Er is één moment waarop de filosofische hervertelling De vlucht van de vogels, van de Perzisch-islamitische apotheker, parfumeur en dichter Farid ad-Din Attar even kraakt en barst, en dat is als het woord ‘stripboeken’ valt. Het sprookjesachtige verhaal uit 1177  is dan al flink op streek. Plotseling breekt de moderniteit daar even doorheen: in de vallei van het inzicht, een landschap vol boeken, waar zeker de uil zijn geluk niet op kan, spreekt één van de vogels de hoop uit dat er ook stripboeken zullen zijn. Pijnlijk.

Zeker in een boek dat zelf het tegendeel van een stripboek is. Prachtig geïllustreerd, mooi vormgegeven, op stevig papier, een hard kaft… Ik huiverde even. Had die vogel niet beter kunnen vragen naar ehm… prentenboeken?

Misschien flauw om een bespreking hiermee te beginnen. Maar het korte moment van ergernis toonde me juist hoezeer ik was meegenomen door het verhaal, en hoe graag ik daar ook weer naar terugkeerde. Er zou hierna gelukkig geen enkel ander moment volgen waarop ik me opnieuw ergens aan schampte. Integendeel.

Alleen al dat is een verdienste van Sabine Wassenberg en Kamel Essabane, van wie ik de hervertelling van De zoon van de gazelle, een Arabische klassieker, geschreven in de twaalfde eeuw door Ibn Tufayl, (uitgeverij Samsara, 2022) ook al met zoveel interesse, plezier en bewondering las, en meermaals herlas: beiden verstaan de kunst om een eeuwenoude vertelling mooi oud te laten, én taal te gebruiken waarmee kinderen uit de voeten kunnen. Echter, zonder zelf op de hurken te gaan zitten en kinderen toe te spreken in hun (gemeten dan wel veronderstelde) woordenschat en aan te sluiten bij ‘hun’ werkelijkheid, opdat het allemaal reuze herkenbaar wordt en voorlezende ouders eventueel kunnen genieten van ironische knipoogjes bij al die keren dat er wordt gezinspeeld op de actualiteit.

Vervelend, zogenaamd drempelverlagend doelgroepenproza is dat. Er schijnbaar op gericht om kinderen en hun opvoeders enthousiast te maken voor het lezen van boeken, door pagina na pagina te bewijzen dat het allemaal heus niet moeilijk hoeft te zijn en dat een boek hét medium is om kinderen te leren dat pesten pijn doet, dat de mooie natuur graag plasticvrij blijft, dat het in een huis met twee papa’s ook heel gezellig is en dat een mama met een hoofddoekje heus wel werkt en echt niet alleen maar heerlijke koekjes bakt.

Zeker, Guus Kuijer kon zulke dingen. Of Lydia Rood. Maar nog zonder dat bloedeloos belerende toontje dat later in zwang raakte, bijvoorbeeld bij BN’ers en een aangetrouwde prinses met de ene na de andere vluchtige, mediagenieke missie.

Daarmee is overigens niet gezegd dat Wassenberg en Essabane géén missie zouden hebben – laat staan dat ik hier wil beweren dat het hebben van een missie, of het volgen van een roeping, per definitie fout zou zijn. Het is de berekening die dit zo onverdraaglijk kan maken.

In De vlucht van de vogels voel je vooral de eerbiedige verwondering van mensen die in het oude verhaal van  iets hebben aangetroffen dat hen tot vragen stellen aanzette, én tot het ervaren van iets dat je mystiek kunt noemen, heilig – in het leven dat mensen toen en nu en morgen, en over de hele wereld leven.

VP 123 Zwaluw die zomer maakt

De vogels komen met twijfels en bezwaren

Voorpublicatie uit 'De vlucht van de vogels', een hervertelling van Mantiq at-Tayr

Want ja, die vogels: dat zijn wij. Hun reis is de onze. Daarbij staat het iedereen vrij om mee op weg te gaan of niet, om ergens halverwege te blijven, ‘Hier is het al goed, waarom zou ik nog langer verder zoeken?’ of teleurgesteld terug te keren naar het veilige, vertrouwde leven thuis. Een waardeoordeel daarover blijft uit.

Nog mooier: geen enkele vogel die, op het voorstel van de hop, mee op zoek gaat naar de grote koning van alle vogels, de Simoerg, hoeft daarbij iets van zijn of haar eigenheid in te leveren. De gehechtheid daaraan wél. Maar ten slotte zullen juist de onderlinge verschillen de kracht van de overblijvende vogels uitmaken, en in elk van de zeven valleien waarin ze belanden, is er die confrontatie met hun eigenheid. De pracht en kracht ervan, maar ook de eenzijdigheden, de schaduwen, de schaamte, de onzekerheid die er evenzeer deel van uitmaken.

Ik las het boek op een rommelige dag. Mijn oude ijskast had het al een week eerder begeven, ik had vergeefs geprobeerd het ding weer aan de praat te krijgen, met wisselend succes. Eindelijk zou er een nieuwe worden bezorgd  – ik was vergeten hoeveel gedoe dat met zich meebracht. Meermaals was ik begonnen aan een essay over vluchtelingen, de rellen bij AZC’s, de oproep tot geweld richting Palestijnse vluchtelingen bij monde van Gidi Markuszower, en dan diende ik ook nog mijn eigen nieuwe boek te redigeren, er snel een goede omslagillustratie voor te vinden, en niet alleen ikzelf, maar ook dierbaren in mijn omgeving kampten met persoonlijk verdriet. Chaos dus. Een gevoel van onmacht waarin ik soms nauwelijks hoofd- van bijzaken kon onderscheiden en een wandeling, het lezen van een inspirerende, bemoedigende tekst, een beetje mediteren of bidden geen uitkomst boden. Tijdens het wachten op een buurman die me zou helpen bij het installeren van de ijskast die de verlate bezorgers in een lompe doos bij me hadden achtergelaten, begon ik dan maar met lezen.
En vergat alles om me heen.

Niet omdat het nou zo’n vrolijk en positief, troostrijk kinderboek was. Maar omdat het verhaal raakte aan het eeuwige, tijdloze. In mijzelf, in het leven zelf, in al het levende. Zonder dat de verschillende vogels in het boek karikaturale typetjes worden, en zonder dat ze worden gereduceerd tot tamelijk abstracte symbolen of metaforen, gaven de auteurs ze iets levensechts, waarbij het toch nog steeds vogels bleven – weer heel anders dan bij de (heerlijke) speelgoeddieren in Winnie de Poeh, of bij de meesterlijke karakters die Toon Tellegen ‘zijn’ dieren meegaf.

Ik herkende mezelf niet in één specifieke vogel, en vrienden en verwanten zag ik ook niet terug in één of ander archetype, zoals de pauw of de papegaai. Wellicht stond de mus me het meest aan het hart, maar alweer: niet omdat ik mezelf ermee identificeerde. Ook dat is razendknap. Net genoeg psychologie om de vogels diepte, reliëf, een innerlijk leven te geven, maar dan nog steeds zo open, en zo waarachtig ‘vogelachtig’ dat een persoonlijke voorkeur het medeleven met de andere vogels en hun reis niet in de weg staat.

Precies ditzelfde geldt voor de korte filosofische vragen waarmee ieder hoofdstuk besluit. Ze zijn open, en ze laten vrij. Wie wil, kan ze met een gerust hart overslaan.

VP Wassenberg-Vlucht_vd_vogels-3D (1)

Zo zat ik daar, op die versnipperde dag, met rotzooi om me heen, mijn plannen niet voor het eerst doorkruist door praktisch gedoe, het nieuws, de discussies op de socials, verdriet… En het lezen werd een genade. Alsof er dwars door alle tumult en donkere wolken een zon opgloeide, glanzend, koninklijk, die op hetzelfde moment door miljoenen anderen werd gezien, al was het hier en daar alleen het licht ervan, indirect. Of de schemer. De ondergang, de opgang ervan. Licht dat zelfs voorstelbaar bleef in de donkere nacht tussen die twee bewegingen.

Ik werd er warm van. Echt warm. Niet alleen fysiek. Hoorde mijn hart kloppen. Voelde mijn bloed stromen. Herademde, diep. Bemerkte aan mijn gesnuif en een natte wang dat ik huilde. Niet meer om iets specifieks. Om alles. Om het wonder er in. Het raadsel. De schoonheid – en het pijnlijk ongerijmde net zo zeer.

Een week eerder was het Moederdag geweest. Mijn 27-jarige zoon, jurist en ambtenaar, had me spontaan verrast met een heerlijke brunch, een mooi cadeau en een kaart met lieve woorden die me intens hadden getroffen. Bij welke gelegenheid wist ik nog niet, maar op mijn beurt zou ik hem dit boek willen geven. En nee, niet alleen omdat we allebei zoveel van filosofie houden en, ieder op onze eigen manier, zoveel inspiratie putten uit de Islam, zoals beleefd en voorgeleefd door vrienden – al vele jaren.

Maar omdat dit het boek is dat we, als het er twintig jaar eerder al was geweest, keer op keer zouden hebben gelezen. Samen. Met ruimte om even grappen te maken waar het ons aangreep, als in die eertijdse reclames over het snoepje Fisherman’s Friend. Met sentimentaliteit hadden zulke bewogenheden nooit iets van doen gehad.

Sterker, het waren momenten waarop we elkaars blikken heel hard ontweken en allebei zeiden: ‘Hier gaan we niet over praten.’

Of nou ja: we zouden ons allebei even hebben geërgerd aan dat woord stripboeken. Niet omdat we daar iets tegen hebben, zeker niet. Maar omdat het een werkelijkheid doorbrak met een kracht waar hij en ik tegen de klippen op in blijven geloven, allebei op onze eigen manier. En precies die werkelijkheid, misschien wel de enige echte, zag ik zelden zo precies en toch zo verbeeldingsvol, kleurrijk, meerstemmig en vrij verwoord als in dit boek.

Een heel slimme zet om het te presenteren als een kinderboek. Maar het is vooral een boek voor wie, bij wijze van verzetsdaad, koppig weigert om te geloven dat het o, zo kenbare en herkenbare hier & nu, met alle meningen daarover, ook maar iets van doen heeft met de werkelijkheid van de vlucht van de vogels, op weg, via uitdagende valleien, naar het rijk van de Simoerg. En nee, met Joseph Campbell’s Reis van de held, heeft het verhaal goddank ook al niets te maken. Dit boek gaat over onmacht, chaos, twijfel en verliezerskunst. De zegen die daarin huist. Het loopt -of liever: vliegt- daarmee vleugelslagen op de actualiteit vooruit. Nu wij nog. Ieder uniek van ons en juist daarin innig, vurig, zonnig, vorstelijk samen.

Lees ook

Kamel en Sabine

“We zijn met elkaar verbonden door fundamentele levensvragen”

Hervertelling van Hayy ibn Yaqzan door Sabine Wassenberg en Kamel Essabane

DvB YouTube

Désanne van Brederode

Désanne van Brederode is schrijfster, studeerde filosofie, en is onder meer bestuurslid van het Syrische Comité in Nederland.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.