee ook een politieke. Dat brengt ons op het tweede punt.
Meer dan 85 procent van de wereldbevolking hangt een religie aan. Dat betekent niet dat ze deze ook allemaal even intensief praktiseren of handen en voeten geven, maar in grote delen van de wereld is dat wel zo en doordringt het alle aspecten van het leven. Wil je deze landen of regio’s begrijpen – een basisvaardigheid voor goede diplomatie – dan dien je ook de leefwereld van de mensen die daar wonen, leven en werken te begrijpen. Veel van deze mensen geven het publieke en politieke leven namelijk vorm vanuit religie. Dat kan twee kanten op gaan: positief of negatief.
Religie heeft een januskop
Religie is in sommige landen een factor in conflicten en soms zelf gewelddadig extremisme. In Nigeria en Kenia, de landen waar ik als onderdeel van het JISRA programma de afgelopen jaren onderzoek heb gedaan, geven religieuze leiders dat zelf ook aan. Volgens hen is religieuze ideologie een factor in gewelddadig extremisme. Het interessante is echter dat dezelfde religieuze leiders een belangrijke sleutel zijn in het tegengaan van gewelddadig extremisme. Wat zij onder andere bepleiten is dat er meer religieuze geletterdheid nodig is en godsdienstvrijheid. Zij spelen daar zelf een belangrijke rol in door onderwijs te geven, verkeerde interpretaties tegen te spreken of te weerleggen. Daarnaast gaan ze onderling in dialoog en met de leiders van andere religies. Samen staan ze op voor de vrijheid om religie vorm te geven, zowel privé als publiek.
Wil je hier als diplomaat, minister of beleidsmedewerker, op inspelen, dan helpt het om het gezag van religieuze leiders in bepaalde contexten te erkennen en vervolgens ook de vaardigheid te hebben hen een rol te geven in conflictbeslechting of verzoeningsprocessen. Dat is een specifieke vaardigheid die kennis, oefening en empathie vereist. Er zijn namelijk ook risico’s.
Risico’s
Religie en daarmee ook religieuze leiders worden gemakkelijk een instrument om allerlei politieke doelen te bereiken, maar ze hebben ondertussen natuurlijk wel hun religieuze opvattingen en die stroken niet altijd met de dominante Westerse opvattingen. Dat is met name het geval als het gaat om vrouwenrechten en lhbtq+ vraagstukken. Maar ook in die gevallen is het beter om die thema’s te adresseren in samenwerking met religieuze leiders.
Een andere risico is dat religieuze geletterdheid bewust of onbewust alleen gaat om het bevorderen van godsdienstvrijheid, al dan niet van een specifieke groep. Religieuze en levensbeschouwelijke geletterdheid moet echter gaan over alle religies en levensbeschouwingen en niet alleen over godsdienstvrijheid, maar ook over dialoog, in elkaar investeren, en jezelf in de andere verplaatsen. Als de aangenomen motie daartoe leidt, is dat een klein stapje naar een vreedzamere wereld.
