Over twee maanden moet Jeannet de woning uit waar ze al ruim veertig jaar woont; het is een oud appartement in een monument en het zal worden opgeknapt. Daarna gaat de huur omhoog en komt er een monumententoeslag bij, die niet wordt vergoed door de huursubsidie die Jeannet krijgt. Met haar bescheiden inkomen als schoonmaakster betekent dit dat ze niet meer kan terugkeren naar haar vertrouwde stek. En wat haar nog veel meer zorgen baart: ze kan waarschijnlijk nergens in de buurt nog een woning vinden, want overal stijgen de huurprijzen en veel sociale huurwoningen worden door de woningbouwvereniging verkocht. Haar eigen buurt uit: ze kan zich er niets bij voorstellen. Dit is haar thuis. Bovendien neemt ze een groot deel van de zorg voor haar kleinkind op zich, dat ook in de buurt woont. Zo kan haar schoondochter een opleiding doen en daardoor een betere baan krijgen. Jeannet is dol op de jongen, en hij is aan zijn oma verknocht. Ze heeft haar zoon, die zelf bij de woningbouwvereniging werkt, gevraagd of hij niets kan doen, maar dit procedé is onderdeel van beleid van bovenaf waar hij geen invloed op heeft.

Ligt er in deze situatie een taak voor de diaconie van de gemeente in diezelfde stad? Er is geen sprake van directe materiele nood. Jeannet heeft het niet breed, maar ze kan rondkomen met behulp van huursubsidie en toeslagen en dankzij haar netwerk in de buurt. Maar waar mensen uit hun vertrouwde sociale structuren worden gehaald, ligt armoede sneller op de loer. Bovendien wordt het moeilijker een beter bestaan op te bouwen. Jeannet krijgt door het gedwongen vertrek uit haar woning te maken met veel praktische problemen, psychische druk en verlies aan sociale context. Haar hele leven staat in feite op zijn kop. Zij is niet de enige die dit overkomt, want overal in de grote steden dreigen mensen met lage inkomens uit de binnensteden te worden verdreven.

Pannetje soep

Is er in deze situatie een taak voor de kerk en de diaconie? Jeannet is geen lid van de kerk, ze zal zelf geen beroep doen op de diaconie. Weet de kerk überhaupt wat er gaande is en trekt men zich haar situatie aan? Bovendien: met enig creatief knutselwerk en goede contacten kan voor Jeannet misschien een oplossing worden gevonden; maar wie ook anderen in haar situatie wil bijstaan, moet op zoek naar oorzaken. Dan stuit je al snel op politiek beleid, economische structuren en machtige instituten. Hier is een brede en langdurige maatschappelijke betrokkenheid gevraagd. Ligt dat op de weg van de kerk en/of de diaconie?

Het antwoord op deze vragen heeft alles te maken met de visie op de diaconale taak van de kerk. Wie daarbij vooral denkt aan het pannetje soep voor de armen, aan de leniging van directe nood op de korte termijn, is hier snel klaar: soep heeft Jeannet niet nodig. Maar die negentiende-eeuwse opvatting van diaconie is veranderd door de twintigste-eeuwse gedachtes over de opdracht van de kerk in de wereld in navolging van Gods liefde voor heel die wereld. Mensen van de kerk trokken de steden in om daar te zijn waar mensen in de knel zaten, juist op de plekken waar de secularisatie de kerken uit het dagelijks leven had verdreven.

Initiatieven als het Oude Wijken Pastoraat, het straatpastoraat en het Kerk & Buurtwerk ontstonden. Voor hen was diaconie geen extra taak die de kerk op zich neemt, maar uitdrukking van Gods Barmhartigheid en Gerechtigheid, die al het kerkenwerk zou moeten doortrekken. Helpen blééf een belangrijke taak, maar soms wel onder protest, want inmiddels had de overheid een belangrijke taak gekregen in het scheppen van rechtvaardige verhoudingen. Zo kreeg het profetische element in de diaconie nieuwe aandacht. Het helpen kreeg ook een ander gezicht: het soms paternalistische en vaak oplossingsgerichte handelen kwam onder kritiek. Er werd geoefend met nieuwe vormen van diaconale presentie: met mensen optrekken en samen met hen het leven uithouden, ook als dat niet tot verbeteringen leidde.

Al dit werk speelde zich voornamelijk in de centra van de grote steden af. Die veranderen nu onder invloed van processen zoals die waardoor Jeannet haar huis uit moet. Dat betekent dat de kerken in de eenentwintigste eeuw voor nieuwe vragen staan.

Groeiende ongelijkheid

Daarbij blijft het uitgangspunt van de diaconale opdracht overeind: het brood dat tijdens het avondmaal met elkaar wordt gedeeld, kan de gemeente niet voor zichzelf houden. Dit materiele, lichamelijke moment waarop het brood gebroken wordt is verbonden met het ongedurige verlangen waarmee de kerk uitziet naar de komst van Gods Koninkrijk in deze wereld. Daarom staat diaconie in het hart van de kerk en van het geloof. Het heeft een vaste plaats in de liturgie: in het avondmaal, tijdens het gebed voor de nood van de wereld en dan ook weer tijdens de voorbeden. De bijbelse verhalen roepen vragen op over ieders betrokkenheid bij lijden en onrecht in de wereld, die in de preek aan de orde komen. Al deze liturgische momenten verbinden de gemeenteleden zowel met Christus als met de wereld om hen heen.

Hoe kan daaraan handen en voeten worden gegeven in een wereld die bepaald wordt door complexe ontwikkelingen, die lokale, Europese en globale structuren met elkaar verbinden? In de buurt van Jeannet bouwt een internationale firma sinds kort luxe appartementen voor de superrijken, Vaak worden die weer doorverkocht voor nog meer geld. Voor de buurt levert dat niets op, want het geld verdwijnt grotendeels naar het buitenland. Het drijft wel de huizenprijzen op, waardoor mensen met lagere inkomens hun vertrouwde buurt uitgeduwd worden. De ongelijkheid in onze samenleving neemt toe en dat gaat gepaard met toenemende segregatie: de rijken en de armen wonen steeds minder bij elkaar in de straat. Ze leven in verschillende werelden.

Kerken kampen intussen ook met krimp van leden en middelen, en ze worden bovendien vaker met bevreemding bekeken. De verleiding is groot de beperkte energie toch maar eerst in de eigen gemeente te steken. De vraag is of er dan nog sprake is van werkelijk kerk zijn. Tenslotte is de kerk geen vriendschapsvereniging, maar de plek waar Gods liefde voor de wereld beleden en ge/beoefend wordt. Kerken doen er daarom goed aan met Jeannet te gaan praten, naar haar verhaal te luisteren en zowel aandacht te geven aan haar persoonlijke nood als de vraag te stellen waardoor die wordt veroorzaakt. En inderdaad, dat vraagt om een brede en langdurige maatschappelijke betrokkenheid.

soep
Diaconaat: meer dan een kommetje soep Beeld door: Pixabay

Publiek domein

Maar waar komen diakenen en gemeenteleden Jeannet tegen? Met de schoonmaakster een echt gesprek aanknopen is er doorgaans niet bij; als wij op ons werk aankomen, vertrekt zij en ze heeft sowieso geen tijd voor een praatje. Zolang ze nog in de buurt woont, is er nog een gesprekje mogelijk bij de buurtsuper of op de kinderspeelplaats, maar als ze eenmaal naar de rand van de stad is verhuisd, wordt die kans steeds kleiner. Wordt ze nog waargenomen door de gemeente daar (voor zover die er is)? Zelf zal ze dan veel tijd kwijt zijn met heen en weer reizen naar haar werk als schoonmaakster van kantoren in de binnenstad en naar haar kleinkind.

Zo roept de groeiende ongelijkheid en segregatie de vraag op waar mensen van verschillende achtergronden elkaar nog ontmoeten. Elke groep heeft zijn eigen informatiekanalen, digitale platforms, politieke partijen en sociale structuren. De fysieke publieke ruimte krimpt door de verkoop van publieke grond aan particuliere bedrijven en het ontstaan zogenaamde gated communities voor welgestelden.

Deze ontwikkelingen treffen niet alleen Jeannet, maar ook de kerk in de binnenstad. De buren van de kerk veranderen en worden minder toegankelijk, vooral als het gaat om internationale bedrijven of bewoners die hun appartement via Airb&b aan anderen verhuren. Daarnaast heeft de kerk moeilijker toegang tot de publieke ruimte, onder meer door de individualisering van publieke stemmen én van religieuze betrokkenheid. Zo verkleint zich op allerlei manieren de ruimte voor ontmoeting tussen mensen met verschillende achtergronden.

Nieuwe diaconale vragen

Het gezamenlijk breken en delen van het brood in de kerk is een ontmoeting, die verandert. Heel even kijkt de gemeente met Christus in het Koninkrijk, waarin recht en vrede voor allen heerst. Dat dragen kerkmensen met zich mee, de hele wereld door. Het is daarom deel van de taak van de kerk zich in te zetten voor de mogelijkheid van ontmoeting tussen heel verschillende mensen, met bijzondere aandacht voor mensen die weinig of geen stem hebben. Dat opent nieuwe diaconale vragen voor de kerk in de eenentwintigste-eeuw, zoals de inzet voor behoud van het publieke domein (en een plek daarin), de aanwezigheid van mensen met lage (of geen) inkomens in de binnensteden, in culturele – en andere centra en in de digitale ruimte. En dat vraagt een brede, langdurige, maatschappelijke betrokkenheid.

N.B. Jeannet heeft in werkelijkheid een andere naam en een ander beroep (in dezelfde inkomensgroep). Dit is gedaan om haar privacy te beschermen.

Dit artikel is gepubliceerd in Woord & Dienst. Meer informatie is te vinden op de website van het Boekencentrum.

Erica Meijers

Erica Meijers

Universitair docent

Erica Meijers (1966) studeerde theologie en geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en de Université Protestante de Strasbourg. In …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.