In deel 1 heb ik betoogd dat de Su-Shi dialoog zinvol is en zelfs broodnodig is om zowel sektarisme als islamofobie het hoofd te bieden.

Twee gevaren

In dit deel wil ik focussen op twee gevaren die op de loer liggen en die de Su-Shi dialoog (en andere dialogen) zinloos kunnen maken. Het eerste gevaar is wanneer de Su-Shi dialoog geen handen en voeten krijgt en bij woorden blijft zonder daden. Dat zou jammer zijn, omdat daden meer zeggen dan woorden en het zijn uiteindelijk daden die verandering in de wereld kunnen brengen. Daarom is het belangrijk dat de Su-Shi dialoog niet blijft steken in een woordenwisseling, maar vorm krijgt in ontmoetingen, gezamenlijke activiteiten en uitingen van solidariteit. Zoals men in het Engels zegt “talk the talk, and walk the walk”. Gelukkig hebben we daar een begin mee gemaakt met een gezamenlijke moskeetoer.

Het tweede gevaar dat ik zie, ligt in het doel dat men voor ogen heeft wanneer men de dialoog in gaat. Soms gaan mensen overduidelijk met de verkeerde intenties en verwachtingen de dialoog in. Dit wordt duidelijk wanneer er bijvoorbeeld sprake is van superioriteitsclaims, beledigingen of wanneer men niet luistert naar de ander en de dialoog enkel gebruikt om de ander de les te lezen.

Vier mogelijke doelstellingen

Er zijn echter ook gevallen waarbij beoogde doelen op het eerste oog goed lijken, maar bij nadere beschouwing een vruchtbare dialoog in de weg kunnen staan. Om dit te illustreren heb ik tijdens de iftarbijeenkomst het publiek vier stellingen gepresenteerd, die elk een mogelijk doel weergeven waarmee men de Su-Shi dialoog kan aangaan:

1. Met dialoog kunnen we de ander overtuigen van de waarheid, zodat we weer één oemma (gemeenschap) kunnen worden.
2. Met dialoog komen we erachter dat het niet uitmaakt of je soenniet of sji’iet bent. Het belangrijkste is dat we allemaal moslim zijn.
3. Met dialoog komen we erachter dat soennieten en sji’ieten van elkaar verschillen, maar de verschillen maken de oemma juist mooi.
4. Met dialoog maken we verbinding en leren we onze eigen stroming of traditie (su of shi) beter kennen.

Ik heb de mensen in het publiek vervolgens gevraagd om één van de vier stellingen te kiezen die voor hen het meest juist klinkt als intentie of doelstelling om de dialoog aan te gaan. Het publiek bleek ongeveer gelijk verdeeld te zijn over de 4 stellingen.

Het mooie van de eerste stelling is dat deze de eenheid in de moslimgemeenschap wil herstellen. Het mooie van de tweede stelling is dat deze uitgaat van gelijkheid en de tegenstelling tussen soennieten en sji’ieten probeert te overstijgen en nadruk legt op iets wat ogenschijnlijk belangrijker is: namelijk het moslimzijn. Het mooie van de derde stelling is dat deze diversiteit in de moslimgemeenschap als iets positiefs waardeert. De verschillen tussen moslims zijn een teken van barmhartigheid en moeten worden gekoesterd of zelfs worden gevierd. Het mooie van de vierde stelling is dat deze de dialoog ziet als een manier om verbinding te maken met de ander en tegelijkertijd een manier om zelfkennis op te doen.

Valkuilen

Toch hebben met name de eerste drie stellingen een valkuil. De valkuil van de eerste stelling is dat deze kan vervallen in absolutisme. Wanneer je de dialoog start met de overtuiging dat je de waarheid al hebt en de ander wilt overtuigen van jouw waarheid is een echte dialoog onmogelijk. Je staat dan niet echt open voor het verhaal van de ander en gaat de dialoog enkel aan om de woorden van de ander te weerleggen en de ander te bekeren. Een bekeringsagenda wekt bij de dialoogpartner bovendien argwaan en zal een oprechte dialoog, waarbij wederzijds vertrouwen noodzakelijk is, verstoren.

De valkuil van de tweede stelling is dat deze kan vervallen in reductionisme. “Het belangrijkste is dat we allemaal moslim zijn” reduceert de dialoogpartner tot een essentie (het moslimzijn) en maakt de verschillen tussen moslims irrelevant. Terwijl voor veel moslims de specifieke invulling van hun moslimzijn in een soennitische, sjiitische of andere vorm juist bij het moslimzijn hoort en een belangrijk onderdeel is van hun identiteit. Voor een oprechte en vruchtbare Su-Shi dialoog is het daarom belangrijk dat je de identiteit van de ander niet reduceert tot een abstract ‘moslimzijn’, maar de ander open laat om haar of zijn moslimzijn zelf te definiëren.

Het gevaar van de derde stelling is dat deze tot relativisme kan vervallen. De schoonheid van diversiteit kan dialoogpartners immers bij elkaar brengen, maar kan hen ook verblinden voor de diepere drijfveren van de ander. Een overmatige focus op schoonheid (“de verschillen maken de oemma juist mooi”) kan leiden tot oppervlakkigheid en onverschilligheid. Als de schoonheid van diversiteit het hoogste doel van de dialoog wordt, kan dit een blokkade vormen om de diepere lagen van de ander en zijn/haar traditie echt te leren kennen.

De vierde stelling komt volgens mij het dichtst bij het juiste doel dat men moet hebben om een vruchtbare dialoog aan te gaan. De dialoog dient mensen bij elkaar te brengen op basis van vertrouwen, gelijkwaardigheid en respect. Doormiddel van de dialoog leren we procesmatig de ander en onszelf beter kennen. Toch moeten we er ook voor waken de ander niet tot instrument of middel te reduceren die ons eigen geluk dient. De Ander moet in de dialoog serieus genomen worden als gelijkwaardig mens. De dialoog zou tevens ons empathisch vermogen moeten vergroten, zodat we ons kunnen verplaatsen in de ander en werkelijk kunnen meeleven met de ander.

In sommige situaties, bijvoorbeeld wanneer er spanningen tussen gemeenschappen bestaan, is het echter niet verkeerd om bijvoorbeeld de schoonheid van diversiteit als startpunt te gebruiken, om partijen in gesprek met elkaar te brengen. Het streven naar waarheid, eenheid, gelijkheid, het waarderen van de schoonheid van diversiteit of zelfkennis zijn goede vertrekpunten voor een dialoog, maar we moeten ervoor waken dat deze het eindpunt of het einddoel worden van de dialoog. Anders schuilt er het gevaar dat we vervallen in de doodlopende wegen van absolutisme, reductionisme, relativisme of instrumentalisme.

Om deze redenen pleit ik voor een Su-Shi dialoog die als doel heeft het leren kennen van de ander, verbinding maken met de ander en ons verplaatsen in de ander. Zodat we in het proces onszelf, onze eigen traditie, ons moslimzijn en ons menszijn kunnen verdiepen, en daar in een geest van saamhorigheid uiting aan kunnen geven.

K. Essabane

Kamel Essabane

Docent en onderwijsbegeleider

Kamel Essabane is docent islamitische godsdienst aan de Thomas More Hogeschool in Vlaanderen en onderwijsbegeleider identiteit en …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.