Kijkt u wel eens naar YouTube kanaal De Nieuwe Wereld (DNW)? Daar kun je boeiende en niet door haast gehinderde gesprekken zien en beluisteren tussen denkers en gespreksgenoten van DNW – een daarvan is de VU-filosoof Ad Verbrugge. De gastenlijst zal her en der wel wenkbrauwen doen fronsen: je vindt er Wim Voermans naast Lidewij de Vos, Gabriël van den Brink naast Sid Lukassen, Kees de Kort en Wierd Duk, om er slechts enkele te noemen – ook de schrijver van deze regels was al te gast. Maar in een inmiddels ideologisch sterk verdeeld politiek landschap als het Nederlandse, valt er iets voor te zeggen die pluriformiteit ook zichtbaar te maken in een diverse gastenlijst.

Verbrugge is niet alleen een van de gesprekspartners van de genodigde gasten bij DNW. Hij ontwikkelt zich de laatste tijd ook meer en meer tot een soort influencer door met regelmaat zijn licht te laten schijnen op (geo-)politieke gebeurtenissen: nu eens over de militaire situatie aan de frontlijn in Oekraïne, dan weer over het befaamde bezoek van Zelensky en een aantal Europese regeringsleiders in augustus van vorig jaar aan de Amerikaanse president Trump. En eerder al had de anti-vaxer Verbrugge uiterst kritische standpunten over onze virologie en het Coronabeleid van Rutte c.s.

Dit lijkt ongeveer de methode-Verbrugge te zijn: je gaat op zoek naar dissidente stemmen op een bepaald vakgebied (militaire inlichtingen, geopolitiek, virologie), en gooit die met de nodige flair en brutaliteit in het gezicht van wat je polemisch de ‘mainstreammedia’ noemt. En tenslotte organiseert DNW de laatste paar jaar ook goed bezochte toogdagen, bijvoorbeeld in kerken, waarbij de achterban van DNW wordt opgetrommeld. De laatst aangekondigde was zelfs helemaal uitverkocht. Verbrugge lijkt daar nog het meest op een Amerikaanse tv-dominee, met zijn lichte pak en zijn bezwerende gebaren.

Inhoudelijk komt er bij hem dan steevast iets uit dat in de verte doet denken aan het pakket dat Roxane van Iperen in haar verhelderende essay Eigen welzijn eerst (2022) ontdekte bij ‘Wellness-rechtse’ yogamoeders en andere leden uit de Nederlandse middenklassen die liberale waarden vaarwel zeggen: een op internet bijeengescharrelde mix van spirituele zelfbediening, begrip voor Poetins expansiedrift, en coronascepsis gevoed door complottheorieën. Bij Verbrugge ziet het pakket er wat anders en vooral filosofischer uit. Bij hem gaat het om een bricolage van Aristotelische deugdethiek, doemdenken dat door Oswald Spengler is geïnspireerd, en een pleidooi voor ouderwetse machtspolitiek dat is samengebald in de befaamde formule ‘Monroe-doctrine’ waarbij de autocraten Poetin en Trump het voortouw nemen, aangemoedigd door de VU-filosoof.

Uit de gezagscrisis met Aristoteles en Van der Plas

Maar laten we de zaak nader in beschouwing nemen, omdat het duidelijk om een bredere denktrant gaat – nog onlangs berichtte NRC bijvoorbeeld dat Spengler her en der in Europa een comeback maakt. In zijn grote essay De gezagscrisis uit 2023 doet Verbrugge een poging om in de lijn van zijn grote voorbeeld Hegel de huidige tijdgeest te beluisteren en onder woorden te brengen. Hegel definieerde filosofie immers als ‘de eigen tijd in begrippen gevat’. Tekenend voor onze tijd, zo stelt hij vast, is afbrokkeling van het vertrouwen in en dus van het gezag van onze politici en van onze instituties, waardoor een democratisch gesprek over de ‘publieke zaak’ – inderdaad een centrale notie in de geschiedenis van ons politieke denken – moeizaam wordt en zelfs op scepsis en cynisme kan rekenen. Inderdaad, we hoeven hier alleen maar te denken aan de mislukte regering-Schoof en de koudwatervrees van de meeste partijen sinds de meest recente verkiezingen om met elkaar aan iets nieuws te bouwen. Dat was allemaal nog ná het verschijnen van Verbrugges essay.

Wel toont de auteur zich hierin duidelijk enthousiast over de overwinning van de BBB van Caroline van der Plas bij de Statenverkiezingen in 2023. Die triomf wijst er volgens hem op dat er bij de bevolking een breder verlangen leeft om in de politiek opnieuw ‘lotsverbondenheid, praktische wijsheid en tact een plaats te geven’. Want daaraan heeft het in ons land te lang ontbroken. Er was eerder een steeds verder oprukkende systeemwereld met haar ‘algoritmische modellering van de werkelijkheid’, vooral ook de werkelijkheid van onze boeren door het stikstofbeleid.

Ook hier heeft Verbrugge een punt: nog onlangs begon ombudsman Reinier van Zutphen op eigen initiatief een onderzoek naar de invloed van het landbouwbeleid op agrariërs, na werkbezoeken waarin hij al het vermoeden kreeg dat ‘inlevend vermogen’ niet tot de sterkste kanten van de overheid hoort.

En wie zou Verbrugge frontaal willen tegenspreken wanneer hij nostalgisch schrijft: ‘De stad verliest het contact met het platteland, de stadmens met de boer, het hoofd met het hart en de handen, de geest met de ziel’. Of wanneer hij vervolgens een zekere ‘herwaardering van het nationale en lokale’ bepleit, vooral ook wanneer het gaat over bestuur en bestuurscultuur – Verbrugge is ook een fan van de inmiddels alweer uit de Haagse politiek verdwenen Pieter Omtzigt.

Uit de christendemocratische traditie kennen we inderdaad een verstandig begrip als ‘subsidiariteit’: laat hogere overheden en organen niet overnemen wat lagere instellingen zelf kunnen doen.

Verbrugge biedt ook lezenswaardige beschouwingen over wat nu eigenlijk ‘gezagvol handelen’ en gemeenschapsleven is, binnen het kader van de deugdethiek van Aristoteles. Gezag heeft inderdaad te maken met zeggen, zeggenschap en ‘zich iets laten gezeggen’, kan niet losgemaakt worden van macht, maar macht op haar beurt niet van erkenning en een gedeeld vormideaal. In Aristoteles’ stadstaat horen politiek en ethiek nog bij elkaar, terwijl rechtvaardigheid, gericht op het bewaren van de politiek-maatschappelijke orde en het zorgen voor evenwicht in menselijke verhoudingen, daar de ‘volkomen deugd’ is.

Verbrugge volgt ook de poging van Alisdair Macintyre uit 1981 om de deugdethiek ook onder moderne condities – dus in een samenleving zonder slaven en rechteloze vrouwen – te doen herleven in praktijken en beroepen die allemaal hun eigen karakter, gerichtheid en ‘eer’ hebben. Ook hier kan men Verbrugge goed volgen – leraren, verplegers, chirurgen of advocaten die hun vak verstaan dienen gesteund en gewaardeerd te worden en niet vermalen door technocratische eisen uit wat hij de ‘systeemwereld’ noemt. Tientallen jaren geleden had Duitslands bekendste denker Jürgen Habermas het al over de ‘kolonisering van de leefwereld’ door markt en marktstructuren.

Van nostalgie naar autocratie

Toch is het ook de zwaar nostalgische sfeer die om al zijn hegeliaanse omzwervingen heen hangt, waardoor Verbrugges essay niet alleen een commentaar is op de tijdgeest maar vooral ook een weerspiegeling en versterking daarvan. Dat gaat in de richting van steun aan ronduit reactionaire en ook autocratische politiek. Hij volgt en versterkt de tijdgeest, net als een politica als Van der Plas, die in verkiezingstijd aan allerlei tv-spelletjes meedoet om vooral te demonstreren dat zij een gewone Nederlander is die van gewone dingen houdt; de cultivering van een zekere weerzin tegen ‘hoger opgeleiden’ is hiervan de keerzijde.

Maar is het deze mimesis die we van onze politici mogen verwachten? Is creatieve vormgeving van het algemene goed niet eerder de primaire taak van politici, dus wat de historicus Frank Ankersmit in zijn studies over democratie ‘esthetische representatie’ noemt? Eenmaal in de regering-Schoof, ontpopte Van der Plas’ partij zich niet alleen tot een bijwagen van Wilders’ PVV die zoals bekend louter destructief wenst te opereren (het gevolg zien de vandaag in de implosie van die partij), de BBB bleek ook een schoolvoorbeeld van het schaamteloos terugbrengen van het door Verbrugge regelmatig aangeroepen ‘gemeenschappelijke goed’ tot het belang van een particuliere sector, te weten de agri-sector en de intensieve landbouw.

In Retrotopia (2017), zijn laatste boek voor zijn verscheiden, noemde de grote socioloog Zygmunt Bauman de huidige tijd de ‘era van de nostalgie’. Hij citeert daarbij de definitie van Svetkana Boym van het begrip nostalgie: ‘Een gevoel van verlies en ontheemding (displacement), maar ook een intieme relatie met je eigen fantasie’. Er is eigenlijk geen betere omschrijving mogelijk voor veel van Verbrugges teksten. Zijn bijdragen aan het intellectuele debat gaan voortdurend over de ontzieling, verlies, leegte, erosie van gemeenschapsbanden, die bij hem allemaal het gezag van de nationale overheid en van overgeleverde praktijken uithollen en ondermijnen. Die nostalgie is bij de romanticus Verbrugge niet nieuw. Ook al in 2014 schreef hij opstellen over ‘ontheemding’ en de noodzaak van ‘aarding’ – etherische begrippen die er in de turbulente wereld van vandaag bij menigeen ongetwijfeld ingaan als het spreekwoordelijke Gods woord in een ouderling.

Maar bij hem kun je vooral bestuderen hoe naar binnen gerichte nostalgie – verkleed als deugdethiek en verlangen naar een oorspronkelijke Hegeliaanse (negentiende-eeuwse) ‘zedelijke gemeenschap’ – ons vandaag kunnen verleiden tot adhesie aan dictators en autocraten.

Ruslands ‘ziel’ en Poetins rechtvaardige oorlog

Het is namelijk op het geleide van dit type nostalgie dat we worden voorbereid op een volgende stap in Verbrugges politieke wereldbeeld. Keren we nog eenmaal terug naar De gezagscrisis. Eerst worden we daar herinnerd aan het inzicht (beter: het cliché) dat een land als Rusland van oudsher bekend staat om ‘de diepte van zijn ziel’. Begrijpelijk dus dat Poetin zich keert tegen westerse ‘decadentie’ en zijn ‘loochening van traditionele waarden’, zo meent Verbrugge. Om eraan toe te voegen dat het ook bij onze BBB om zulke waarden gaat.

Hier doet Verbrugge (en zijn YouTube kanaal, waarover verderop meer) volop mee aan wat hij eerder zelf kritisch diagnosticeert als de hedendaagse ‘zwermachtige politisering van de beleving’ die vooral via internet allerlei binaire oordelen en goed/slecht-schema’s de wereld in helpt. Want in Poetins wereldbeeld, bijvoorbeeld zoals dat dag na dag aan Russische burgers wordt voorgeschoteld, bestaan er alleen maar authentieke Russen die ‘traditionele waarden’ omarmen en daarnaast decadente westerlingen en ‘nazi’s’ zoals die in Oekraïne opnieuw aan de macht zijn. Het is alsof Rusland nog steeds bezig is, de Tweede Wereldoorlog te winnen. Dat moet de slachtpartijen en wreedheden van het huidige Rusland en vooral de omgekomen soldaten aanvaardbaar maken en enige glans geven.

Met zijn soepele koppeling van Ruslands ‘waarden’ aan die van onze eigen BBB, zijn we dus al enigszins voorbereid op de coup de force in zijn essay. Die komt erop neer dat Poetin, een man met een ‘ordescheppend vermogen’ (dixit Verbrugge), wel móest ingrijpen in Oekraïne omdat het Westen toezeggingen over het respecteren van Russische invloedssferen schond, en eerder al deels verantwoordelijk was voor de Maidan-revolutie, de opmaat tot de Russische annexatie van de Krim.

Hier schemert ook al de andere verrassing door die Verbrugge voor zijn lezers en kijkers in petto heeft: zijn expliciete steun aan een terugkeer van de ‘Monroe-doctrine’. Die steun is nog niet te vinden in De gezagscrisis, maar wel in een van zijn mondelinge commentaren op YouTube. In de doctrine van president Monroe uit 1823 werd gesproken over een ‘westelijke hemisfeer’ die niet alleen het grondgebied van Amerika omvat maar het hele continent waarin die staat ‘speciale belangen’ heeft. De doctrine heeft een lange geschiedenis die doorloopt tot aan de Tweede Wereldoorlog. Vanuit nazi-Duitsland toonde de jurist Carl Schmitt grote belangstelling voor de doctrine die hij terecht ‘hoogst elastisch’ noemt: zij legitimeerde de facto zowel het defensieve ‘recht op zelfverdediging’ van Amerika als agressieve, imperialistische interventiepolitiek. In 1923, zo ontdekte Schmitt, benadrukte de Amerikaanse staatssecretaris Hughes zelfs met zoveel woorden dat wat de Monroe-doctrine concreet betekent ‘gedefinieerd, geïnterpreteerd en gesanctioneerd wordt’ door de Verenigde Staten.

Donald-Trump
Beeld door: Pixabay

We kunnen de lijn zelfs doortrekken naar de discussies tijdens de Reagan- en zelfs Clinton-jaren over zogeheten ‘schurkenstaten’. Een schurkenstaat, zo demonstreerde de Amerikaanse politiek theoreticus Robert S. Litwak in zijn boek Rogue States (2000) kritisch, ‘is een staat die de Verenigde Staten als zodanig benoemt.’ Dat was de universalistische versie van de Monroe-doctrine: de Verenigde Staten bepaalt welke staat als een democratie kan gelden en welke niet, en dat legitimeert vervolgens allerlei vormen van bemoeienis met en interventie in die staten.

Donroe-doctrine

Met Trump zijn we niet alleen terug bij een nieuwe variant (‘Donroe-doctrine’) van de meer klassieke versie, waarbij de Verenigde Staten ‘recht’ heeft op zijn ‘achtertuin’, maar ook bij het absolute, ik ben zelfs geneigd te zeggen wereldhistorische hoogtepunt van Amerikaanse soevereiniteitsclaims. Vandaar ook de huidige actieve bemoeienis en agressie van de VS tegen een onwelgevallige staat als Venezuela, met als hoogtepunt de recente ontvoering van de president van dat land, maar ook de begerige blik op Groenland en Canada, alsmede de inmenging in binnenlandse aangelegenheden in de Europese politiek.

Wat ook terug van weggeweest lijkt, is de pressie op en afpersing van minder machtige staten, extractie van hun grondstoffen en kostbare metalen, kortom het hele arsenaal zoals dat min of meer gebruikelijk was in het koloniale tijdvak, ditmaal ook nog geholpen door de grote techbazen die hun eigen mondiale hegemonieën opbouwen.

De Franse econoom Arnaud Orain heeft in De eindigheid van de wereld (2025) onlangs de geschiedenis beschreven van die ‘roofzuchtige onttrekking’ waarvan we vandaag een nieuw hoofdstuk beleven. Hoe Verbrugge dit alles verenigbaar acht met de ‘deugdethiek’ in de traditie van Aristoteles en Thomas van Aquino waarin deugden als gematigdheid, verstandigheid en rechtvaardigheid worden aanbevolen, zal vermoedelijk zijn geheim blijven.

Wat we weten is dat hij er zich in een van zijn commentaren op DNW over verheugt dat Trump ‘tot heel bijzondere dingen in staat is’. Wat u zegt! Over Trump kan ik hier kort zijn. In klassieke politiek-filosofische termen had Trump zowel de politieke macht (potestas) als het technisch-militaire vermogen (potentia) om een einde te maken aan zowel de agressieoorlog van Poetin in Oekraïne als aan Israëls genocide in Gaza. Beide heeft hij verzuimd: Israëls oorlog in Gaza steunt hij tot de dag van vandaag, er is ook na het ‘fazenplan’ niet echt zicht op werkelijke vrede in Gaza, laat staan op een rechtvaardige vrede. En tegenover Oekraïne heeft hij een ronduit zwalkend beleid gevoerd – nu eens kreeg Zelensky de schuld van de oorlog tegen zijn land, dan weer verzekerde hij ons dat Poetin crazy was geworden.

Trump slaagt er daarbij maar slecht in zijn bewondering voor Poetin te verbergen, de man die er voor zijn imperiale ambities niet voor terugschrikt honderdduizenden eigen burgers te offeren. En tenslotte kan het niemand ontgaan dat Trumps persoonlijkheid een fascistoïde trek heeft, voor zover het historische fascisme altijd mede werd gekenmerkt door de minachting en haat tegen al het zwakke(re), kwetsbare en machteloze -tegen loosers dus.

De instabiliteit van 'offensief realisme'

In zijn expliciete steun voor de Monroe-doctrine beroept Verbrugge zich onder meer op de Amerikaanse politieke wetenschapper John Mearsheimer en zijn hoogst omstreden theorie van het ‘offensieve realisme’, dat erop neer komt dat grootmachten nu eenmaal streven naar regionale hegemonie en veiligheid binnen een onvermijdelijk anarchistisch internationaal systeem.

Maar in een wereld die kennis heeft gemaakt met de onder meer door Kant en Hegel (!) ontworpen democratische rechtsstaat waarin de waardigheid van de burger centraal staat, kan die agressie richting de Krim en Oekraïne nooit meer dan een tijdelijke oplossing zijn die zijn eigen instabiliteit in zich draagt. Verbrugge is dus ook ontrouw aan zijn grote voorbeeld Hegel. Die ingebakken instabiliteit betekent ook: er komt vroeg of laat een pay back time, zoals ook Europa in de tweede helft van de twintigste eeuw ging ervaren met betrekking tot zijn eigen verleden met zijn kolonies en slavernij. Critici van Mearsheimer wezen er ook op dat hij sinds de Russische invasie van Oekraïne onmiskenbaar de neiging heeft ‘Russische gruwelijkheden te minimaliseren’. Ook die neiging kopieert Verbrugge: in een van zijn mondelinge commentaren op DNW komt hij zelfs tot de bewering dat Poetin in Oekraïne ‘geen burgerdoelen attaqueert’. Hier heeft hij de feiten definitief voor fictie ingeruild – de nostalgische fictie dat Poetin recht heeft op zijn groot Russisch rijk en de daarbij horende ‘traditionele waarden’.

De onvermijdelijke ondergang van Europa

En Europa? In een op internet te vinden lezing in Gent in oktober vorig jaar voor een publiek van studenten, bekent Verbrugge zich als een aanhanger van Oswald Spengler (1880-1935) en diens Der Untergang des Abendlandes (deel 1 in 1918). Voor hem was dat een ‘openbaring’, zo horen we hem daar zeggen. Nu heb ik als filosoof geleerd om dan gealarmeerd te zijn. Niet alleen omdat de filosofie anders dan de theologie geen openbaringen (er)kent, maar ook uit de ervaring dat wie zich zo uitlaat, niet zelden zijn kritisch vermogen aan de wilgen heeft gehangen en getransformeerd is van kritisch lezer in fan en bekeerling.

Spenglers grand narrative dat pretendeerde de eigen logica van de geschiedenis te hebben ontdekt beslaat zo’n duizend jaar. Verbrugge legt vooral uit hoe Spengler beschrijft hoe ‘de oude vormenwereld verloren gaat’ en – zo vult hij de Duitser aan – in onze tijd vooral vanaf de jaren zestig individualisme, geldbelustheid, economisch denken en expertocratie de overhand krijgen, samen met het multiculturalisme dat ‘het vreemde binnenlaat’ en daarbij vooral niet wenst te ‘paternaliseren’. Hier sluipt ook een zekere xenofobie zijn denken binnen, die in De Gezagscrisis nog ontbrak.

Spengler voorspelde volgens Verbrugge ook het onvermijdelijk opdoemen van nieuw, post-democratisch ‘messiaans gezag’ en ‘caesaristische gestalten’. Wie Spengler erop naslaat, vindt inderdaad passages zoals de volgende. Wanneer in de democratie het geld heeft getriomfeerd en de politiek de oude orde heeft vernietigd ‘duikt uit de chaos een nieuwe, oppermachtige grootheid op die tot in de oergrond van al het worden afdaalt: de mens die uit het caesaristische hout gesneden is.’ Daarmee zijn we terug bij Trump en is de cirkel van Verbrugges wereldbeeld rond. Wanneer hij daarmee bedoelt dat de democratische rechtsstaat in de VS in een diepe crisis verzeild is geraakt, heeft hij misschien gelijk. Volgen we de politiek van de nostalgie à la Verbrugge, dan is Kleinstaterei en autocratie in een of andere vorm ook ons voorland.

In een van zijn mondelinge commentaren blijkt dat hij inderdaad zijn hoop gevestigd heeft op een radicaal- conservatieve omwenteling in Europa door verkiezingsoverwinningen van populistisch rechts. Dat zou tot gevolg hebben – de Canadese premier Marc Carney wees daar in Davos onlangs op – dat die naties stuk voor stuk de prooi kunnen worden van de grootmachten en hun autocraten Poetin, Trump en Xi.

In zijn laatste boek over Europa, Het continent zonder eigenschappen (2024) besteedt ook Peter Sloterdijk een hoofdstuk aan Spenglers werk dat hij karakteriseert als ‘een wereldhistorisch gefundeerde hermeneutiek van de verduistering’ die net na de nederlaag van Duitsland daar een ideale voedingsbodem vond. Hij is een heel stuk nuchterder dan Verbrugge over de actuele betekenis van Spenglers opus magnum. Herlezing van dat werk kan ons vooral ‘attenderen op de twijfelachtigheid van een consultatie uit de geest van het levensfilosofisch fatalisme, dat sinds enige tijd weer om zich heen lijkt te grijpen’.

Politiek is het volgens Peter Sloterdijk al helemaal onverstandig om je op Spengler te verlaten: hij hoorde in zijn tijd tot het kamp van de nationaal-conservatieve haviken. Men doet er volgens Sloterdijk in het algemeen altijd goed aan ‘zich in acht te nemen voor redders wier hulpdiensten weleens ernstiger gevolgen zouden kunnen hebben dan de problemen waarvoor ze hun recepten als oplossing aanbevelen’. Beter laat zich de waarschuwing tegen zowel Trump als zijn praise singer Verbrugge nauwelijks onder woorden brengen.

Theo 2018_TiU_431_deWit

Theo de Wit

Theoloog en politiek filosoof

Theo de Wit is verbonden aan Tilburg University.
Profiel-pagina
Al 9 reacties — praat mee.