Vorig jaar had ik het voorrecht de masterscriptie van Birgit Jaarsma te begeleiden, die onder andere tot dit artikel op Nieuwwij heeft geleid. Ik schrijf bewust over een voorrecht, omdat Birgit en ik zowel erg verschillen als veel gemeenschappelijk hebben, en dat erg goed werkte in het schrijfproces. Wij komen uit heel verschillende ‘hoeken’ van de kerk, en dat merk je in theologische accenten, gebruikte taal, perspectieven en horizon. Tegelijkertijd delen we op een dieper niveau dan alleen het rationele een liefde voor de kerk, voor mensen en voor God. En we delen het gevoel van urgentie voor de kerk van vandaag.

Zelf verkeer ik in tamelijk behoudende kringen waar de leegloop van de kerk relatief gezien nog wel meevalt (al moet ik er direct bij schrijven dat dit ‘meevallen’ natuurlijk niet moet wennen). Over het algemeen komen mensen trouw naar de kerkdiensten, participeren in het doordeweekse gemeentelijke leven, diverse leeftijdsgroepen zijn vertegenwoordigd en elk jaar worden kinderen gedoopt en doen jongeren geloofsbelijdenis. En toch: ook als alles op het oog ‘goed draait’, betekent dat nog niet dat je de taal van de samenleving spreekt, laat staan dat je mensen buiten de kerk bereikt voor wie de kerk wel van betekenis zou moeten zijn. Birgit deelt deze urgentie vanuit een ander uitgangspunt, maar met een scherpe diagnose.

Birgit schrijft: ‘We proberen vaak individueel te herstellen wat collectief is ontwricht.’ Dat is zó raak. Dragende gemeenschappen zijn verdwenen, terwijl de eisen aan het individu zijn opgeschroefd. Zie ter illustratie alleen al wat je tegenwoordig moet verdienen om ergens te kunnen wonen. Mijn vader was chef werkplaats van een autobedrijf, mijn moeder huisvrouw. Toch woonden we in een hoekhuis, en kocht mijn vader het huis van de buren erbij om de zolder door te trekken toen het gezin groeide (ik ben de oudste van acht). Zoiets is tegenwoordig vrijwel onvoorstelbaar: ieder aan het betaalde werk (dus minder ruimte voor vrijwilligerswerk ofwel onbezoldigd oog hebben voor elkaar).

Aan de basis ligt de moderne mythe van de zelfredzaamheid en van de autonomie. Ik noem die een mythe omdat het een verhaal is waarin breed wordt geloofd, maar dat geen objectieve waarheid is. Ieder mens komt compleet onzelfredzaam ter wereld en als je maar lang genoeg leeft, word je vanzelf weer compleet afhankelijk van de mensen om je heen. Tussendoor koesteren we de mythe van de autonomie – ook omdat die het best past bij die andere mythe, die van de mens als primair consument.

Tegen deze achtergrond kan de kerk opnieuw de oefenplaats voor kwetsbaarheid worden die ze altijd is geweest. Het veldhospitaal voor de gewonden – en wie is er eigenlijk niet gewond? Dat inzicht deed zich het sterkst aan mij voor toen ik een ruime week in Lourdes verbleef. Daar wilde ik na het schrijven van mijn Mariaboek graag naartoe. In Lourdes zijn tal van mensen die door ziekte en door het leven getekend zijn, omringd door tal van helpende engelen. Toen ik meeliep in de processie besefte ik: aan sommige mensen kun je zien hoe gebroken ze zijn, maar loopt niet door ieder leven een scheur?

Wat Birgit Jaarsma schrijft, spreekt mij dus aan. Natuurlijk zou ik zelf een en ander anders verwoorden. Ik zou nog meer nadruk leggen op Jezus Christus: Hij kwam onze kwetsbaarheid delen, aarzelt niet om daarbij ook van schuld te spreken, maar wel om ons daarvan te verlossen. Hij is de goede herder die onze kwetsbaarheden kent en belooft te genezen. Veerkracht is dus ook niet ons project, maar een gave – uiteindelijk van God.

Het mooie van Jaarsma’s visie op de kerk is dat vorm en inhoud elkaar raken. Zij schrijft over de kerk als ‘plek waar het tempo vertraagt, waar stilte ruimte krijgt, waar zorg niet geleverd maar gedeeld wordt’. Daar zit in de taal al ruimte en verstilling. Het proza wordt bijna poëzie. De kunst die Jaarsma aan haar bijdrage toevoegt, is geen franje, maar onderdeel van het geheel. Zo deed ze al bij haar scriptie. Zo’n creatieve manier van verwoorden en verbeelden, zo’n zoeken naar nieuwe vormen en inhouden, schuurt natuurlijk met bestaande verbanden. Hoe formeler de verbanden, des te meer frictie. Precies zoals je mag verwachten in een samenleving die hoe langer hoe meer een netwerksamenleving wordt.

Wat mij betreft geeft Birgit Jaarsma een voorbeeld van hoe je over de kerk nieuw kunt denken: kritisch, publiek en door en door kwetsbaar. Het inspirerende is dat ook wanneer theologische achtergronden en overtuigingen verschillen, haar voorstel je aan het denken zet over je eigen kwetsbaarheid en je eigen context.

Arnold Huijgen werd op 14 november jl. de nieuwe Theoloog der Nederlanden. Hij sprak daarbij deze aanvaardingsspeech uit.

Lees ook

Schermafbeelding 2026-01-09 214300

Een kerk van glas

Over de kerk als oefenplek van vertrouwen, nabijheid en gedeelde menselijkheid

arnoldhuijgen-230511dv048

Arnold Huijgen

Arnold Huijgen (1978) is theoloog en predikant. Hij is Theoloog der Nederlanden 2025-2026. Sinds 2022 is hij hoogleraar systematische …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.