Onlangs leidde mijn zoontje een bevriend stel uit Utrecht door ons huis in Gent. Hij lokte het koppel naar zijn kamer, waar hij ze iets wilde ‘tonen’. ’s Avonds ontstond een gesprek. Was ‘tonen’ niet archaïsch, in Nederland verdrongen door het vlottere ‘laten zien’? Ik vertelde hoe vaak taal in vraag gesteld wordt als je binnen de taalregio verhuist. In Gent volstond het meestal om mijn Antwerpse tongval te maskeren, eenmaal in de Nederlandse Randstad werden de aanpassingen radicaler.
Toen ik als hogeschooldocent in Amsterdam het vak Nederlands uit het slop mocht trekken, werd me vaak duidelijk gemaakt welke taal standaard was en welke niet. Studenten noemden mijn doffe ǝ in het bepaalde lidwoord ‘het’ naast schattig ook ronduit fout. En het woord ‘prioriteit’ was al moeilijk genoeg, onzin dat dit rare woord nog familie had in andere woordsoorten. Dus ik ging anders prioriteren, een ander paar mouwen werd andere koek, vijgen na Pasen veranderden in mosterd na de maaltijd, de zetel in de living maakte plaats voor de bank in de woonkamer. ‘Weten hoe de hazen lopen’ werd mijn favoriete nieuwe uitdrukking. En mijn achterhoofd riposteerde ik in stilte: ‘je weet pas echt hoe de hazen lopen als je de fond van de zaak begrijpt’.
Lieten de laatste zinnen u even richtingloos tollen, lieve lezer? Goed zo. In monsterlijke tijden moeten we juist over grenzen heen nadenken over hoe taal begrenst en klein maakt. En vooral: hoe taal ook muren openbreekt en de toegangspoort vormt tot duizelingwekkende verbeelding.
Begin november was de Franse socioloog Éric Fassin op bezoek in Gent. In een universiteitsaula schetste hij de recente geschiedenis van anti-intellectualisme als aanvalstactiek van monsters die de democratie willen afbreken. Ook de taal is een favoriet doelwit van hen.
In het panel en publiek ontstond even een discussie. Moeten we de monsters fascistisch noemen of neofascistisch? Of verkiezen we termen als neoliberalisme of autoritarisme? Maar welke woorden we ook kiezen, de ervaring is gedeeld. We horen allemaal het dreigende gezoem van (al dan niet verzonnen) drones boven onze hoofden. Campagnes voor noodpakketten sluipen het Sinterklaasjournaal binnen. Niet enkel de zeventienjarigen, ook de zevenjarigen van de Lage Landen wordt geleerd dat grenzen bewaakt moeten worden in plaats van opengebroken. In beide landen worden de meest kritische en antimilitaristische stemmen, die blootleggen hoe de hazen lopen en wat in kille tijden de fond van de zaak is, het zwaarst getroffen.
Monddood gemaakte weerwoorden kunnen niet langer blootleggen welke woorden gewelddadig zijn. Daarom is de vraag of we de kaalslag ‘bezuinigingen’ of ‘besparingen’ noemen niet meer dan een tijdrovende onbenulligheid. Want voor we besluiten welke woorden geschikt zijn om zorgwekkende evoluties te duiden, hebben de monsters al een berg woorden gulzig ingeslikt.
Sarah Bracke, landgenote en professor sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, vertelde na de lezing van Fassin hoe het begrip ‘sociale veiligheid’ gekaapt werd. Terwijl nieuwe diversiteitsexperts, tuchtraden en inclusiegroepjes ontstaan, wordt de zinsnede ‘ik voel me onveilig’ al meer dan twee jaar luidkeels geroepen door zionistische stemmen. Je kent ze wel, de stemmen die een etnostaat gebouwd op apartheid en genocide halsstarrig de enige democratie in het Midden-Oosten blijven noemen.
‘Safe spaces’ zijn overmeesterd en op de hitlist gezet. Exit veiligheid, enter verzet? Op meerdere plekken ontstaan ‘brave spaces’, broeihaarden van speelse weerstand, waar pijn en verlangens mogen botsen en waar we moed kunnen verzamelen. Plekken waar we ook bewust naar onze taal kijken: wat delen we, wat leert de taal ons, welke stukken van de geschiedenis maakt taal zichtbaar, hoe gebruiken we haar om vragen en ervaringen van de Ander onder het tapijt of buiten ons blikveld te schuiven? Wie krijgt hoofdletters en waarom? Zinnen uit het verleden klinken plots brandend actueel. ‘Hoe laat is het? SolidariTIJD!’
Op dit scharnierpunt is naast ‘solidaritijd’ ook een taal nodig die zich kan heruitvinden. Dat klinkt misschien zwaar, maar het is in wezen een speels en verfrissend proces. Dat mocht ik ervaren tijdens de eerste workshop van het bevlogen clubje dat in Vlaanderen een Herstelwoordenboek samenstelt. Op de website vind ik het mooie woord ‘vlerkewerk’, ‘een werkje dat je ruimte geeft en je vaak met een zucht van verlichting optilt’.
Tijdens de workshop lag ‘herstelwoordenboek’ in letterkoekjes op tafel. Een prachtig woord, dat meteen tot de verbeelding spreekt. Maar fabriekskoekjes missen chi, ki, levensenergie. Als je met je handpalm achtereenvolgens een berg koekjes en vers geschilde appelpartje scant, voel je duidelijk wat het meest tintelt. Op deze manier wil ik op zoek naar levende taal die onder onze handen vonkjes verspreidt en toekomstpaden toont.
Een belofte die daar voor mij bij hoort, is dat ik geen bots of algoritmes inschakel om met jou te spreken. Want taal heeft een hartslag nodig om onze gedeelde menselijkheid tastbaar te maken. En het natuurlijke ritme van taal lijkt op dat van golven en kustlijnen, van eb en vloed, van aanspoelen en wegnemen, verleiden en terugtrekken, overspoelen en met rake vragen achterlaten. ‘Vertraagvragen’ werden ze tijdens de workshop rond de brandende kachel genoemd. Monsters en robots krijgen er geen vat op en wij leren elkaar dieper kennen als we ze aan elkaar stellen.
Ik hoop dat het Herstelwoordenboek over grenzen en op meerdere plekken mensen zal samenbrengen om kritisch te kijken naar de taal die we gebruiken. Het is heerlijk vlerkewerk: nieuwe woorden verzinnen die naast betekenis ook warmte brengen, op zoek gaan naar ongeopende deuren en betekenissen die vervormden of verloren gingen, naar de wijsheid die we daarmee kwijtraakten.
Vliegen jullie mee? Kijk, daar beneden staan fruitbomen. Zullen we ‘vroegrijp’ bewaren voor vruchten die op korte tijd veel zonlicht hebben opgezogen? De lichamen van pubermeisjes worden in deze samenleving al genoeg geobjectiveerd, laat de associatie met ‘plukklaar’ maar achterwege.
We zitten in hetzelfde schuitje, een bootje in stormweer, een glijbaan naar een monsterwereld. Niets monsterlijks is ons vreemd, maar bovenal zijn we menselijke dieren, medemensen. Dus laten elkaar vasthouden op de glijbaan. Wie weet ontdekken we een fijne afslag of een pen in onze handen, die woorden schrijft die deuren openen, wegen toont die we kunnen volgen, weg uit de beklemmende tijdsgeest van drones, bots en monsters.

Is taal niet bij uitstek de taal van de macht? Bijvoorbeeld het woord asielcrisis. Dat kun je lezen als “de opvang is niet goed geregeld en er is teveel omgebogen- bezuinigd- waardoor asielzoekenden buiten moeten slapen” of “we worden overspoeld door gelukszoekers en de grenzen moeten daarom dicht, dan lossen we de crisis effectief op”. Inmiddels is die laatste betekenis succesvol in de samenleving geïmplementeerd.
Je hebt gelijk. Broeihaarden van (speelse) weerstand zijn erg nodig. Taal is te belangrijk uit het uit handen te geven aan macht.
P(k)rachtig lieve vriendin Marie.
Zo gebruik ik al jaren het woord verlieven en sinds deze afgelopen twee jaren van genocidale ellende begin ik lang te saam mezelf weer te vinden in plaats van steeds naar buiten uit te rijken. Waar je op wederzijds begrip kan wachten tot Sint Juttemis en toch vraagt het uitwisseling, ubuntu wise.
Heel fijn om je weer te lezen, jouw woordklanken strelen de ziel, juist die schuring is broodnodig. Dank voor dit en deel het met dierbaren.