Van vluchtelingenkampen zijn de nodige reportages en beelden bekend. Toch brengt het lezen van een boek mij dichter bij wat het is om vluchteling te zijn en in een vluchtelingkamp te overleven. Sulaiman Addonia kun je met recht een ervaringsdeskundige noemen want hij is de zoon van een Eritrese moeder en Ethiopische vader met wie hij als kind in 1975 uit Eritrea vluchtte en opgroeide in een vluchtelingenkamp in Soedan.

Voor hem werd die herinnering weer actueel, nu zijn familie opnieuw naar Soedan heeft moeten vluchten vanwege de burgeroorlog in Tigray. Zijn herinneringen gaf hij vorm in een roman: De stilte is mijn moedertaal. Hij leert mij al lezend kijken, begrijpen en vooral ervaren wat de absurditeit en hardheid van een verblijf in een vluchtelingenkamp inhoudt. En vooral: wat zo’n leven voor vrouwen betekent. Wat is eigenlijk een vluchtelingenkamp? Hoe gaat het (over)leven daar? Wie zijn deze vluchtelingen? Addonia heeft het ervaren en laat het zijn personages beleven.

De beginscène van het boek speelt zich af in een vluchtelingenkamp voor een opgespannen wit doek en dat doet denken aan de film l’huomo delle stelle uit 1995 van Giuseppe Tornatore. Daarin laat de oude cinematograaf mensen plaats nemen voor het filmdoek en nodigt ze uit hun dromen te vertellen. Door hen te filmen laat hij hen even ontsnappen uit hun sombere en armoedige werkelijkheid. Ze zijn even de ster op het doek. In het boek van Addonia fungeert het provisorische scherm in het vluchtelingenkamp op een soortgelijke manier. ‘Op het moment dat ze mijn bioscoop betraden, waren ze geen vluchtelingen meer, begrensd door hun ballingschap; hier konden ze zeggen en doen wat ze maar wilden. Want, vertelde ik ze keer op keer, jullie zijn personages in een film die opgenomen is op een vrije plek ver hiervandaan’, zo vertelt Jamal, de beheerder ervan, die eerder werkzaam was in een bioscoop in Asmara. Zelf kijkt hij ondertussen naar zijn eigen droomwereld. Door een vierkant gat in het midden van het doek is een vrouw, Saba, in de verte bij haar hut zichtbaar in alles wat zij doet. Zij is een van de twee hoofdpersonen in het boek. De andere is haar doof-zwijgende broer Hagos.

Het vluchtelingkamp in het boek

Addonia schetst een beeld van de aankomst in een vluchtelingenkamp van een broer en zus met hun moeder in het donker. Er is niets, geen verlichting en zelfs geen ambtenaar om hen te verwelkomen. Andere trucks met mensen daarin komen ook aan. Men gaat met olielampen op zoek naar water in dicht struikgewas. Hagos vindt de rivier. De volgende dag blijkt er geen winkel in het kamp te zijn. Er lopen allerlei mensen rond, van verschillende stammen, ook een man met lichte huidskleur, glimmende zwarte schoenen en een Engels boek onder zijn arm die ‘troostend’ zegt: ‘Vergeet niet dat het een gebrek aan dingen is waar mensen creatief van worden.’

Mannen lezen een oude krant en verdelen die door ieder een afgeknipt stuk te geven. De imam tekent met zijn voeten in het zand de moskee af en constateert op gegeven moment dat de moskee groot genoeg is. De volgende dag is de moskee verwaaid in de wind. Er loopt een opzichtig aangeklede weduwe met duidelijke bedoelingen. Mensen dwalen rond, achter een masker van verdriet. Saba kijkt ernaar en beseft ‘dat het leven op deze plek een zoektocht naar alternatieven zou betekenen.’ Ze weet niet in welke streek of land ze beland is en ook het bord dat later geplaatst wordt, vermeldt alleen het woord Vluchtelingkamp, in het Tigrinya, Arabisch en Engels.

Het zijn beelden van verdwazing die door het hele boek een rol spelen, naast de dromen waarmee mensen zichzelf overeind houden. Ook de tijd lijkt verdwenen. De organisatie van het kamp start met de uitdeling van sardientjes in blik die over de datum blijken te zijn, waar veel mensen onwel van worden. In al die verwarrende gebeurtenissen zijn Saba en Hagos de sterke personen, die steun vinden bij elkaar. Hagos beschermt haar als mannen lastig worden. Gaan plassen (in het open veld natuurlijk) is een riskante bezigheid voor vrouwen. Maar hun beider rolpatronen zijn anders dan normaal: Saba, de intellectueel, wil nog steeds alleen maar dokter worden en Hagos, de gevoelsmens, verzorgt haar haar, haar kleding en het eten. Ze handelen zoals henzelf goeddunkt, maar hun sterke relatie van broer en zus maakt hen soms verdacht.

De paus op Lesbos

Het boek helpt mij, wanneer ik vanuit mijn verwarmde werkkamer naar de foto’s van vluchtelingenkampen kijk, om te beseffen wat dat leven in een vluchtelingenkamp inhoudt. Meestal lezen we alleen over de cijfers, zoals in het recente bericht: ruim 28.000 mensen zijn in 2021 vanuit Frankrijk naar Engeland gevlucht en misschien ergens opgevangen. Wanneer Paus Franciscus begin december een vluchtelingenkamp op Lesbos bezoekt gaat het niet over getallen. Zijn commentaar op de houding van de Europese regeringen is niet zuinig: de verwaarlozing van de emigranten noemt hij ‘de schipbreuk van de beschaving’. Wat wil dat nu zeggen?

Gered – scene-of-cannibalism-for-the-raft-of-the-medusa
Théodore Géricault, Vlot van de Medusa (voorstudie, 1818)

Ik moet daarbij aan een schilderij denken van Géricault, waar mensen op een vlot na een schipbreuk wanhopig proberen te overleven. Door de opmerking van de paus verwijst dat beeld niet naar vluchtelingen die op zee ronddrijven maar naar ons, in het rijke westen. Wij zijn het die met onze beschaving schipbreuk lijden en wanhopig bezig zijn onszelf te redden van deze neergang. Soms via vreemde maatregelen zoals in ons land: vluchtelingen huisvesten in hard klapperende tenten, waardoor ze niet kunnen slapen. Of te veel mensen op een kleine oppervlakte laten bivakkeren. Waarom, omdat we menen hen en komende vluchtelingen op deze manier te ontmoedigen en omdat we bang (gemaakt) zijn.

Misschien komt dat ook omdat we hier 71 jaar na het einde van ‘onze’ oorlog niet meer weten wat het betekent als je niets anders kunt dan vluchten voor geweld en uitzichtloosheid. In een recent interview in Volzin houdt Dirk de Wachter een pleidooi voor la petite Bonté: hij bedoelt daarmee niet het eigen geluk nastreven maar ‘het kleine goede’ dóen, gelukkig worden door een ander te helpen bij zijn ongeluk. Uit compassie. Dat kan ook als land of regering.

Wanneer je de opmerking van de paus tot je door laat dringen en het boeiende boek van Sulaiman Addonia gelezen hebt, kun je niet meer vasthouden aan de tijd waarin je nog ‘gelukkig was en ongedocumenteerd’, om een boektitel van Gabriel García Marquez te parafraseren. Misschien moeten we het toch durven, als Nederlander en Europeaan, als parlement en regering (die met nieuw elan) in dit net begonnen jaar: niet meer bang zijn om een beetje goed te zijn, la petite bonté in ons hart toe te laten en zo onszelf door vluchtelingen te laten redden van de hardheid van ons hart en onze regelgeving…

Felicia Dekkers

Felicia Dekkers

Felicia Dekkers is Neerlandica en studeerde later theologie. Zij werkte in het onderwijs (MO en HBO) en daarna als (beeld)redacteur bij …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.