Twee kilo aardappelen, een paar ons andijvie, twee blikjes tomatenpuree, vijfhonderd gram gehakt en diverse kruiden: basilicum, oregano, knoflook of allemaal tezamen. En natuurlijk een pot appelmoes. Dit waren de ingrediënten van mijn lievelingsgerecht als kind. Mijn moeder maakte altijd veel, want ze voedde in haar eentje vier kinderen op met weinig geld. Restjes waren een noodzaak. Ik denk dat daaruit mijn vurige wens is voortgekomen om als volwassene een vriezer te bezitten. Dan kon ik eindeloos restjes invriezen.

Ik wist niet beter dan dat mijn moeders andijviestamppot, dé stamppot was. De enige, echte, universele stamppot die iedereen at. Groot was mijn verbazing toen ik kennismaakte met traditionele andijviestamppot. Een aardappelprak met groene dingen erin en een kuiltje met jus. Anders, verwarrend en saai vooral. Vanzelfsprekend ging ik verhaal halen bij mijn moeder.

Ik kwam van een koude kermis thuis: niet die melige aardappelprak, maar ónze stamppot bleek een variant. Niet de enige, echte stamppot, maar een Griekse versie, een soort stampaka als het ware. Geboren uit een gebrek aan geld, aan culinaire interesse en uit een paar kooktips die mijn moeder had meegenomen uit het huwelijk met mijn vader. Tips, die – niet onbelangrijk – door de oranjerode kleur van de tomatenpuree ook nog eens de groene andijvieslierten verbloemden. Geen overbodige luxe met vier kleine kinderen.

endive-4268695_1920
Beeld door: Pixabay

Deze ervaring is één van de velen waardoor ik langzaamaan ontdekte dat mijn realiteit niet dé realiteit was. Dat er een norm was waar ik soms wel, maar vaak ook niet aan voldeed. In mijn realiteit als klein kind was een eenoudergezin normaal. Ik vond mijn naam supermooi, leuk en vooral ook makkelijk uit te spreken. Zoë Papaikonomou. Kat in het bakkie. Ik dacht helemaal niet na over hoe Nederlands of Grieks ik was. Ik was gewoon. In Amsterdam. Ik vond mezelf gelijkwaardig aan jongens. Ik vond mezelf er leuk uitzien. Ik vond het logisch en praktisch dat mijn moeder vaak restjes invroor, want we waren met vier kinderen en ze moest elk dubbeltje omdraaien.

Maar hoe ouder ik werd, hoe meer ik ervaarde dat er een dominante norm bestond en hoe kleiner de pijnlijke verbazing werd die volgde wanneer ik ontdekte dat ik daartoe niet behoorde. Ik werd gepest met mijn naam en afkomst. Armoedzaaier genoemd. Ongevraagd betast. Ik ervaarde dat mannelijke collega’s eerder werden bevorderd; dat mijn sollicitatiebrieven soms op de ‘allochtonenstapel’ belandden; dat mijn baarmoeder ongewild ook deelnam aan sollicitatiegesprekken; dat mijn bevlogenheid werd uitgelegd als Griekse furie al dan niet borden werpend; dat ik mijn kruiwagens zelf in elkaar moest knutselen. En dan waren er natuurlijk de eindeloze variërende opmerkingen over mijn wulpse, mediterrane exotischheid. Tegelijkertijd zag ik dat deze ervaringen soms nog ‘meevielen’ in verhouding tot Amsterdammers die nog minder tot de norm behoorden.

Deze duidelijke vormen van uitsluiting zullen nu sneller verontwaardiging oproepen, gelukkig maar. Toch heb ik getwijfeld of ik ze zou opschrijven. De angst om van slachtoffergedrag beschuldigd te worden zit diep: ‘begint zij nu ook al?’ ‘B-allochtoon’. ‘Vrouwtje’. ‘Ze woont in een superrijk land.’ ‘Wat zeurt ze nou?’ Het druist in tegen de mantra dat overal in onze samenleving doorklinkt: ‘schouders eronder, flink zijn en doorgaan.’

Maar wat als die schouders wisselen van omvang, kleur of bedekking? Wat als ze vastzitten aan armen die niet goed werken of armen die hetzelfde geslacht willen liefkozen? En wat als je niet altijd flink kan of wil zijn? En wie bepaalt eigenlijk wat ‘flink zijn’ inhoudt?

Jezelf kwetsbaar opstellen in een samenleving, waarin ook kwetsbaarheid aan dominante regels is gebonden, is verschrikkelijk lastig. De beroepsgroep waartoe ik deels behoor, de media, staan klaar om als geoefende vakkenvullers te bepalen in welk vakje mijn ervaringen, mijn kennis en ik als persoon thuishoren. Ze bepalen ook of we überhaupt een plek krijgen en op welke manier. De frames die we vervolgens toebedeeld krijgen, zijn verdraaid lastig terug te draaien en blijven plakken als secondelijm.

Hoe ouder ik werd hoe meer ik ook zicht kreeg op subtiele vormen van uitsluiting. Verraderlijke ondingen zijn dat. Want het bestaan ervan is moeilijk aan te tonen en kan vaak worden uitgelegd als ‘it’s in the eye of the beholder’ of ‘stel je niet zo aan’. Jouw spelfout die net wat zwaarder weegt. De bloemrijke manier waarop je schrijft en de expressievormen die je kiest, die wel ‘heel anders’ zijn. Vragen als: ‘Kan je wel tegen de druk?’ ‘Niet zo gevoelig, dame.’ ‘Je kan toch wel tegen een grapje?!’ ‘Voel je je nou meer Grieks of Nederlands?’ De altijd aanwezige dreiging niet te voldoen aan kwaliteitseisen die niet mede door jou zijn opgesteld. De altijd aanwezige druk om niet te falen, omdat jouw falen gevolgen kan hebben voor de rest van de zogenaamde groep die je vertegenwoordigt.

amsterdam-1454262_1920
Beeld door: Pixabay

Goed, tot zo ver éxclusie. We zijn hier bij elkaar om te praten over inclusie. Het nieuwe, of toch alweer ingesleten woord dat belofte in zich draagt. Hoe zorgen we voor een inclusieve Amsterdamse kunst- en cultuursector, waarin elke Amsterdammer ruimte ziet en krijgt voor zijn/haar/hun eigen verhaal? Het klinkt magisch, maar is helaas niet voor elkaar te krijgen met een enkele zwaai van een toverstaf. Of goede intenties alleen. Het vraagt om dringende, diepe zelfreflectie van de instituten en mensen die deze sector vormen en de structuren die haar faciliteren. Hoe origineel, divers en inclusief kan je zijn als je voortbestaan afhangt van altijd maar projectmatige subsidie, subjectieve kwaliteitseisen en gebrek aan geduld? Wat doe je wanneer jouw verhalen zó anders zijn dan de norm en/of op nieuwe manieren worden verteld, waardoor niet alleen de sector zelf maar ook veel Amsterdammers eraan moeten wennen? Want niet alleen de sector is vastgeroest in haar creatieve vormen; haar publiek heeft ze daarin meegenomen. Verandering is dus voor iedereen even wennen.

Experimenteren, nog zo’n toverwoord. ‘Ja dat willen we! Meer experiment leeeeeuk!’ Maar wel alleen als het allemaal niet te lang duurt, niet al te veel kost en ook direct een stroom bezoekers oplevert.

En die vakkenvullers in de media, die kennen we in de gehele kunst- en cultuursector. Structuren die bepalen wie welke verhalen mogen vertellen en hoe. Surinaamse Amsterdammers over slavernij, Marokkaanse en Turkse Amsterdammers over migratie, en alle allochtonen over opgroeien in een ‘multiculturele’ wijk. En zeker, het is winst ten opzichte van niet zo lang geleden toen ook deze belangrijke verhalen – als ze al verteld werden – werden verteld door de dominante groep. Maar zijn dit de enige verhalen die de inmiddels nieuwe meerderheid in onze stad mag vertellen? En waarom worden deze verhalen ingezet om alleen zogeheten biculturele Amsterdammers te bereiken? Ook niet-biculturele Amsterdammers – en dan zeker degenen die hier opgroeien – kunnen zich hierin herkennen.

De Amsterdamse kunst- en cultuursector zou vaker Stampaka moeten maken. En nee, daarmee bedoel ik niet inclusiegezang met alle Amsterdammers tezamen, van alle culturen en religies een beetje kumbaya, in sha’allah. En wees niet bang, ik stel ook niet voor de sector te verGrieksen, dat hebben de oude Grieken al genoeg gedaan, gewild of ongewild, verdiend of onverdiend.

Mijn moeders Stampaka was een uit nood geboren succes, omdat ze zichzelf toestond te experimenteren én omdat ze schijt had aan de norm. Amsterdam-Noord-schijt welteverstaan, en die is dik kan ik je vertellen. Ze varieerde eindeloos qua ingrediënten en smaak en wij als kinderen konden dat soms meer, soms minder waarderen. Onze smaken verschilden, ook als broers en zussen onder één dak. We hadden ieder onze eigen realiteiten en normen naast onze gezinsnorm. Die overigens ook weer altijd aan verandering onderhevig was én is. En vooral belangrijk: moeders wil was natuurlijk wet, maar niemands norm was het belangrijkst. In een stad als Amsterdam kan de kunst- en cultuursector pas inclusief zijn als de vormgevers ervan accepteren dat hun realiteit niet dé realiteit is, dat hun norm niet dé norm is. Er zou ruimte moeten zijn voor meerdere normen en realiteiten zonder dat er één dominant is.

In de vastgeroeste regels voor storytelling was dit een mooi einde van deze column geweest. We houden van rondschrijven, wij verhalenvertellers. En als publiek zijn wij daaraan gewend. De verteller begint met Stampaka en daar eindigt ze weer mee. Leeeeuk, mooi rond! En natuurlijk is het prima dat bevredigend te vinden. Maar ik praat expres nog eventjes door. Want inclusie is geen rond verhaal, maar een flexibel, langdurig proces, waarin er ruimte moet zijn voor meerdere normen, uitgangspunten, verhalen en vormen. Diversiteit is. Inclusie is… nooit af.

Verder lezen?

Dat kan natuurlijk. U kunt deze melding gewoon wegklikken, want wij doen niet aan betaalmuren. Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze schrijvers en word al vanaf € 5 per maand Vriend/in van Nieuw Wij.

Ik lees eerst het artikel verder.
Zoe7

Zoë Papaikonomou

Verslaggever Superdiversiteit

Zoë is onderzoeksjournalist, mediadocent en onderzoeker & adviseur diversiteit en inclusie. Ze is auteur van het boek ‘Heb je een …
Profiel-pagina
Al één reactie — praat mee.