Integrale ecologie beweegt zich op het vlak van de filosofie en de theologie. Grey is stevig geworteld in de katholieke sociale leer. Haar leerstoel is niet voor niets gevestigd aan het Laudato Si-instituut. Met de gelijknamige encycliek uit 2015 mengde paus Franciscus zich op een zeer overtuigende manier in de klimaatdiscussie. Volgens de paus hebben we niets minder dan een ecologische bekering nodig. We moeten afscheid nemen van het technologisch paradigma, de waan dat de mens met louter technische middelen de crises die hij zelf veroorzaakt op kan lossen. Het is nodig om fundamenteel anders te gaan denken, en daardoor ook anders te gaan handelen.
Voor Grey is het belangrijk om weg te blijven van een romantische natuurtheologie, die de natuur heilig verklaart. Wezenlijk is het inzicht dat de natuur of de schepping niet het decor is waartegen zich de menselijke (heils)geschiedenis zich afspeelt, maar integraal opgenomen is in Gods heilsplan. “Houden van de natuur is níet hetzelfde als de natuur verheffen tot onze hoogste norm en ons hoogste ideaal. Als we dat doen, ontzeggen we ons de mogelijkheid om kritisch te kijken naar die aspecten van de werkelijkheid die verlossing nodig hebben. En dat doet afbreuk aan een van de grootste verwezenlijkingen van de ecotheologie, namelijk het inzicht dat de schepping als geheel thuishoort in de heilsgeschiedenis” (p. 31).
Daarnaast is het voor haar belangrijk dat ecotheologie mainstream wordt. Het is gevaarlijk als het een soort ‘linkse hobby’ in de kerk wordt, of als het losgezongen raakt van de praktijk van het dagelijks (geloofs)leven. Voor haar betekent dat verworteling in de traditie en aansluiten bij waar levende geloofsgemeenschappen nu zijn.
In één van haar artikelen benadrukt ze deze ‘praktijken van gemeenschap’. Het instrumentele denken zit diep in onze cultuur: hoe kan ik hier voordeel uit halen? Wat zit er in voor mij?
Deze manier van denken leidt tot competitief handelen, tot praktijken van uitsluiting en vervreemding, analyseert Grey. Daartegenover plaatst zij het begrip ‘praktijk van gemeenschap’. Daarin worden andere vragen gesteld: hoe kan ik dit koesteren. Hoe kan ik hier leven brengen?: “In deze praktijken wordt de wereld zowel begrepen als, als gemaakt tot een sacrament van gemeenschap. Deze praktijken geven uitdrukking aan de waarheid dat werkelijk leven voor mij ten diepste nooit ten koste kan gaan van werkelijk leven voor jou, en voor heel de schepping” (p. 129).
Het is voor haar de eerste, beslissende stap, naar een integrale ecologie. Het bekende ecologische adagium ‘alles is met elkaar verbonden’ (ook fundamenteel in Laudato Si), is voor haar te mager. Verbinding is een te bleek concept. Relatie, is al wat sterker. Maar binnen een relatie kan er ook sprake zijn van misbruik. Gemeenschap is voor haar een concept voor ons denken en handelen “dat zich intrinsiek, niet slechts contigent, verzet tegen de logica van geweld (…) Ons diepste verlangen is naar een eenheid die onze eigen identiteit niet uitblust (…) een ‘zijn-met’ dat mij juist meer mijzelf laat zijn; een zijn-met zelfs dat mij in staat stelt eindelijk mijzelf te zijn” (p. 134).
Ze illustreert dat aan haar eigen ervaring van het moederschap. De geboorte van haar zoon Benjamin confronteerde haar met het schokkende inzicht van de “disproportie tussen hoe fundamenteel dit aspect van ons mens-zijn is en hoe irrelevant het is gebleven voor de meeste reflecties over mens-zijn binnen onze traditie” (p. 137). Mens-zijn betekent: een moeder hebben. Staar naar je navel, die is er het bewijs van. Dat is niet een relatie die je hebt, maar die je bent. Dat is van wezenlijk theologisch belang, maakt ze duidelijk. Het gaat niet om een valse moeder-sentimentaliteit, maar om de stichtende ervaring van het kind-zijn, het van meet af aan ingebed zijn: “de uiterst concrete specificiteit van verwekt en gegroeid te zijn in, en geboren te zijn uit, het lichaam van een andere persoon is paradigmatisch voor gemeenschap zelf, voor het bestaan zelf, ook voor God, binnen God zelf” (p. 139).
De essays van Grey bieden een goede ingang tot de integrale ecologie op een fundamenteel niveau. Ze heeft het vermogen om op een heldere manier dieper te graven en de drijvende filosofische maar vooral theologische wortels die een integrale ecologie bloot te leggen.
De zes essays worden voorafgegaan door een inleiding van Erik Borgman, die echter het springende punt met betrekking tot de ervaring van het moederschap die Grey inbrengt, mist. Daarin gaat het dus niet om een ervaring die alleen ‘aan vrouwen voorbehouden’ is (zo Borgman), het krijgen van een kind. Het opent juist het andere inzicht, dat we allemaal, vrouwen én mannen, kind-zijn. Het gaat niet om het kind dat vrouwen krijgen, maar om het kind dat we allemaal zijn. Ons leven is volgens Grey onlosmakelijk verweven met ‘onze moeder’, de aarde.
Carmody Grey. Wat betekent het mens te zijn? Essays over integrale ecologie. Otheo Books Antwerpen 2026, 156 pag., €24,99.
