In mijn herinnering steken haar felblauwe ogen af tegen haar gebruinde huid. Het vlasblonde haar, met een door chloorwater groene gloed, is in een druipende, hoge staart vastgebonden. Ze draagt een modieus badpak met fluorescerende vlakken, is minstens twee jaar ouder en zoveel langer dan ik, dat kleine Belgje, met twee springerige vlechtjes in mijn bruine haar en een braaf, donkerblauw badpak dat lubbert rond mijn middel. We zijn geen dolfijnen meer, de bal ligt aan de kant. Na het spelen is het tijd om echt kennis te maken. ‘Ik ben Marie, zonder -ke’. Zij stelt zich voor als Dieuwertje.

In de jaren tachtig was er nog geen Sinterklaasjournaal met Dieuwertje Blok. Dus ik plaatste haar naam vliegensvlug in het rijtje van namen die in mijn kinderlijk denkkader alleen maar verzonnen konden zijn, zoals Puk van de Petteflet of Aart Staartjes – nog zo’n naam die me onmogelijk ‘echt’ leek. Toen ik nogmaals naar haar ‘echte’ naam vroeg, antwoordde ze kribbig dat ze ‘gewoon Dieuwertje’ heette, een ‘normale naam die al eeuwenlang gebruikt wordt’. Toen ik verifieerde of ze uit Holland kwam, was het hek van de dam. ‘Ik kom niet uit Holland, ik kom uit Nederland,’ schreeuwde ze me toe.

Dieuwertje werd die vakantie niet mijn beste vriendinnetje. Maar toch ben ik haar eeuwig dankbaar. In de vijftien jaar in Nederland, haalde ik onze ontmoeting op een Franse camping vaak glimlachend aan, nadat ik zonder checkvraag door Nederlanders ‘Vlaams’ werd genoemd. Vaak met ‘schattig’ erbij, of ‘opvallend luid voor een Vlaming’, of ’s avonds laat in de kroeg ‘geil Vlaams’ – maar dat terzijde.

Op betweterige dagen vluchtte ik ook naar de taalkundige hoek. Volgens de dialectologie is mijn Antwerpse tongval niet Vlaams, maar Brabants. En dat Brabanders, net als Limburgers, als een andere soort worden gezien dan de Vlamingen die Vlaams spreken, merkte ik zeker toen ik in Gent een talenstudie deed. Een keer veinsde ik tijdens een examen in Nederlandse taalkunde een West-Vlaamse tongval, om de vooroordelen die er tegenover Antwerpenaren leven aan te kaarten. Ook dit voorval laat me glimlachen.  Maar de professor die zich tijdens de diploma-uitreiking liet ontvallen dat het toch een schande was dat enkel de Brabançonne klonk en niet de Vlaamse leeuw, laat mijn hartslag meer dan twintig jaar later nog steeds op hol slaan. Not in a good way.

Het voelt zwaar op de hand om eerlijk te vertellen waarom ik het Vlaams benauwd krijg als ik als Vlaams word bestempeld. ‘Vlaams’ staat al decennialang gevaarlijk dicht bij ‘Vlaamsgezind’ of flamingant, en dus bij collaboratie, bij Jodenvervolging, bij razzia’s, buren en klasgenoten die je kunnen verraden, bij vergaste familieleden in Auschwitz en de diepe sporen die genocide in mijn leven nalieten. Om de duistere stroom van connotaties enigszins te kalmeren, denk ik soms glimlachend terug aan mijn Joodse grootmoeder, die een ondeugend Vlaams liedje zong, toen ze in Antwerpen opgepakt was door Vlaamse SS-ers. Je eigen hachje redden door te zingen als de vijand: hoe ouder ik word, hoe meer bewondering ik voel voor haar sluwe en moedige camouflagetour. En hoe moeilijker het wordt om los te komen van de verhalen die in mijn ziel gestempeld staan.

Maar even terug naar Dieuwertje, die mooie meid die ik regelmatig in gesprekken erbij sleurde, als ongevraagd het Vlaamse label op mijn vel geplakt werd. Natuurlijk valt er op de vergelijking van Hollands versus Nederlands en Vlaams versus Belgisch heel wat af te dingen. Dieuwertje woonde hoogstwaarschijnlijk niet in Noord- of Zuid-Holland. Mijn in Nederlands Limburg geboren man komt evenmin uit Holland, terwijl ik niet kan ontkennen dat ik na mijn geboorte in Brussel opgroeide op Vlaamse grond. En ons Gentse huis staat op Vlaamse bodem. Onze levens worden voor een groot deel beïnvloed door wetten en regels die gelden in Vlaanderen.

Vlaams benauwd

Ik hou van leeuwen. Ik ben met een vurige leeuw getrouwd. Op het geboortekaartje van ons zoontje stond een kleurrijk welpje. Zijn eerste knuffel is een leeuw, zijn haren laat hij zo lang groeien ‘als de manen van een leeuw’. Maar leeuwen op vlaggen boezemen me angst in. Op 11 juli, de feestdag van de Vlaamse gemeenschap, fietsten we door Gent. Ik was blij te ontdekken dat er na de uitschakeling op het WK toch vooral Belgische vlaggen hingen aan de gevels. De Vlaamse vlaggen waren schaars, ik zag er maar eentje met zwarte klauwen. De leeuw met rode klauwen staat voor de Vlaamse Gemeenschap. Als hij zwarte klauwen heeft, als zijn lijnen scherper en agressiever ogen, dan brult hij op een Vlaamse strijdvlag, de collaboratievlag, de vlag van zwartzakken.

In de vijftien jaar in Nederland probeerde ik me op afstand wat te verzoenen met het stukje Vlaamse identiteit. Ik genoot van de zachtere klanken, van de rijke muziekcultuur die bleef klinken uit Vlaamse steden. Ik probeerde de verbindingen die in mijn angstige kinderziel waren vastgeknoopt, wat losser te peuteren. Maar het was een ingewikkelde oefening, want ik merkte ook hoeveel vraagtekens er rond mijn vaderland werden geplaatst. Talloze keren kreeg ik van Nederlanders ongevraagd advies. ‘Laat die *Walloniërs en dat vuile Brussel toch vallen, kom bij ons, we delen toch meer met elkaar dan wat jullie delen met die *Walloniërs?’

Identiteit werd meer en meer door de ander bepaald en vernauwd, politiek ingezet, eigen gemaakt, als controlemiddel en grensbepaling gebruikt. Het anti-Waalse, anti-Brusselse aspect werd in ook in de mainstream breder: afstand tot migranten, mensen op de vlucht, moslims, iedereen die als vreemd en ‘niet van ons’ werd ervaren. Dat proces voltrok zich in zowat elke Vlaamse politieke partij, in meer of minder mate. Ook op het VRT-nieuws gaat het, in vergelijking met toen ik in 2010 vertrok, minder over Belgen en vaker over Vlamingen. Het Vlaamse bewustzijn wordt diep in de zielen gekneed.

Een mildere houding tegenover ‘Vlaams’ is onhoudbaar als ik kijk naar waar niet enkel het Vlaams Belang, maar ook de regerende machtspartij N-VA voor staat: collaboratie met een etnostaat gebouwd op genocide en apartheid, hardvochtig grenzen sluiten en opvang afbouwen voor mensen op de vlucht, dreigende ‘woonstbetredingen’ voor wie niet beschikt over de nodige papieren, gewauwel over omvolking, traditionele rolverdelingen en de oproep om meer Vlaamse baby’s te maken, politiegeweld bij democratische betogingen, criminaliseren van linkse oppositiepartijen, van antifa, solidariteit en menselijkheid. Ook fijnmazige vormen van verzet en kritische pers worden geïntimideerd en doodgeknepen, in beleid maar ook onderling: na elke opiniestuk vrees ik trollende lachebekjes. De ruimte die mijn pen mag innemen, voelt elke maand kleiner.

Het klinkt allemaal zo benauwend vertrouwd, als ‘oude wijn in nieuwe zwartzakken’. In de actualiteit hoor ik zoveel echo’s uit de verhalen die me als kind verteld werden. Nooit eerder verlangde ik zo naar ongelijk krijgen, ontwaken uit deze boze, zwart-gele droom. Maar ik krijg mezelf niet gerustgesteld. Vertrouwen krijgen in de Vlaamsgezinde premier De Wever lukt evenmin, een staatsman die in drie landstalen zwijgt als in de Hoge Venen meer dan 3000 hectaren natuurgebied afbranden. De oude dwarsverbanden die ik als kind aanlegde om de wereld te rangschikken en vijanden te identificeren, krijg ik niet losgeknipt.

Gelukkig ben ik thuis een Belgische vrouw. Mijn mans geboortestad Sittard ligt in vogelvlucht even ver van Hasselt als van Luik, tussen de Duitse en Belgische grens. Aan beide kanten van de grens spreken ze zijn dialect. Hij is trots op stadsgenoot Toon Hermans, hij die mensen wenste die geen branden, maar zonnen aansteken, voor de wereld verregent. En net zoals ik me schaam om Bart De Wever, die ook in Mortsel opgroeide, schaamt hij zich diep om het racistische gedachtegoed van de Limburgse Geert Wilders. Na tien jaar aan mijn zijde denkt hij bij ‘Vlaamse vrouw’ aan het vlakke land van Jacques Brel, waar de Schelde blinkt in zuidelijke zon, en elke Vlaamse vrouw flaneert in zon-japon. Hij ziet zijn vrouw flaneren en laveren, tussen verschillende labels en stukjes identiteit.

Sinds mijn terugkeer naar Gent, spreek ik elke landgenoot aan die Nederlanders eenduidig wegzet als Hollanders. Ik vertel over Dieuwertje en ga van deze blonde Nederlandse naar een leeuw met rode manen. Zodra ik een opening voel, vraag ik naar de kleur van klauwen, of essentiëler: naar ademruimte die mensen ervaren bij labels die worden opgeplakt. Ik ben Marie, Vlaams benauwd, Belgisch beschaamd, een tikkeltje Europeaan maar bovenal sterrenstof, dat huivert bij elke vlag of grens. Etiketjes voelen lastig, raak ik al vliegend kwijt. Mag ik bij jou ook krabben?

Lieve lezer, na twaalf maanden schrijven, wil ik benadrukken hoe fijn het is om samen NieuwWij te vormen, veelstemmig, divers en kleurrijk, kritisch en recalcitrant. En ach, ook ik plak soms labels, als dat helpt om de complexe wereld te snappen, na te denken over hiërarchie, uitbuiting en voorrecht. Maar laten we vooral kijken naar wat zichtbaar wordt als we de labels lospeuteren. Voelen wat onder onze huid leeft, de verhalen delen die de grootste stempels achterlieten.

1650529007665 (1)

Marie Meeusen

Freelance schrijver

Marie Meeusen is freelance schrijver in de zorg-, welzijn-, onderwijs- en cultuursector, narratieve coach en schrijfdocent. Ze groeide op …
Profiel-pagina
Al 2 reacties — praat mee.