De verklaring heeft het over het Tweede Vaticaans Concilie van de Rooms-Katholieke kerk dat de eeuwenoude officiële leer van die kerk over het jodendom fundamenteel heeft veranderd. Antisemitisme wordt afgewezen, het eeuwige verbond tussen G’d en Zijn volk wordt bevestigd en de latere pausen beschrijven Joden inmiddels als “onze oudste broeder” en “vaders in het geloof.”

De verklaring neemt meteen een heel grote stap die bovendien historisch niet correct is: “Op basis van wat er tijdens dat Concilie werd besloten, zijn katholieken en andere christenen een oprechte dialoog begonnen met joden. Een dialoog die de afgelopen 50 jaar alleen maar is gegroeid.” Laat ik het dicht bij huis houden. Binnen de toch wel ingewikkelde Nederlandse plattegrond van christendom zijn er vele kerkgenootschappen die zich helemaal niets gelegen laten liggen aan Rome. De gereformeerde gezindte, naast andere, is daar een voorbeeld van. De uitspraken van de pausen en het concilie kunnen zeker in die gemeenschappen niet als uitgangspunt worden gezien voor het opstarten van het gesprek met de joodse gemeenschap.

Maar ook inhoudelijk klopt er een aantal zaken niet in de verklaring. Zo valt in de verklaring te lezen dat “de christelijke Messias de volkeren heeft verplicht zich te conformeren aan de zeven Noachitische geboden”. Dit kunnen wij als Joden nu wel vinden, maar veel christenen denken daar totaal anders over. Zij conformeren zich niet aan deze Noachitische wetten. Deze zeven wetten hebben voor hen geen rechtskracht, hebben voor hen geen basis in de Bijbel en zullen dan ook zeker niet, in hun visie, door hun Messias aan de volkeren zijn opgelegd.

Een ander Joods citaat in de verklaring luidt dat “christenen de Joodse Bijbel van het Oude Testament hebben geaccepteerd als een boek van G’ddelijke Openbaring”. Dat kan wel zo zijn, maar dan als een boek met een toch wel heel andere inhoud en exegese dan de Bijbel van de Jood. Veel christenen geloven bijvoorbeeld niet in de noodzaak dat de offerdienst, zoals deze is beschreven, opnieuw terugkomt. Zij gaan op een geheel andere wijze om met ‘de erfzonde’. Sterker nog, veel christenen zijn er op grond van hun verstaan van die G’ddelijke openbaring van overtuigd dat het verbond van de Eeuwige met het joodse volk niet langer bestaat. Of, tenminste onder druk staat omdat de jood aan het verstaan van die G’ddelijke openbaring een volledig andere invulling geeft. Van deze wel heel grote geloofsverschillen maakt de verklaring geen melding, terwijl wel op een simpele manier wordt verklaart dat “wij Joden geloven dat G’d meerdere boodschappers kent die Zijn waarheid verkondigen”. Bij het lezen van deze laatste regel vroeg ik mijzelf meteen af hoeveel waarheden de G’ddelijke openbaring in de ogen van de ondertekenaars eigenlijk kent?

En dan ten slotte het citaat dat “wij Joden de constructieve deugdelijkheid van het christendom mogen erkennen als onze partner in de verlossing, zonder de vrees dat dit zal worden uitgebuit voor missionaire doeleinden”. Inmiddels is er hier in Nederland al één reactie op verschenen in de vorm van een ‘blijde’ boodschap dat “wij christenen nu getuige zijn van het ongedaan maken van 2000 jaar joodse afwijzing en vijandschap tegen Jezus, voor iedereen een wonder. Want aan de hartgrondige weigering van joden om Jezus te aanvaarden komt langzaam maar zeker een einde, nu toenemende aantallen prestigieuze orthodoxe rabbijnen Jezus weer verwelkomen.” Daarnaast zijn dergelijke reacties ook al terug te vinden op de verschillende sociale media.

Ikzelf zou niet graag het woord ‘uitbuiten’ gebruiken. Missionaire doeleinden hebben voor veel christenen veel minder van doen met ‘uitbuiten’ dan met het expliciet omgaan van de getuigenis-opdracht in de christelijke Bijbel. Sterker nog, juist binnen de gereformeerde gezindte wordt het niet getuigen over de christelijke Messias tegenover de jood beschouwd als het onthouden van het heil aan die jood. Voor mij is het raadselachtig hoe de samenstellers van de verklaring met hun toch hoopvolle boodschap aan deze absolute geloofsovertuiging voorbij konden gaan.

Wat is er met deze verklaring van verbondenheid fout gegaan? Allereerst: het tonen van betrokkenheid bij het christendom, zoals de samenstellers die kennelijk beogen, laat zich niet vatten in de beknoptheid van een verklaring. Het citeren van de joodse bronnen zoals dit gegaan is, zonder de context van die bronnen te hanteren, is riskant en leidt tot een afwijken van de oorspronkelijke inhoud en intentie van die bronnen. Het wekt verwachtingen die deze orthodoxe rabbijnen niet kunnen, maar ook niet willen waarmaken. Deze manier van citeren leidt binnen de christelijke exegese voorspelbaar tot een uitleg zoals dit inmiddels is gebeurd: “De jood gaat eindelijk de christelijke Messias erkennen.”

Het in één adem noemen van Rome en het reformatorisch christendom, ook met betrekking tot het jodendom, is niet alleen een onhandigheid. Iedereen die inhoudelijk betrokken is bij de gesprekken met christenen, met betrekking tot exegese binnen de verschillende denominaties, weet dat dit een weg is die niet tot een waarheid kan leiden die de verklaring beoogt. Ook niet binnen het huidige oecumenisch klimaat.

Het tonen van betrokkenheid met het christendom mag zeker en is een nobel streven. Zo’n verbondenheid kan echter alleen gaan over een maatschappelijke betrokkenheid, uitgaande van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor G’ds schepping. Maar daar houdt het gemeenschappelijke op. Zo gauw die gemeenschappelijkheid een religieuze joods-christelijke inhoud gaat krijgen, wordt een verklaring zoals de onderhavige een struikelblok voor zowel christenen als joden. Met alle misvattingen, valse illusies en foute voorstellingen van zaken tot gevolg. Dit kan nooit de bedoeling zijn geweest van deze orthodoxe rabbijnen.

Lody van de Kamp2

Lody van de Kamp

Rabbijn

Afkomstig uit een Joods gezin waarvan de vader twee jaar doorbracht in het concentratiekamp Auschwitz en de moeder als onderduikster de …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.