Het erkennen van ecocide als een misdaad tegen de menselijkheid impliceert persoonlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor misdaden tegen de Natuur. Tot nu toe hebben we juridische persoonlijkheid voor de Natuur nog niet of nauwelijks erkend in internationaal of nationaal recht. Daarom is de impact op de Natuur van menselijke activiteiten meestal alleen van belang als het mensen zijn die geraakt worden, wat dan ook nog eens bewezen moet worden. Natuurlijk regelen milieuvergunningen vaak menselijke activiteiten, maar zonder deze regulering mogen mensen doen wat ze willen, zelfs als men weet dat het (zeer) schadelijk is voor de natuur.
Vergunningen staan daarnaast vaak nog steeds schadelijke activiteiten toe. Met de vergunning in de hand wordt dan ecocide gepleegd. Met andere woorden, we hoeven niet te doen wat ethisch is, maar we moeten ons aan de wet houden, en als we dat doen dan beschouwen we onszelf als ethisch. Dit noemt men ‘positivisme’ in het recht, een concept dat opkwam tijdens de Verlichting, toen men de wetenschap en daarmee ook het recht wilde demystificeren. Religie kon niet de bron van het recht zijn, het zogenoemde ‘natuurlijke recht’, maar de menselijke rede werd de bron van het recht en de ethiek.
Het is een rechtsfilosofie die geldend recht ziet als de veranderlijke wet- en regelgeving die is uitgevaardigd door de overheid, zonder een noodzakelijk verband met moraal. Dit kwam mede goed uit in de koloniën, waar sommigen niet als mens werden beschouwd, maar als ding wat je kunt bezitten, verhandelen en uitbuiten, de zogenaamde ‘slaven’. In de economie kwamen begrippen op als productiefactoren, waar de mens er een van is. Het ging niet zozeer om de zingeving van de mens maar om de maximalisatie van de productie en de winst, die in theorie dan weer aan de mens ten goede zou komen. Men moest af van het bijgeloof van de Middeleeuwen en mee in de vaart der volkeren, de koloniale expansie.
Verlichting en neoliberaal denken
Ook de Natuur werd hierin als een gegeven beschouwd, een onuitputtelijke bron van grondstoffen, met voedsel en dieren in overvloed. Deze natuur was een ding, waar de mens door de voortschrijdende wetenschap steeds meer controle over had en waar de mens zich boven verheven voelde. De koloniën waren ‘leeg’ (terra nullius), dat wil zeggen zonder mensen, en mochten als nieuw ontdekte gebieden ingenomen worden. Degenen die er leefden werden tot slaaf gemaakt, want zij waren net als de Natuur een ding. Hun ethiek en omgang met de Natuur als iets heiligs werd als inferieur beschouwd (net als het bijgeloof van de middeleeuwse religie) en als curiositeit bestudeerd in de antropologie.
Daarmee werd eeuwenoude kennis over ecosystemen en de culturele gebruiken om deze te behouden vernietigd, en mensen de kracht ontnomen om vanuit hun eigen geloofsbeleving goed voor de natuurlijke omgeving te zorgen. Voor omgang met de Natuur werd – toen de Verlichting en vooral het neoliberale denken zich begon te wreken – een nieuwe term bedacht: duurzaamheid.
Ook vandaag de dag wordt de oorspronkelijke ethiek van Azië, Oceanië, Afrika en Latijns-Amerika nog steeds maar mondjesmaat geaccepteerd, en vooral verwezen naar de prullenbak van het ‘geromantiseerde verleden’. Toch bestaan er in het geloof en de ethiek van het mondiale Zuiden al millennia-lange tradities om in harmonie met de Natuur te leven. Met een hoofdletter, want deze Natuur is heilig en vormt samen met al het andere leven een heilige eenheid. [1]
Afrika en Ubuntu: de heilige Natuur
In de Afrikaanse traditie speelt de levenskracht een belangrijke rol. Deze verbindt alles wat leeft en wordt in de zuidelijke Afrikaanse (Nguni-) talen aangeduid met ‘ntu’. De schepping ontstaat doordat het potentiële zijn in aanraking komt met de levenskracht, net zoals een zaadje alleen in de aarde tot leven kan komen. Het spreekwoordelijke zaadje, of potentiële zijn, dat ‘Ubu’ heet, is mannelijk, en de ontvanger, de aarde of de levenskracht Ntu, is vrouwelijk. Samen vormen zij Ubu-Ntu, het leven of het heilige zijn.
Als mensen beschouwen Afrikanen zichzelf alleen als mens door hun interactie met andere mensen; via hen kunnen ze hun hoogste potentieel en moraliteit bereiken. Het doel van het leven is medemenselijkheid. Dit noemt men ook wel Ubuntu: ik ben omdat wij zijn. Maar omdat Ubuntu al het leven omvat, betekent het dat mens zijn alleen gerealiseerd kan worden door respectvolle interactie met al het leven, en medeleven met al dit leven. Disrespectvol zijn is een schending van Ubuntu, de heilige eenheid van het leven. Daarom is een schending van het leven, in welke vorm dan ook – mens of Natuur – een misdaad tegen de gemeenschap.
Ecocide, de massavernietiging van het natuurlijke leven, is daarmee een schending van de principes van Ubuntu. Ubuntu stelt namelijk dat alles onderling afhankelijk en van waarde is. Het doden van een deel daarvan – wat niet op een gebalanceerde manier gebeurt om in het noodzakelijke levensonderhoud te voorzien – is een vermindering van jezelf als mens. Dit omdat jij als mens niet bestaat zonder je gemeenschap en jouw gemeenschap in nauwe interactie met de gemeenschap van het leven opereert.
Ook de overledenen zijn deel van deze gemeenschap. Zij leven daarin voort, onder de mensen, maar ook bijvoorbeeld op een heilige natuurlijke plek, een boom, een rivier of in de Aarde. Een schending van de Aarde of de heilige plek is een schending van je voorouders. Ook degenen die nog geboren moeten worden zijn deel van de gemeenschap. Jouw moraliteit als mens, en je status in de gemeenschap, wordt mede bepaald door hoe voorzichtig jij met deze toekomstige generaties omgaat. Alleen als je dat goed doet, heb je volgens de Afrikaanse traditie ‘persoonlijkheid’. Jouw persoonlijkheid groeit of neemt af naar gelang jouw omgang met anderen, de natuurlijke leefomgeving, de voorouders en de toekomstige generaties. Je wordt daar niet mee geboren, je moet het verdienen.
Een schending van Ubuntu wordt hoog opgevat, en bestraft, maar tegelijkertijd vraagt de gemeenschap zich af welke verantwoordelijkheid zij zelf heeft gehad in het falen van het individu. Ook de gemeenschap heeft een steek laten vallen. Er moet daarom waarheid en verzoening komen tussen het individu en de gemeenschap, zodat er weer harmonie kan ontstaan. De zogenoemde harmonie herstellende rechtvaardigheid voert de boventoon.
Het niet mogen aanraken van bepaalde gebieden, die taboe of heilig zijn verklaard, heeft vaak te maken met diepe ecologische kennis van de ouderen in de gemeenschap; de afschrikwekkende werking van de religieuze consequenties van heiligschennis (en de angst daarvoor), helpt om het verbod te handhaven. Er is dus niet zozeer sprake van bijgeloof, maar van kennis en wetten die ouderen de jongeren opleggen om te zorgen dat het ecosysteem in stand blijft. Het ecosysteem is net zo heilig en bezield als mensen dat zijn. [2]
Inheemse Sumak Kawsay & Buen Vivir: Harmonie met de Natuur
In de Quecha-filosofie van goed leven, Sumak Kaw-say, staat harmonie met de Natuur centraal. De Quecha zijn een Andesvolk dat in verschillende landen in Zuid-Amerika woont. Sumak Kawsay is in het Spaans vertaald naar Buen Vivir, en betekent Goed Leven. Het intellectuele Buen Vivir komt niet één op één overeen met Sumak Kawsay maar heeft dit aangepast aan het moderne leven. Buen Vivir of Vivir Bien wordt vooral gepraktiseerd in Ecuador en Bolivia, in de grondwet en het beleid, afhankelijk van de politieke kleur van de regering. Goed Leven betekent leven in harmonie met de Natuur.
Net zoals in Afrika is de Aarde feminien (ontvankelijk) en heilig en wordt daarom Moeder Aarde genoemd, vanwege haar vruchtbaarheid en het schenken van leven. De visie op het leven is niet lineair, zoals in economische groei en het vooruitgangsdenken, maar cyclisch.
Deze wijze van leven wordt gedeeld door vele inheemse volken in Noord- en Zuid-Amerika, maar ook daarbuiten. Alleen als men leeft in harmonie met de Natuur kan men in harmonie met anderen en met zichzelf zijn. Dit wordt een biocentrische levensvisie genoemd. De Natuur is geen object maar net als de mens een subject, dat interacteert met alle andere subjecten. Iedereen is daarin gelijk. De interactie dient in balans met het gehele leven plaats te vinden. De Natuur is deel van de gemeenschap.
In sommige inheemse talen in Zuid-Amerika bestaat ook geen woord voor Natuur, omdat dit begrip het buiten de mens zelf legt, terwijl de mens zelf ook Natuur is. In sommige talen is het woord voor bos hetzelfde als het woord voor thuis. Het is dan ook niet moeilijk om te zien dat ecocide geen plaats heeft in deze filosofie van het leven; en het verklaart waarom inheemse volken zo fel ageren tegen iedere schending van hun territorium en de Natuur daarin, omdat dit territorium onlosmakelijk verbonden is met hun cultuur, taal en levenswijze. Zonder hun land en de natuurlijke omgeving kunnen zij niet langer ‘zijn’ en hun levensvisie uitdragen.
De biocentrische levensvisie staat in schril contrast met de antropocentrische – mens-gecentreerde – levensvisie van de westerse mens, en inmiddels van de mondiale elite en cultuur. De mens staat in de biocentrische levensvisie niet boven de Natuur maar is daar onderdeel van; zonder dat ‘onderdeel zijn’ gaat de zingeving verloren. De gemeenschap sterft als een onderdeel van die gemeenschap wordt uitgeroeid. Alles is immers onderling verbonden en afhankelijk.
Dit wordt gesymboliseerd in vier principes: integraliteit (holisme), interrelatie (alles is verbonden), complementariteit (alles is complementair en meestal feminien of masculien) en reciprociteit (wederzijdse uitwisseling en respect). Deze worden tevens gesymboliseerd in het Andische Kruis of de Chacana. Niet alleen tussen mensen wordt wederkerigheid gepraktiseerd, maar ook met de Natuur.
Dit gebeurt in rituelen zoals het geven van warmte aan de zon, via de handen, en het plengen van water op de grond voordat men zelf drinkt. Deze drukken dankbaarheid uit, en wederzijds respect.
Onderdeel van Buen Vivir in Ecuador zijn ook de rechten van de Natuur, die verankerd zijn in de grondwet. Deze worden ook door de inheemse volken erkend, al is hun begrip er meer een van wederkerigheid en dankbaarheid. Hun antwoord is: ‘Natuurlijk heeft Moeder Aarde rechten, zij is degene die ons leven geeft.’ Het is voor hen vanzelfsprekend, dus expliciet rechten geven was in hun systeem niet nodig. De huidige juridische verankering heeft tot een aantal rechtszaken geleid met interessante uitspraken waarbij de Natuur het vaak moest opnemen tegen mijnbouw, oliewinning, landbouw, infrastructuur zoals wegen, waterkrachtcentrales etc. In deze zaken wordt het belang van de Natuur gewogen tegen andere (menselijke) belangen. In vele gevallen, vooral in inheemse gebieden of biodiverse gebieden, won de Natuur. Ook dieren kregen rechten toebedeeld.[3] Op deze manier is het belang van de intrinsieke waarde van de Natuur, en het behoud van natuurlijke cycli, beter gewaarborgd dan wanneer alleen de belangen van de mens centraal staan in het recht. Ook het rechtssysteem bij inheemse volken was en is vaak anders ingericht, meer gericht op spirituele reiniging van degene die een overtreding heeft begaan, met waar mogelijk herstel van harmonie en het leveren van een zinvolle bijdrage aan de gemeenschap.
Het westerse (en inmiddels) mondiale rechtssysteem kan antropocentrisch genoemd worden. Wil men leven in harmonie met de Natuur, ofwel ‘duurzaam’ zoals men in het westen zegt, dan zullen biocentrische elementen onontbeerlijk zijn. En wanneer ontwikkeling zich eenzijdig richt op het invoeren van westerse economische en juridische modellen, gaat dit onherroepelijk tot meer problemen op het vlak van zogenaamde duurzaamheid leiden.[4]
Boeddhistische Gelukstheorie
Een van de belangrijkste boeddhistische principes is: ‘Respect all sentient beings’, respecteer alle levende (bewuste) wezens. Wat levend is, is net als in bovengenoemde tradities een rekbaar begrip. In sommige boeddhistische stromingen zijn planten, stenen en andere ‘levenloze’ objecten bewust. De Natuur is net als de mens bezield, en daarmee heilig. Dat geldt ook voor de inheemse tradities in boeddhistische landen, zoals het Bonisme in Bhutan, die naast en als onderdeel van het Mahayana-boeddhisme bestaan dat gepraktiseerd wordt in de Himalaya. Bhutan maakte het boeddhisme deel van de staatsideologie, en verankerde dit in de grondwet en het beleid. Dit beleid wordt Bruto Nationaal Geluk (BNG) genoemd.
Een van de vier pijlers onder dit beleid, en de grondwet, is goed beheer van de Natuur. Alle burgers hebben een algemene verplichting daartoe, al is het BNG niet afdwingbaar in de grondwet. Het is meer het leidende principe. Het beheer van de Natuur moet in balans zijn met respect voor de (boeddhistische) cultuur en spirituele tradities van het land, goed bestuur en de sociaaleconomische ontwikkeling. Dit zijn de vier pijlers van het beleid. Dit beleid is tevens uitgedrukt in een multidimensionale bredewelvaartindex, om weerstand te bieden tegen de dominantie van de groei van het bruto nationaal product als welvaartsindicator.
Welzijn hangt volgens de Bhutanezen nauw samen met verbonden zijn met je spirituele herkomst en het in ere houden van die tradities, waaronder een goede omgang met de natuurlijke leefomgeving. Alles is volgens het boeddhisme onderling afhankelijk, en dat wordt onder andere uitgedrukt in de notie dat alles tegelijk ontstond: ‘co-dependent origination’; alles ontstaat in onderlinge afhankelijkheid. Daarom is het van belang om altijd het Middenpad te bewandelen – tussen de twee extremen van hedonisme en ascetisme – en een gebalanceerd leven te leiden met alleen dat wat je nodig hebt. Simpel leven wordt dat ook wel genoemd. Daarbij wordt er verwezen naar het achtvoudige pad naar verlichting of, zoals in de Mahayana-traditie van het boeddhisme dat in Bhutan wordt gepraktiseerd, naar de zes deugden: vrijgevigheid, moraliteit, geduld, standvastigheid, concentratie en wijsheid.
Moraliteit wordt bepaald in de tien voorschriften van goed gedrag, waarvan de eerste is: niet doden of anderen daartoe aanzetten. De andere zijn onder andere: niet nemen wat niet gegeven is (stelen), geen seksueel wangedrag (overspel); geen laster; geen bedwelmende middelen (alcohol/drugs). Deze voorschriften zijn nauw verbonden met de gelofte van de Boddhisatva (degene op weg naar Verlichting) om alle wezens te redden. Dat wil zeggen dat men zich pas van het leven losmaakt in de Mahayana-traditie als alle wezens ‘bewust’ zijn, ook al heeft men zelf de Verlichting (het boeddha-zijn) al bereikt. Ecocide heeft dus in het morele gedrag van een boeddhist geen plaats, aangezien dit het doden van de natuurlijke leefomgeving behelst, dan wel een grootschalige beschadiging ervan die overeenkomt met het nemen van iets wat niet gegeven is. Het is diametraal tegengesteld aan het principe om alle bezielde wezens met compassie te behandelen.
Bij de Bhutanese levensvisie hoorde ook traditioneel een andere rechtsvorm gericht op bemiddeling in conflicten door een ouder lid in de gemeenschap; het schoonmaken van je ‘karma’ voor je volgende leven, en als straf meewerken aan het herstel van schade. Deze vormen worden ook nu nog naast en in het moderne rechtstelsel gepraktiseerd.
Geluk heeft daarom in het boeddhisme een andere betekenis dan in de westerse zin: je bereikt dit pas als je de realiteit op de juiste manier ziet, en in de juiste balans leeft met alle andere bezielde wezens, dat wil zeggen je natuurlijke leefomgeving.[5]
Conclusie
Zowel in de Afrikaanse, de Aziatische als (Latijns-) Amerikaanse inheemse tradities en geloofssystemen staat respectvol omgaan met de Natuur bovenaan de prioriteitenlijst. Hierin is pas met de kolonisatie en verovering van de wereld vanuit het westen een kentering gekomen, waarmee een nutsbenadering van de leefomgeving voorop kwam te staan, met alle schadelijke consequenties die op de koop toe werden genomen. Het concept van straffen voor overtredingen is in veel tradities minder belangrijk dan het uiteindelijk weer in balans brengen van de gemeenschap en de natuurlijke leefomgeving. Dat noemt men harmonie herstellende rechtvaardigheid. Dit kent geen verjaring. Ook met de generaties daarvoor of erna moet vrede en gerechtigheid gevonden worden voor ware harmonie. Het strafbaar stellen van ecocide kan echter wel een belangrijke stap zijn om moraliteit terug te brengen, en de normstelling over hoe om te gaan met de natuurlijke leefomgeving bij te stellen, waarbij ook de Natuur een stem krijgt en haar bestaansrecht wordt erkend en gerespecteerd. [6]
Eindnoten
[1] Van Norren, D. (2017). Development as Service: a Happiness, Ubuntu and Buen Vivir interdisciplinary perspective on the Sustainable Development Goals. Tilburg University. https://research.tilburguniversity.edu/en/publications/development-as-service-a-happiness-ubuntu-and-buen- vivir-interdis.
[2] Ramose, M. (2017). Ubuntu. Stroom van het bestaan als levensfilosofie. Utrecht: Ten Have. Van Norren 2017.
[3] Community Environmental Legal Defense Fund. Rights of Nature. https://celdf.org/rights-of-nature/timeline/. UN Harmony with Nature. Rights of Nature Law and Policy. https://www.harmonywithnatureun.org/rightsOfNaturePolicies/. Van Norren 2017.
[4] Acosta, A. (2022). Buen Vivir. Latijns-Amerikaanse filosofie over Goed Leven. Utrecht: Ten Have. Van Norren 2017.
[5] Van Norren, D. (2020). ‘The Sustainable Development Goals viewed through Gross National Happiness, Ubuntu, and Buen Vivir.’ International Environmental Agreements 20, pp. 431-458. https://doi.org/10.1007/s10784-020-09487-3. Van Norren 2017.
[6] Van Norren, D. (2022). Ubuntu, het Bruto Nationaal Geluk en Buen Vivir: Dit kunnen we leren van niet-westerse wereldbeelden. MaatschappijWij. https://maatschapwij.nu/duurzaam/inheemse-wereldbeelden- dorine-van-norren/.
