Er staat een groep internationale journalisten op een heuvel begeleid door zwaarbewapende soldaten. In de verte, alleen te zien via sterke fotolenzen, bevindt zich wat over is van dat deel van Gaza. Ze zijn daar om verslag te doen van de actuele situatie vanuit hun journalistieke professie, althans dat is de bedoeling. Maar een kind kan zien dat een verslag maken van de gang van zaken in Gaza vanuit dit punt onmogelijk is. Laat staan een kritisch verslag. Vergeefs richten de journalisten hun camera’s op de schemerige verten, waarin voornamelijk veel kapot geschoten gebouwen zichtbaar zijn. Wanneer een van hen een stap verder zet om meer te kunnen zien wordt hij direct teruggefloten door de militairen. Deze journalisten zijn door de screening vooraf gekomen en als ongevaarlijk beschouwd. Echt kritische journalisten komen zelfs deze heuvel niet op. Je moet ‘neutraal’ genoeg zijn als journalist.
Wanneer blijft iets nog journalistiek te noemen? Bestaat dat, een neutrale journalist? Fréderike Geerdink noemt dat ‘het sprookje van de objectiviteit’. Zij is bekend van vele artikelen en ook van haar boek over haar tijd bij de Koerden: Dit vuur dooft nooit. Ze was tussen 2006 en 2020 correspondent in Turkije en Koerdistan. Ze werd kort gevangen genomen en uiteindelijk Turkije uitgezet.
In haar nieuwste boek gaat zij uit van de stelling: Alle journalistiek is activisme (2025). Daarin onderscheidt zij drie verschillende fases in de uitoefening van het vak: 1. de ondersteuner van de macht, 2. de ongebonden waakhond, 3. de pleitbezorger voor sociale verandering. Niet elke journalist komt uiteindelijk in fase 3 terecht. Een journalist begint, en zo begon zij ook dertig jaar geleden in Enschede, als ‘ongebonden waakhond’.
Uit het onderzoek dat zij een paar jaar geleden deed voor de Edinburgh Napier University is gebleken dat journalisten die in westerse landen bij gevestigde media werken zichzelf als ‘detached watchdog’ zien. Ze schrijft daarover: ‘Er zijn vrijwel geen journalisten die zich identificeren als ondersteuner van de macht, en er zijn ook niet veel die zich zelf beschrijven als pleitbezorger voor sociale verandering. De ongebonden waakhond weet dat objectiviteit niet bestaat, maar hij vindt het wel een mooi streven.’
Objectiviteit vindt zij een sprookje, iedere journalist heeft immers een positie, bijvoorbeeld wit zijn, in dienst van een krant of tv-programma en afhankelijk van de eindredacteur die weer rekening heeft te houden met zijn kijkers, adverteerders en abonnees. Het is moeilijk om in die positie geheel vrij en kritisch naar het maatschappelijk gebeuren te kijken, zoals journalisten in de VS nu aan den lijve ondervinden. Want waar ligt de macht in Amerika, hier in Nederland en elders?
In haar boek laat Fréderike Geerdink zien hoe de moderne journalistiek zich ontwikkeld heeft. In Nederland kon lange tijd een voorman van een partij ook hoofdredacteur of oprichter van een krant zijn zoals Abraham Kuyper (De Standaard), Pieter Jelles Troelstra (Het volk), Herman Schaepman (De Tijd). Later kwam er een scheiding van de politieke macht en de journalistiek. En ook waaide via Amerika het begrip objectiviteit over. Toch komt dat begrip in de beroepscode voor journalisten (Code van Bordeaux (1954) niet eens voor. En later in het Mondiaal Ethisch Handvest voor Journalisten (2019) ook niet.
Geerdink citeert met instemming de preambule en die is in deze tijd veelbetekenend en actueel: ‘Het recht van iedereen op toegang tot informatie en ideeën, herhaald in artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, ligt ten grondslag aan de missie van de journalistiek. De verantwoordelijkheid van journalisten jegens het publiek heeft voorrang op iedere andere verantwoordelijkheid, in het bijzonder jegens hun werkgevers en de overheid.’ En ze concludeert: ‘De taak van de journalistiek ligt besloten in de universele mensenrechten.’ Een journalist heeft als belangrijkste plicht volgens het Handvest: ‘Respect voor de feiten en voor het recht van het publiek op waarheid.’ En in die beroepscode staat ook een artikel over discriminatie en racisme, puntig samengevat in de Nederlandse vertaling ervan: ‘Een journalist zet niet aan tot haat, discriminatie en racisme.
De waarheid, de feiten en de macht
Dat maakte de Palestijns-Nederlandse kunstenaar, filmmaker en fotograaf Sakir Khader ook duidelijk toen hij in Zomergasten 2025 kritisch bevraagd werd of hij in zijn werk niet meer de twee kanten van een conflict kon laten zien waarop hij antwoordde: ‘Ik laat de waarheid zien.’ Als je dat als taak ziet dan verlies je vaak de toegang tot de macht, ‘terwijl toegang tot de macht in de westerse journalistiek juist een proeve van bekwaamheid is’, zo stelt Geerdink, maar ‘hoezo is dat een verdienste van een journalistieke organisatie?’
En ze voegt daaraan toe: ‘Juist media die er niet naar streven toegang te hebben tot de macht, bedrijven vaak de scherpste journalistiek. Alleen zijn de feiten en de waarheid vaak nogal een warboel.’ En die zijn dus onderhevig aan machtsmisbruik. Geerdink noemt als tweede plicht: eerlijkheid, namelijk: het eerlijk verzamelen en publiceren van nieuws. En waarheid en eerlijkheid betekenen voor haar ook: de juiste woorden gebruiken.
Vergelijk eens actuele discussie: kies je voor het woord radicaal-rechts of extreem-rechts bij het beschrijven van een partij of partijlid? Daarbij lukt het als journalist niet om onpartijdig te zijn. Ze stelt: ‘Ik ga zelfs nog een stap verder en stel dat journalistiek en onpartijdigheid elkaar uitsluiten.’ Dus journalistiek is altijd een standpunt, is vaak activistisch en komt snel in conflict met een macht. Veel journalisten laten daarbij op gewelddadige manier het leven.
In haar boek laat ze hiervan enkele voorbeelden zien met name gerelateerd aan actuele situaties in de wereld en haar eigen ervaringen als journalist door de jaren heen. Toch wordt via het mooie project Forbidden Stories, een internationaal netwerk van journalisten, het werk van vermoorde journalisten voortgezet en kunnen bedreigde journalisten hun werk in de onderzoeksfase via een beveiligd systeem delen.
Dat conflict met de macht speelt ook in de hoogste organisaties: de laatste maanden wordt de positie van Francesca Albanese als officiële rapporteur voor de Palestijnse gebieden bij de VN en vertolker van de situatie daar voortdurend betwist en nu is er zelfs een roep om haar ontslag. Is zij met haar werk in de VN en daarbuiten voor velen te activistisch in haar benadering van waarheid en feiten? Te feitelijk voor hen die een zogenaamd neutrale weergave nastreven? Te bedreigend voor een evenwicht in de macht in de VN?
Waar ligt de macht van de journalist én de lezer?
Eigenlijk moeten we ons bij allerlei krantenkoppen en ook zeker bij het journaal en nieuws- en praatprogramma’s voortdurend afvragen hoe neutraal of objectief de berichtgeving is of kán zijn in de gegeven situatie, want ongemerkt ligt er al in de gebruikte woordkeuze een bepaalde denkrichting. Oplettende krantenlezers maken daar in commentaren vaak gewag van door zulke zinsneden of krantenkoppen te bekritiseren. Voor Fréderike Geerdink is het inmiddels duidelijk dat er geen neutrale journalistieke weergave van een gebeurtenis mogelijk is. Die objectiviteit is afhankelijk van feiten, maar welke feiten worden benadrukt en in welke volgorde? Ieder schrijft immers vanuit zijn of haar eigen perspectief.
De vraag die Geerdink zichzelf telkens stelt is: waar ligt de macht? Maar hierop kun je teksten, beelden en verslagen wel bevragen. In Bijbelstudies vanuit feministisch perspectief ontstond in de jaren zeventig en tachtig een reeks simpele vragen, die men al lezend aan de tekst stelde om de patriarchale macht aan het licht te brengen: ‘Wie is aan het woord en wie niet? Over wie wordt alleen gesproken door anderen? Wie handelt, wie niet?’ Zulke vragen braken Bijbelteksten open die eeuwenlang als normaal beschouwd werden en maakten vaak de nadelige positie van de vrouwen in het verhaal pijnlijk duidelijk, maar ook van de onderdrukte mens ten opzichte van de onderdrukker of degene die toevallig iets meer macht had in het verhaal.
Fréderike Geerdink formuleert haar vragen aan de journalistiek op gelijke wijze: ‘Wie is de kolonisator, wie de gekoloniseerde? Wie krijgt het stempel terrorist, wie niet? Voor wie geldt in de praktijk het internationaal recht, en voor wie niet? Wie behoort tot de gevestigde macht en wie niet?’ Hier ligt voor journalisten in deze tijd veel werk voor het oprapen, een taak die Fréderike Geerdink in haar journalistieke werk in volle ernst op zich heeft genomen en via dit interessante en tegelijk confronterende boek deelt met ons.
En wij als lezers van de krant, tijdschriften en sociale media, als kijkers van journaal en opinieprogramma’s, wat is hierin onze taak? Misschien werkt het om onszelf af en toe bovengenoemde vragen te stellen. En zo onze witte of roze bril af te zetten om het perspectief van de ander te leren (h)erkennen. En dat vraagt om activistisch lezen én zoeken naar de ‘ware’ journalistieke weergave van de gebeurtenissen om ons heen.
