Het was natuurlijk maar een intuïtie: dat we hier echt met iets wonderlijks te maken hebben, moest ik onderbouwen. Eerst moest ik aangeven waarin dat religieuze karakter van het spreken over het kwaad zou kunnen bestaan. En daartoe moest ik het religieuze spreken vergelijken met andere, niet nadrukkelijk religieuze benaderingen. Mijn onderzoek was geboren.

Mijn intuïtie dat het kwaad een religieus thema is, herkende ik bij de filosoof Paul Ricoeur. Hij schreef in 1960 een boek over het kwaad, La Symbolique du Mal. Hij stelt daarin dat hij als filosoof de realiteit van het kwaad niet direct kan omschrijven, of als fenomeen analyseren. Hij moet een omweg maken langs het religieuze bewustzijn van het kwaad. Dat vindt hij verwoord in religieuze teksten uit het oude Babylonië, de Bijbel en het antieke Griekenland. Alleen verantwoordt Ricoeur zelf niet uitgebreid waarom hij deze omweg moet nemen: hij doet het gewoon. Het werd mijn taak om systematisch te analyseren wat dat opleverde.

Voor die analyse contrasteerde ik een religieuze benadering van het kwaad met een ethische en met een tragisch visie – een onderscheid dat ik aan Ricoeur ontleen. Als vertegenwoordigers van die visies koos ik de denkers Immanuel Kant en Karl Jaspers. Kant neigt ertoe het kwaad ondergeschikt te maken aan de menselijke morele vermogens om het goede te kennen en te doen. Jaspers laat het kwaad bijna opgaan in de ‘condition humaine’. Ik begon me af te vragen hoe gepast de term ‘het kwaad’ nog is in die ethische en tragische benaderingen. Hoe kwaad is het kwaad nog, als we het kunnen kennen en vermijden, of als het juist onvermijdelijk deel is van het menselijk bestaan?

Met Ricoeur leek het mij vervolgens kenmerkend voor een religieuze benadering dat het kwaad dubbelzinnig wordt benaderd: niet als door de mens te overwinnen (een visie waar de ethische benadering toe neigt) maar ook niet als een onvermijdelijk gegeven waar we ons bij neer moeten leggen (de tendens van een tragische benadering).

Maar waarom zou die dubbelzinnige benadering juist opkomen in een religieus kader, waarin de mens in relatie tot het heilige, tot God staat? Bij Ricoeur vond ik de gedachte dat het in religieus geloof niet primair gaat om een interesse in het kwaad op zichzelf, maar om het kwaad in het licht van het einde ervan. En dan een einde dat de mens niet in z’n eentje kan bewerken. God bestrijdt het kwaad en onthult het daarmee ook pas.

Een ‘double-check’ voor deze hypothese, die Ricoeur niet uitwerkt, was de ‘voluit religieuze’ benadering in het werk van Karl Barth. Bij hem bleek dat einde van het kwaad zelfs zo sterk te worden geponeerd dat het kwaad zelf ‘nichtig’ van karakter werd. Hierbij vroeg ik me af wat dan nog het verband is met het kwaad dat wij toch nog ervaren. Barths visie op het einde van het kwaad vond ik dus niet zomaar overtuigend.

Maar het vergelijken van de vier verschillende visies, ze met elkaar in gesprek brengen, leverde wel een indruk op van wat het eigene van die religieuze visie zou zijn: een kwaad dat zo ernstig is dat God zelf er de strijd mee aanbindt en dat daarom juist nooit iets kan zijn waar de mens zich bij mag neerleggen. Dan is het kwaad echt kwaad.

Als juist dit religieuze kader de betekenis van het kwaad bepaalt, hoe kan het dan dat we er in onze ‘onttoverde’ wereld over blijven spreken? Is onze wereld toch meer betoverd dan we denken? Of zijn we dat religieuze kader gewoon vergeten en kan zo’n uitdrukking dan toch nog een tijdje voortleven? Ik denk dat beide suggesties waar zijn. De uitdrukking ‘het kwaad’ verwoordt nog steeds ervaringen die raken aan het heilige. De paradoxale ervaring dat het kwaad dat we begaan, ons tegelijk overkomt, en dat wat ons overkomt tegelijk onze schuld is. De ervaring dat we het kwaad moeten bestrijden, maar het niet zomaar kunnen beheersen; juist als het kwaad als beheersbaar wordt voorgesteld, grijpt het om zich heen. De ervaring ook van hoop dat het kwaad eens overwonnen zal worden, en dat we daar nu al kracht uit kunnen putten. Dit soort ervaringen zijn niet zomaar verdwenen met het wegvallen van een traditioneel religieus kader. Voor mij vormen ze een aanleiding om in gesprek te gaan over de betekenis en mogelijke waarde van religieuze mens- en wereldbeelden. In die gesprekken merk ik dat sommigen de ervaringen van het kwaad herkennen. Bij anderen stuit ik meteen op wrevel. Waarom wilt u het alleen over het kwaad hebben? Er is toch ook veel goeds in de wereld? Goed en kwaad zijn toch in balans? Zulke mensen bereik ik maar moeilijk met mijn interesse in het kwaad. Misschien ligt dat aan mijn gebrek aan jip-en-janneketaal. Maar belangrijker is volgens mij een verschil in levensgevoel. Sommige mensen raken geïrriteerd zodra je oppert dat de ervaring van schuld een fundamenteel menselijke is, of het kwaad in de menselijke natuur zit. Ze houden liever de zonzijde.

Dat gold ook voor de Radio 1-redactrice. Ik heb de Tros Nieuwsshow nooit gehaald.

Petruschka Schaafsma

Universitair docent PThU

Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.