Het woord vreemdeling was bij ons thuis onlosmakelijk verbonden met ‘verdreven van huis en haard’. Als kind wist ik niet beter dan dat je mensen moest helpen die het niet ‘zo goed hadden als wij’. ‘Als je weg moet uit je Heimat en bijna alles moet achterlaten wat je dierbaar is, dan is dat heel erg’, zei mijn vader. Klaar. Dat snapte ik. Het leek me afschuwelijk om mijn vriendinnetjes kwijt te zijn, mijn goudhamster achter te laten en niet te vergeten mijn geliefde Fräulein Bocker, mijn lerares in de eerste klas van de lagere school. Hoe jong ook, twee dingen besefte ik in mijn kinderjaren maar al te goed. Het was erg fijn dat ik geen vreemdeling was en dat ik niet aan de andere kant van het prikkeldraad woonde, in de DDR, want daar hadden ze het ook veel minder goed dan wij. Met Kerst, Pasen en verjaardagen maakten we pakketjes met levensmiddelen voor de familie drüben. Een vast onderdeel was een groot pak échte koffie, want ze kregen daar alleen maar Muckefuck, zei mijn moeder.

Vooral mijn vader was zeer begaan met het ondersteunen van vreemdelingen die nieuw in ons dorpje kwamen en weinig bezittingen hadden. Het waren van die kleine gebaren. Het meegeven van de laatste stukjes van de worst en de kaas uit onze winkel, het brood dat de volgende dag toch niet meer verkocht kon worden en het fruit dat al een beurs plekje had en voor de gewone klant niet meer aanlokkelijk genoeg was. Geen heldendaden, niets om aan de grote klok te hangen. Het gebeurde bij wijze van spreken onder de toonbank. Niemand anders wist het en er werd ook onderling niet verder over gesproken. De mensen om wie het ging wisten het en kwamen tegen sluitingstijd om nog een paar boodschappen te doen. Terloops namen ze de resten van de dag mee en als ze niet kwamen aten wij ze zelf op.

Tweede Wereldoorlog

Pas veel, veel later begreep begreep ik dat deze houding van mijn vader alles te maken had met zijn eigen verleden als vreemdeling en met dat van zijn broers en zussen. Zij maakten deel uit van de grote groep Duitse vluchtelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Historici schatten deze groep op ongeveer twaalf miljoen. Twaalf miljoen vluchtelingen in Duitsland. Waarom heb ik daar in de geschiedenislessen op school nooit iets over gehoord? Ik wist alleen dat er ongeveer vijftig miljoen mensen in Europa op de vlucht waren – een onvoorstelbaar aantal. Thuis werd over het verleden niet gesproken. We keken nooit naar oorlogsfilms. Ik zocht er geen diepere betekenis achter. Opvallend was wel de buitenproportionele angst van mijn moeder voor onweer. Als kind moest ik midden in de nacht opstaan, me aankleden en beneden in de woonkamer zitten. Een koffertje met de belangrijkste documenten stond dan naast mijn moeder klaar, zodat ze samen met ons, ‘mocht het inslaan’, het huis kon ontvluchten. Ook in dit geval begreep ik de traumatische achtergrond van dit zich vele malen herhalende tafereel pas vele jaren later. Mijn moeder was door de Reichsarbeitsdienst in de laatste jaren van de oorlog ingedeeld als conducteur op een tram in Hannover. Zij had geluk gehad zo dicht bij haar ouderlijk huis te mogen blijven. Veel van haar vriendinnen moesten veel verder weg, deels naar het front. Maar Hannover werd door de geallieerden gebombardeerd, toen mijn moeder daar aan het werk was. Luchtalarm, vluchten in schuilkelders, bommen die vlakbij insloegen, mensen in doodsangst. Toen ze weer naar boven mochten, stond Hannover in brand en lag alles in puin. Waar moest je naartoe? Hoe kwam je weer thuis? Lopen, veertig kilometer, er zat niets anders op. Alles lag plat. Op school had ik wel geleerd dat de geallieerden Nazi-Duitsland hadden gebombardeerd, maar het daardoor veroorzaakte leed en de traumatische ervaringen van de civiele bevolking waren daarbij nooit in beeld gekomen. Laat staan de verklaring waarom ik ’s nachts mijn bed uit en beneden moest zitten als het onweerde.
Ik groeide op met de informatie die ik op school over de Tweede Wereldoorlog kreeg. Objectieve feiten, min of meer vanuit het perspectief van de andere landen die het slachtoffer van Hitlers politiek waren geworden. En uiteraard ging het over het onheil dat het naziregime over de joden had gebracht, miljoenen vermoord in concentratiekampen, onvoorstelbaar. Diegenen die verzet tegen Hitler hadden gepleegd waren helden en ik vond het erg vervelend dat mijn ouders niet in dat groepje thuishoorden. ‘Waarom hebben jullie dan geen verzet tegen Hitler gepleegd?’ Ik hoor het me nog als puber van zestien verwijtend aan mijn ouders vragen. ‘Hoe hadden we dat dan moeten doen?’, zei mijn vader. ‘Je hebt geen idee hoe het toen was, mensen die er iets van zeiden, werden gewoon opgepakt en kwamen niet meer terug.’ Ik vond hun houding maar laf en wist zeker dat mijn generatie het allemaal veel beter zou doen. We zouden politiek bewuster in het leven staan, om niet achteraf te moeten zeggen: Wir haben es nicht gewusst.

aja

De vlucht

Nou, zo kun je je vergissen. Ik heb namelijk tot vijftien jaar geleden heel veel nicht gewusst. Het hele verhaal over de vlucht van mijn familie uit Oost-Pruisen bijvoorbeeld was mij onbekend. Hoe is het mogelijk dat in al die jaren er nooit over is gesproken? De verhalen over de Tweede Wereldoorlog gingen voor mijn gevoel over onbekenden. Ik kwam er gewoon niet op dat ze ook over mijn eigen familie konden gaan. Over tante Annie die met haar man en vier kinderen in het Rijnland leefde en mijn lievelingsoom Alfons, bij wie ik als kind heel vaak op vakantie was in het Sauerland. En tante Lene, die met haar dochter Gisela bij ons op bezoek kwam, een heel zachtmoedige vrouw die in Zuid-Duitsland woonde en nooit een man heeft gehad. Of over mijn opa, die ik me alleen herinner als een oude blinde man die, als ik weer een keer op bezoek kwam, zittend in een leunstoel mijn hoofd en gezicht aftastte om een idee te krijgen hoe ik eruit zag. Hij sprak wel op een gekke manier Duits. Maar dat hadden alle broers en zussen van mijn vader wel een beetje. Het hoorde erbij en ik vond het normaal. Ik ging graag bij de familie van mijn vaders kant op bezoek. Je was er altijd welkom en het was er altijd gewoon gezellig. Ik had geen idee welk levensverhaal achter de zelfgebakken taart met fruit uit de tuin en het gezellige kaarten schuil ging.

Toen een van mijn neven vijftig werd, veranderde dat. Ik zat met tante Annie te praten en op een of andere manier kwamen we over haar moeder, mijn oma, te spreken. Ik heb haar nooit gekend, en ik vroeg terloops: ‘Waar is oma eigenlijk begraven?’ ‘In de tuin achter ons huis in Oost-Pruisen’, antwoordde mijn tante. ‘In de tuin?’, vroeg ik vol ongeloof. ‘Ja,’ zei tante Annie, ‘ze is net voor onze vlucht gestorven. We hebben haar in een laken gewikkeld en nog snel in de tuin begraven.’ Ik was verbouwereerd over deze mededeling. Want dat was het, een mededeling gespeend van elke pathos. En op dezelfde manier vertelde zij daarna het verhaal van hun vlucht, in januari 1945. Zij vluchtten voor het Russische Rode Leger, dat steeds dichterbij kwam. Het waren vooral de vrouwen, meisjes en kinderen die men voor de Russen in veiligheid wilde brengen, maar er waren ook veel ouderen die meeliepen in de grote trektocht vanuit Oost-Pruisen naar het Westen. De meeste mannen waren weg, ergens in het Duitse leger gestationeerd. De vrouwen namen het initiatief. Natuurlijk was het een ramp om in de winter hals over kop te vertrekken, maar ze mochten geen tijd meer verliezen. De nazipropaganda had het dreigende gevaar proberen te verdoezelen en de civiele bevolking begreep dat veel te laat. De vrieskou maakte dat velen de tocht niet hebben overleefd. Vooral veel ouderen waren na een aantal dagen te uitgeput om nog verder te lopen en moesten worden achtergelaten. Ze vertelde over baby’s die in de armen van hun moeders aan onderkoeling stierven en hoe die vrouwen moesten worden gedwongen hun dode kinderen niet langer in hun armen mee te nemen, maar in de sneeuw te begraven. Mensen waren uitgeput en uitgehongerd. Zij bedelden bij mensen waar ze langskwamen om voedsel en zochten in kelders naar etensvoorraden om te overleven. De trektocht ging over een dichtgevroren stuk Oostzee, het Haf. Hier en daar begaf het ijs het en dan verdwenen mens, paard en wagen in de diepte. Maar niet alleen de kou en de honger waren hun vijanden. De vluchtelingen werden vanuit de lucht door bommenwerpers belaagd en onder vuur genomen. Er voltrok zich een gruwelijke humanitaire catastrofe die honderdduizenden mensen het leven heeft gekost. De leden van mijn familie hebben het overleefd. Bijna was het aan het einde nog misgegaan omdat mijn tante en oom mee wilden met het schip dat alle vluchtelingen en gewonde soldaten naar Scandinavië zou brengen. Maar zij kwamen het schip niet meer op, het zat vol. Er waren al veel te veel mensen aan boord, meer dan 10.000. Het bleek hun redding te zijn. De Wilhelm Gustloff, een van de grootste passagierschepen uit die tijd, werd door een Russische onderzeeër voor een oorlogsschip aangezien en getorpedeerd. Slechts 1200 mensen konden worden gered. De overige 9000 passagiers, vooral vrouwen, kinderen en ouderen, zonken met deze gigant naar de bodem van de Oostzee, waar het wrak nog steeds op 45 meter diepte ligt. Het was de grootste scheepsramp aller tijden. Zes keer zoveel mensen verloren hun leven als bij de ondergang van de Titanic.

wilhelm

De familie van mijn vader werd verspreid over vluchtelingenkampen in Duitsland. Ze kwamen in barakken te wonen en bezaten niet meer dan een koffer met een paar kleren. De taal was gelukkig geen probleem, want mijn familie kwam uit de buurt van Allenstein, het Duitssprekende katholieke deel van Oost-Pruisen, ook al klonk het anders dan het Duits van de autochtone bevolking van West-Duitsland. Als vluchteling waren zij volstrekt op de hulp van mensen om hen heen aangewezen. Zij gingen op zoek naar elkaar, want tijdens de vlucht waren ze elkaar kwijtgeraakt, en begonnen hun bestaan weer opnieuw op te bouwen. Dat deed ook mijn vader die tijdens de oorlog in Zuid-Italië voor het Duitse leger bommen in gevechtsvliegtuigen moest laden. Hij kwam aan het einde van de oorlog in krijgsgevangenschap en belandde na zijn vrijlating als knecht bij een boer in het dorpje waar mijn moeder met haar ouders woonde. Mijn opa en oma waren niet echt blij met een onbemiddelde vreemdeling als schoonzoon, maar uiteindelijk trouwden zij toch. Mijn zus werd geboren en tien jaar later kwam ik als nakomertje ter wereld, niet wetende dat ik op een dag ook vreemdeling zou worden, maar dan op een heel andere manier.

Nederland

In de zomer van 1983 begon mijn leven als vreemdeling, alleen wist ik dat toen nog niet. Ik was begin twintig, studeerde theologie in Marburg in Duitsland en had besloten een jaar in het buitenland te studeren. Ik wilde naar die stad die bij menigeen herinneringen aan of fantasieën over drugs, gestolen autoradio’s en ongekende vrijheden oproept, Amsterdam. Het leek mij spannend om een tijdje in Amsterdam te leven en te studeren. Ik herinner me nog goed dat mijn ouders dat ook érg spannend vonden.

Ik was benieuwd naar Nederland, wilde land en mensen leren kennen en vooral veel nieuwe theologische impulsen mee naar Duitsland terugnemen. Ik kreeg in Duitsland een beurs voor Nederlandse taal en cultuur op Nijenrode, georganiseerd door het Nederlandse ministerie voor cultuur en wetenschappen. Acht weken lang kreeg ik samen met diplomaten uit de hele wereld elke ochtend les in de Nederlandse taal. Met een koptelefoon op studeerden wij ijverig en deden ons best de ‘uien in de keuken’ enigszins Nederlands te laten klinken. ’s Middags kregen we les in Nederlandse geschiedenis en cultuur met de daarbij behorende excursies om het erfgoed met eigen ogen te aanschouwen. Een betere cursus integratie bestaat niet.

Na die cursus sprak ik vrij snel vloeiend Nederlands en voelde ik me in het tolerante en multiculturele Amsterdam thuis, afgezien van de deuken waaronder mijn auto met een Duits kenteken regelmatig te lijden had. Twee jaar later nam ik het besluit niet meer naar Duitsland terug te keren, maar mijn toekomst in Nederland op te bouwen.

De ‘geïntegreerde ander’

Zo werd ik een deel van de geschiedenis geschiedenis van Duitse migranten die tot aan de jaren zestig van de twintigste eeuw de grootste groep vreemdelingen in Nederland was. Of ik wilde of niet, ik hoorde nu thuis in het rijtje van diegenen die worst, bier, de kerstboom, het turnen en het winkelen als vrijetijdsbesteding naar Nederland hadden gebracht en niet te vergeten de Tweede Wereldoorlog. Vooral de confrontatie met het naziverleden vanuit het perspectief van een volk dat door Nazi-Duitsland was overvallen en bezet, hield me bezig. De complexiteit van de daarmee verbonden oordelen en vooroordelen ten aanzien van de Duitsers, tegenover het land waarin ik ben opgegroeid en waar mijn familie, vrienden en vriendinnen leven, vond ik moeilijk. Het raakte me pijnlijk als men in mijn aanwezigheid over de moffen sprak. Wanneer ik dan min of meer schertsend zei: ‘Overigens, er is ook een mof in jullie midden’, werd verschrikt beweerd dat ik natuurlijk een uitzondering was en daarmee uiteraard niet bedoeld werd. En bovendien: ‘Het is toch nauwelijks te horen dat je Duitse bent, je spreekt zo voortreffelijk Nederlands, veel beter dan prins Bernhard!’ Kunst, dacht ik dan bij mezelf, het Duitse accent van Bernhard was ook nauwelijks te overtreffen.

Zolang ik in Duitsland leefde was mijn identiteit voor mezelf eenduidig geweest. Als zovelen van mijn generatie was ik met afgrijzen vervuld over de Tweede Wereldoorlog en over de Shoah. De leus ‘Nooit meer Auschwitz, nooit meer oorlog’ was mij uit het hart gegrepen en ik verafschuwde alles wat met de Nazi-ideologie in verband gebracht kon worden. Er was geen twijfel mogelijk. Ik stond aan de goede kant, daarvan was ik zeker. Deze zelfverzekerdheid werd in het buitenland ineens ruw verstoord. Tot mijn verbazing telde hier niet alleen wie ik als persoon was, maar werd ik beoordeeld op grond van mijn nationaliteit. Ik hoorde bij een groep, bij de Duitsers. Mijn naam en mijn accent verraadden mijn anders-zijn. Ik was Duits en daarmee blootgesteld aan alle ervaringen en projecties die Nederlanders met Duitsers verbinden. Een ingrijpende ervaring. Ik begon mijzelf en mijn land met Nederlandse ogen te zien. In het begin merkte ik het nog niet, maar in de loop der tijd probeerde ik meer en meer mijn afkomst te verbergen. Ik sprak in het openbaar liever geen Duits en als het toch moest dan heel erg zachtjes. Ik perfectioneerde mijn Nederlands dusdanig dat er nauwelijks een Duits accent te horen viel. Deed ik dat uit schaamte vanwege het Duitse verleden, wilde ik in het buitenland niet als Duitse herkend worden? Ik kan deze vraag noch bevestigend noch ontkennend beantwoorden. Ik wilde er gewoon bij horen, gewoon, als de persoon die ik ben. Maar hoe goed ik de taal ook spreek en hoe zeer ik me de Nederlandse gewoonten en gebruiken eigen heb gemaakt, voor de Nederlandse autochtoon die mij voor de eerste keer ontmoet, blijf ik de vreemdeling, aan wie gevraagd wordt waar ik eigenlijk vandaan kom (het is gelukt, niet iedereen hoort meteen een Duits accent!) en of ik weer terug wil of in elk geval met vakantie naar huis ga? Ongetwijfeld, dit is allemaal goed bedoelde small talk en misschien zelfs oprechte belangstelling, maar het drukt je elke keer weer met je neus op het feit dat je vreemdeling bent, niet écht thuis in Nederland, ook ben je al jaren in het bezit van een Nederlands paspoort.

Deze identiteit als geïntegreerde ander en de daarmee verbonden insider/outsider positie deel ik met vreemdelingen uit andere landen, zonder daarmee overigens te willen ontkennen dat er ook grote verschillen onderling bestaan. Immers, welke doorsnee vreemdeling krijgt een integratiecursus op Nijenrode? Toch herken ik veel in gesprekken met mensen die eveneens migrant zijn, ook al hebben ze een andere etnische of religieuze achtergrond. Ze zijn geïntegreerd en toch anders, voor de inheemse bevolking maar ook voor zichzelf. Deze insider/outsider positie draagt bij tot onzekerheid en twijfel ten aanzien van de eigen identiteit, maar tegelijk opent deze positie ook een nieuw perspectief. De vraag: ‘Wie ben ik?’, is niet langer eenduidig te beantwoorden. Ik ben Nederlandse, betekent in mijn geval dat ik in het bezit ben van een Nederlands paspoort en dat ik sinds drieëndertig jaar woon en werk in Nederland, maar ik ben in Duitsland geboren en opgegroeid. Ik had Duitse ouders, die de Tweede Wereldoorlog nog hebben meegemaakt en de eerste drieentwintig jaar van mijn leven ben ik gevormd door de Duitse naoorlogse cultuur. Ik ben een Duitse Nederlandse. Mijn identiteit, mijn ik, ervaar ik niet als onveranderlijk noch aan een bepaalde nationale essentie gebonden. Mijn identiteit is een Duits-Nederlandse constructie, waarin alle facetten van weer andere identiteitsbepalende (levens)ervaringen, als witte, economisch onafhankelijke, heteroseksuele vrouw zonder kinderen een rol spelen. Niet stabiele wezenskenmerken, maar het toeval en het bewust gekozen ‘toebehoren’ bepalen het proces van deze identiteitsvorming. Ook al is identiteit nooit statisch en eenduidig geweest – nog nooit was identiteit in Europa zo gelaagd als aan het begin van de 21e eeuw. Een identiteit die niet meer alleen met één paspoort kan worden uitgedrukt.

Toekomst

Vandaag wordt Europa op een nieuwe manier geconfronteerd met de aloude vraag hoe wij om moeten gaan met de vreemdeling. In overvolle bootjes wagen zij de levensgevaarlijke oversteek naar het veilige Europa. Velen bereiken het beloofde land niet. Zij verdrinken in de Middellandse Zee of sterven aan uitputting, onderkoeling en ziekten tijdens de lange barre tocht via Turkije, Griekenland en de Balkanlanden. Het verhaal van mijn familie behoort niet tot het verleden. De droom van de verlichting dat met de wetenschappelijke en technologische vooruitgang en het zich steeds verder ontwikkelende menselijk vernuft oorlogen en humanitaire rampen voorkomen zullen worden, is niet uitgekomen. Integendeel, reeds de twintigste eeuw ging als een van de gewelddadigste de geschiedenisboeken in. En de 21e eeuw dan? Luidt zij het einde in van de Europese droom? Het einde van de solidariteit met mensen die ‘het minder hebben dan wij’? De overwinning van het opkomen voor het eigen economisch belang ten koste van de christelijke en humanitaire waarden als naastenliefde, compassie en medemenselijkheid? Het valt niet te ontkennen: de in het verleden veel geprezen tolerantie van Nederland is voor veel Nederlanders inmiddels een nachtmerrie. Slogans als: ‘Grenzen dicht omwille van onze eigen veiligheid’, ‘eigen volk eerst’, ‘Nederland aan de Nederlanders’ – ze klinken griezelig in mijn Duits-Nederlandse oren. Ik weet dat er veel onmacht schuilt achter het agressieve gedrag jegens de vreemdeling, maar is het daarom minder gevaarlijk voor de waarden die dit land rijk is? Soms schaam ik me voor mijn Nederlandse paspoort als het om de politieke discussie over de omgang met de vreemdeling gaat – dan zou ik willen scanderen: minder pragmatisme – meer bezieling. Raken we met de secularisering van onze samenleving ook de menselijke maat kwijt? Waar is het besef gebleven dat achter al die cijfers over vluchtelingen verhalen van echte mensen schuilgaan? Wat is er misgegaan in onze samenleving als er mensen zijn die immuun lijken te zijn geworden voor het leed van ‘de ander’? Ligt hier een parallel met de graaicultuur in de financiële sector, waar het opkomen voor het eigen belang de boventoon voert? Het lijkt erop dat de koopman het in de lage landen heeft gewonnen van de dominee. Het morele appel dat het gelaat van de ander op je doet legt het af tegen de grote mond van de zelfbewuste homo economicus.

Waar zijn rust en wijsheid te vinden in tijden van angst en chaos? Hoe houd je je hoofd koel en je hart warm als die ander je vanzelfsprekendheden van een vraagteken voorziet en je rust verstoort door je met een andere visie op de wereld en op jezelf te confronteren? Als u dacht dat ik nu zou zeggen: ‘In de Bijbel vindt u antwoorden op deze vragen’, dan hebt u maar gedeeltelijk gelijk. Ik ben namelijk van mening dat religieuze en politieke overtuigingen niet met elkaar vermengd horen te worden. Het is een belangrijke verworvenheid van de verlichting om kerk en staat en in het verlengde daarvan ook synagoge, moskee of tempel en staat, te scheiden. Maar je levensovertuiging, dat wat richting en waarde geeft aan je eigen leven en aan dat van mensen om je heen, kun je niet loskoppelen van je politieke overtuigingen. Zij geven juist kleur aan datgene waarvoor je staat. Wijsheden uit alle levensbeschouwelijke tradities, seculier en religieus van aard, kunnen daarbij als inspiratiebron dienen. Verhalen uit de Bijbel, de Koran, de Veda’s, de Thora, maar ook eigentijdse literatuur, gedichten, kunst, muziek en niet te vergeten verhalen van gewone mensen, van ‘oude’ en ‘nieuwe’ Nederlanders, kunnen richtingwijzers in je leven zijn. Ware democratie veronderstelt verscheidenheid, veronderstelt dat wij elkaars meningen en overtuigingen met respect en openheid bejegenen, dat wij ernaar blijven zoeken hoe wij van elkaar kunnen verschillen zonder van elkaar vervreemd te raken en dat wij de gezamenlijke horizon in het oog houden, namelijk het goede leven voor allen.

Net zo goed als sommige romans, gedichten en films is voor mij de Bijbel daarbij een bron van inspiratie. Een verhaal over een volk dat immigreert, waarin de weerbarstigheid en ruwheid van het leven, maar ook de hoop op het beloofde land en de levenswijsheden die het onderweg heeft opgedaan zijn neergeschreven, afschrikwekkend wreed en ontroerend, ver weg en nabij tegelijk. En juist dan, wanneer het verhaal het onmogelijke vraagt, weet ik heel diep van binnen dat hier een goddelijke wijsheid in verborgen ligt, een onmogelijke mogelijkheid, die een appel op mij doet: ‘Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte.’

Bovenstaande tekst werd afgelopen weekend ook in het Friesch Dagblad geplaatst.

Manuela Kalsky

Manuela Kalsky

Hoogleraar Vrije Universiteit

Manuela Kalsky is directeur van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving (DSTS). Sinds 1 januari 2012 bekleedt ze de …
Profiel-pagina
Al 2 reacties — praat mee.