De woorden van denkers worden onderdeel van een groter verhaal dat niet van hen is. Ze lijken nog te spreken, maar in werkelijkheid zijn ze buiksprekerspoppen geworden. En… dat verschijnsel beperkt zich niet tot de wereld van spiritualiteit. Het gebeurt ook in de kerk. Misschien zelfs juist daar.
Wie zich verdiept in figuren als Carl Jung, Jiddu Krishnamurti, Meister Eckhart, Boeddha of Lao Tse ontdekt al snel hoe verschillend hun stemmen zijn. Zij spreken over uiteenlopende onderwerpen, vertrekken vanuit verschillende tradities en gebruiken een eigen taal. Hun inzichten raken elkaar soms, maar vallen zelden volledig samen.
Toch bestaat de neiging om al die verschillen weg te poetsen. Dan ontstaat het verhaal dat alle wijzen uiteindelijk hetzelfde zeggen. Het ego is het probleem. Eenheid is de oplossing. Afscheiding is een illusie. Overgave brengt verlossing. Oost en West blijken ineens één boodschap te verkondigen.
Dat klinkt aantrekkelijk. Het schept overzicht in een complexe wereld. Het geeft een gevoel van harmonie. Maar er gaat ook iets verloren. Want Jung was geen prediker van het verdwijnen van de persoonlijkheid in een kosmische eenheid. Krishnamurti wilde geen nieuw geloof stichten. En Meister Eckhart was geen boeddhist avant la lettre. Wie de verschillen niet meer ziet, hoort uiteindelijk niemand meer werkelijk spreken.
Hetzelfde gebeurt wanneer wij de Bijbel lezen. Ook gelovigen zijn niet vrij van de verleiding om teksten vooral te gebruiken als bevestiging van wat zij al denken. Dan wordt de Schrift geen gesprekspartner meer, maar een instrument. De vraag verschuift ongemerkt van: “Wat staat hier?” naar: “Hoe kan ik deze tekst laten zeggen wat ik al geloof?”
In de geschiedenis van de kerk is dat talloze malen gebeurd. Bijbelteksten zijn gebruikt om oorlogen te rechtvaardigen, slavernij te verdedigen, vrouwen uit te sluiten of politieke overtuigingen te ondersteunen. Niet omdat de teksten dat vanzelfsprekend zeiden, maar omdat mensen erin lazen wat zij er al in wilden vinden. En dat geldt niet alleen voor de Bijbel. Misschien doen wij hetzelfde wel met God.
Dan luisteren wij niet meer naar een stem die ons bevraagt, corrigeert of verrast. Dan maken wij van God een buikspreekpop van onze eigen overtuigingen. God zegt precies wat wij al vinden. God bevestigt precies wat wij al geloven. God staat altijd aan onze kant. Maar een God die nooit tegenspreekt, is meestal een echo van onszelf.
Werkelijk lezen vraagt daarom om nederigheid. Niet de bereidheid om een tekst aan onze overtuigingen aan te passen, maar de bereidheid om door die tekst gecorrigeerd te worden. Niet de behoefte om bevestiging te vinden, maar de moed om verrast te worden.
Dan hoeven we van Jung geen Krishnamurti te maken. We hoeven Meister Eckhart niet om te vormen tot een moderne mindfulnessleraar. We hoeven de Boeddha niet te laten spreken als een christelijke heilige. En we hoeven de Bijbel niet te laten zeggen wat wij al vinden.
Dan mogen zij zichzelf blijven. Misschien is dat wel de meest respectvolle manier van lezen. Niet zoeken naar bevestiging van wat wij al denken, maar bereid zijn om werkelijk te luisteren. Want wijsheid begint niet met spreken. Wijsheid begint met luisteren. En soms ook met het ongemakkelijke besef dat de ander iets zegt wat wij liever niet zouden horen.
