“Van de oudheid tot het einde van de middeleeuwen hanteerden wetenschappers een model van de bewegingen van de hemellichamen, met de aarde als middelpunt van het heelal. Zo’n tweeduizend jaar lang vormde dat model de standaard waarmee wetenschappers hun onderzoekingen in overeenstemming probeerden te brengen, totdat Copernicus in de zestiende eeuw een vermoeden uitsprak dat alle gevestigde ideeën omverwierp. Een vermoeden waarvan hij de juistheid niet kon bewijzen (dat lukte pas latere wetenschappers) maar dat het gestolde denken in beweging bracht. Nadat Copernicus, tegen het algemeen aanvaarde wereldbeeld in, durfde vertrouwen op zijn vermoeden, veranderde in honderd jaar tijd het denken van alle mensen, ook buiten de wetenschap, fundamenteel.

Modellen, ontsproten aan de wetenschap, oefenen vandaag een onverminderde aantrekkingskracht uit op het ontvangende publiek. Niet alleen in de natuurwetenschappen, maar ook in de menselijke sfeer die de sociale en geesteswetenschappen bezighoudt, viert het rekenende denken hoogtij. Bestuurders onderwerpen hun organisaties voortvarend aan modellen van bewezen effectiviteit, in de verwachting dat wetenschappelijke inzichten de slagen van het lot aan banden zullen leggen. De meest succesvolle innovators van onze tijd zijn degenen die snelle oplossingen weten aan te dragen, de aandacht afleiden van het onbevattelijke en instrumenten ontwikkelen om ons met hanteerbare schijn gerust te stellen.

Maar elk model is een vereenvoudiging en aan elke ordening die we aanbrengen in de werkelijkheid, ontsnapt iets. Er is altijd iets wat weerstand biedt aan ons verlangen naar zekerheid. Wat Copernicus onderscheidde, is dat hij zich niet blindstaarde op getallen, maar bleef luisteren naar het knagende gevoel dat er iets niet klopte. Ook Brahe, Kepler en Galilei waren bereid hun vooropgezette ideeën te laten weerspreken en wisten voeling te houden met de verschijnselen, al duurde het honderd jaar voordat ze hun vermoedens met bewijzen konden staven.

Er wordt wel gezegd: ze gebruikten hun onafhankelijk, rationeel oordeelsvermogen – hun gezond verstand. Maar betreft het niet eerder iets wat voorafgaat aan het verstand? Begon het niet eerder met een gewaarwording of een gevoel? Gezond verstand is een gangbare vertaling van sensus communis. Volgens deze zegswijze hebben we een bijzonder zintuig (sensus) in ons, iets algemeen menselijks (communis) dat zich kan laten raken.

Wat iemand raakt, is niet voor ieder mens en elk moment hetzelfde. Het algemene betreft het hebben van dit zintuig; niet de inhoud van wat het verneemt. Integendeel, wanneer van dit of dat gezegd wordt dat het common sense is, blijkt dat vaak de heerszuchtige overtuiging van een bevoorrechte groep, die de allerindividueelste ervaring, zich aangesproken te weten, veeleer overstemt en verdrukt.

Misschien is het zo dat alle mensen een innerlijk zintuig hebben waardoor ze zich kunnen laten raken, maar slechts zelden luisteren we ernaar. Vaak geven we de voorkeur aan de overzichtelijkheid van eenduidige denkconstructies en kijken we weg van wat niet in het plaatje past. Liever luisteren we naar publiekswetenschappers die ons sussen (of onheilsprofeten die ons opstoken) met stellig verkondigde zekerheden, dan naar hen die zeggen: het is ingewikkelder, we zullen hier lang en aandachtig bij stil moeten staan. Uit angst voor het onbeheersbare raakt het zintuig vaak afgestompt. Wat werkelijke vernieuwers onderscheidt, is de bereidheid het zintuig juist aan te scherpen en gehoor te geven aan wat het verneemt.

De grote namen van de wetenschappelijke revolutie worden traditioneel geroemd als voorbeelden van uitmuntende rationaliteit. Maar is wat deze mensen onderscheidde niet eerder hun gevoeligheid voor wat zich tegen de ordeningen van de rationaliteit verzet? Is het niet eerder hun bereidheid en moed om naar de knagende onrust in hun binnenste te luisteren, zelfs al liet die zich aanvankelijk nauwelijks verwoorden en vond die geen weerklank bij hun tijdgenoten? Lang zochten we de bron van menselijke waardigheid in de voortreffelijkheid van ons redeneervermogen, maar die lijkt eerder te vinden in de mate waarin we ontvankelijk zijn voor wat de dingen ons te zeggen hebben en voeling weten te houden met wat we niet kunnen bevatten.

Gesteld dat we inderdaad allemaal over zo’n zintuig beschikken, dan kan misschien, wanneer we het oefenen en verfijnen, een denken beginnen dat dieper gaat dan louter logische redeneerkunst. Misschien kunnen wetenschappers daarin onze leermeesters zijn: toonbeeld van ontvankelijkheid voor wat de grenzen van onze ordeningsdrang te buiten gaat.

Een aandachtig en bezinnend denken draagt niet alleen bij aan een rijker begrip van deugdelijk onderzoek, maar geeft ook uitdrukking aan gemeenschapszin (een andere vertaling van sensus communis) en draagt bij aan de integriteit en rechtvaardigheid van het handelen van diegenen die zich laten leiden door wetenschappelijk inzicht.”

hester ijsseling

Hester IJsseling

Hester IJsseling is filosoof en Lector Professionaliseren met hart en ziel. Samen leren en samenleven in een wereldstad bij Thomas More …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.