‘Ik ben moslim, ik ben jood, ik ben christen, ik ben hindoe, ik ben boeddhist’, antwoordt Nilgün Yerli op de vraag hoe ze haar geloof omschrijft. ‘De kern van al die geloven is liefde, dus waarom zou ik moeten kiezen? Op een formulier dat ik eens moest invullen in het vliegtuig naar India, schreef ik love bij de vraag naar mijn geloof. “Nice religion,” zei de man van de douane. Maar in Indonesië kreeg ik de geïrriteerde vraag: “What kind of religion is that?” “It’s all religions”, reageerde ik. Volgens de douanier was er maar één religie. “Nee”, zei ik, “er is maar één God, maar er zijn vele religies.” Toen richtte hij zich tot mijn man en vroeg hem wat zijn religie was. “Love”, zei mijn man. We werden nog net niet vastgehouden.’

Yerli is geen aanhanger van een religieus boek, geen lid van een geloofsgemeenschap en ze houdt zich niet aan geloofsregels. ‘Ik beschouw de ideeën van alle religies als basis voor mijn leven, zonder me ergens aan te binden. Ik geloof in mijn gevoel en in ontmoeting vanuit liefde. Ik wil alles wat leeft ontmoeten: mensen, dieren, planten. God zie ik niet als een lief manneke daarboven, maar als de liefde die ieder wezen in zich heeft en waaraan we allemaal zoveel behoefte hebben. We kunnen niet zonder elkaar. Ik geloof dat er veel meer liefde en mededogen in de wereld is dan haat en agressie, al krijgen we door het nieuws een andere indruk.’

Sabbat

Yerli en haar broers en zussen kregen een vrije islamitische opvoeding, eerst in Turkije en vanaf Yerli’s negende in het Friese Heerenveen. Daar had haar vader een baan gevonden als docent. ‘Hij was een liberale democraat die weinig bezig was met het geloof. Volgens mijn moeder bad hij wel voor het slapen gaan. Mijn opa, de vader van mijn moeder, was imam*. Hij gaf zijn kinderen een vrije opvoeding. Ze waren moslims, maar hoe ze dat uitoefenden bepaalde iedereen zelf. Zo moet geloof voor mij zijn: in vrijheid kunnen kiezen, anders wordt het indoctrinatie. Zo heeft mijn moeder ons ook opgevoed. “Wij zijn moslims, maar jij bepaalt zelf welk geloof je kiest”, zei ze.’

Thuis vierden ze islamitische feesten, en ook sommige joodse. ‘Pas twee jaar geleden heb ik van een nichtje gehoord dat mijn moeder en ik eigenlijk joods zijn, omdat mijn oma dat was. Dat is altijd stil gehouden, eerst vanwege de oorlog en later omdat mijn oma met een imam ging trouwen. Elke vrijdagavond hadden we thuis een familiediner. Als ik daar nu aan terugdenk, leek dat verdacht veel op de viering van het begin van de sabbat*. De vrijdagen waren heilig, mijn moeder bakte speciale broodjes en nodigde vrienden uit.’ Ook tijdens de islamitische feesten stond het samen eten centraal. ‘Daar genoot ik van.’

In het weekend ging het gezin vaak naar het Mevlanamuseum in Konya. Daar ligt de graftombe van de mysticus* en dichter Rumi, in de Middeleeuwen een leidende figuur binnen het soefisme*. ‘Ik beschouwde het als een tempel. We baden er ook, mannen en vrouwen samen, want het soefisme is een liberale tak van de islam. In feite waren we soefi’s, zonder dat we onszelf zo noemden. De gedichten van Rumi zijn zo meesterlijk mooi. Ze raken je hart en omhelzen je. Ik lees ze nog steeds elke dag. Ze leggen niks op en gaan alleen maar over liefde. Liefde is er altijd, ook al denk je wel eens van niet, zegt Rumi. Dat geloof maakt het leven verdraaglijk.’

Aan de islamitische richtlijn van vijf keer per dag bidden hielden de gezinsleden zich niet. ‘Van mijn ouders mochten we zelf kiezen of we baden. “Dat is iets tussen jou en God”, zeiden ze. Ik vond bidden fascinerend en heb mijn opa gevraagd om me een paar Arabische gebeden te leren. Mijn opa bad vijf keer per dag. Dat gaf hem rust, een goed gevoel. Dan was hij even één met God. Het zag er heel mooi en vredig uit, dus ik heb het nooit als iets negatiefs gezien.’

‘Omdat mij nooit iets is opgelegd in het geloof, heb ik ook nergens een hekel aan gekregen’, vervolgt ze. ‘Mijn moeder was dol op rituelen, symbolen en metaforen. Alles had een diepere betekenis, heel soefistisch. Dat maakt het leven mooi en geeft het zin. Elke zondag na het ontbijt ging ze bij ons thuis rond met een dienblad met daarop wat rijst, geld, bloemetjes, tarwe, goud en een bakje honing. Rijst stond voor vruchtbaarheid, geld voor rijkdom, bloemen voor het leven, tarwe voor hoop, goud voor de waarde van liefde en honing voor zoetheid. We moesten voelen en ruiken en een hapje honing nemen. Toen kreeg ik er de kriebels van, maar achteraf vind ik het prachtig. Nog steeds als ik teleurgesteld ben in de liefde, denk ik aan de honing die mijn moeder me gaf. Dan weet ik weer dat liefde vooral zoete kanten heeft. Ik zet nu soms zo’n dienblad neer voor mijn zoon Leon, die zich er ook aan ergert. Hopelijk zal hij het, net als ik, onthouden en helpt het hem eraan herinneren dat er meer in het leven is dan ipads en games.’

Nonneninternaat

Na hun verhuizing naar Nederland raakte de familie Yerli bevriend met de buren, die Jehova’s getuigen* waren. Ze gingen mee naar hun bijeenkomsten, maar bezochten ook wel eens de synagoge. Moskeeën waren er niet in Friesland in die tijd. ‘Mijn ouders vonden dat je moest kennismaken met andere religies, dat je niet moest vastroesten in je eigen geloof. De koran* staat open voor andere geloven, ook al wordt dat door veel moslims niet zo geïnterpreteerd. Jezus wordt in de koran bijvoorbeeld als een profeet erkend.’

Op haar vijftiende kreeg Yerli een vreselijke klap te verduren: haar moeder kwam om bij een auto-ongeluk. Yerli’s vader hertrouwde en ging terug naar Turkije. Opeens was ze helemaal op zichzelf aangewezen. Ze belandde in een nonneninternaat in Steenwijkerwold. ‘In die tijd waren de koran, de thora* en de christelijke bijbel een houvast voor mij. Ik ontdekte dat ze alle drie over liefde gingen. Ik ben op een islamitische manier gaan bidden, vijf keer per dag, omdat dat de enige manier was om contact met mijn moeder te hebben. Ik begon en eindigde altijd met: “Mama, blijf alsjeblieft bij me en verlaat me nooit.” Drie jaar lang heb ik dat volgehouden. Toen verscheen mijn moeder aan mij in een droom en zei: “Lieverd, laat me gaan.” Ik sprak erover met zuster Teresina, met wie ik het goed kon vinden. Zij zei: “Als je gelooft dat jouw moeder in je droom tot jou sprak, is het misschien tijd om haar te laten gaan.” Toen ben ik met het bidden gestopt.’

Zuster Teresina was een ‘vrije vrouw’ die op haar eigen manier geloofde. ‘Ze legde me van alles uit over het christendom en zei niet wat goed of fout was. Dat sprak me aan. Het was ook niet verplicht om op zondag naar de viering in de kapel te gaan. Meestal ging ik, alleen niet als ik tot laat was uit geweest. Ik vond het een fijne afsluiting van de week. Het had iets vredigs. In een synagoge of moskee heb ik hetzelfde, dan denk ik ook alleen maar aan vrede. Sinds 9/11 wordt de islam vaak met haat en wraak geassocieerd. Maar dat is interpretatie. Daarbij gaat het niet over het geloof zelf. In de kern is het geloof mooi, liefdevol, vredelievend.’

girl-512

Frieda Pruim

Journalist

Profiel-pagina
Manuela Kalsky

Manuela Kalsky

Hoogleraar Vrije Universiteit

Manuela Kalsky is directeur van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving (DSTS). Sinds 1 januari 2012 bekleedt ze de …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.