japan

Minister-president Mark Rutte betreurt het dat Indische Nederlanders zich sinds de Tweede Wereldoorlog niet erkend hebben gevoeld door de Nederlandse regering. Dat zei hij afgelopen zaterdag bij de herdenking van de Japanse capitulatie zeventig jaar geleden. Hans Onno van den Berg besloot de toespraak van Rutte te herschrijven omdat hij zich ergerde aan o.a. “de beperkte reikwijdte van de gedachten van onze premier”.

Door: Hans Onno van den Berg

Bij de herdenking van 70 jaar bevrijding van de Japanse bezetting in Indonesië en voormalig Nederlands-Indië

Majesteit, de weledele ambassadeur van Indonesië, en alle andere aanwezigen,

70 jaar geleden is het dat Japan de oorlog in voormalig Nederlands-Indië beëindigde. Het aantal mensen dat de verschrikkingen van die oorlog heeft meegemaakt wordt elk jaar minder. Toch zijn er ook dit jaar meer mensen aanwezig op deze herdenking dan eerdere jaren. Steeds meer mensen geven blijk van hun betrokkenheid. Dus wie denkt dat het boek van de oorlog in het verre Indië inmiddels wel gesloten kan worden, ziet alleen al aan uw opkomst dat dit niet waar is. In meerderheid zijn hier mensen, die, net zoals ik, die oorlog en zijn ontberingen niet zelf hebben meegemaakt, maar die hem kennen uit de verhalen van hun ouders en grootouders, van verre familieleden. Zij zijn hier aanwezig om aan die herinnering eer te bewijzen, om in al zijn rituele herhaling stil te staan bij een onderdeel van onze vaderlandse geschiedenis waarvan het boek blijkbaar nog niet is gesloten. Waar jongere generaties vragen hebben waarop door hun ouders en grootouders soms van harte, vaak met aarzeling en soms met tegenzin, antwoord wordt gegeven.

Dus: het boek over de 3,5 jaar Japanse bezetting van Indië is niet gesloten. Telkens worden er nieuwe verhalen aan toegevoegd, telkens blijkt er reden om nieuwe vragen te stellen en op zoek te gaan naar nieuwe antwoorden.

Ook wij hebben ons als samenleving, maar ook als regering, telkens nieuwe vragen te stellen die om een antwoord vragen. Steeds weer opnieuw zullen we ons rekenschap moeten geven van hetgeen er is gebeurd en hoe wij daar in de jaren die erop zijn gevolgd op hebben gereageerd. Want natuurlijk herdenken wij hier allereerst de slachtoffers van de oorlogsjaren zelf, van maart 1942, toen Japan er tot werkelijk ieders totale verrassing in slaagde om in korte tijd grote delen van Zuid-Oost Azië te bezetten. Met ongekende koloniale eigendunk, om niet te zeggen hooghartigheid, gevoed door raciale vooroordelen, geloofde niemand dat Japan in staat zou zijn tot een dergelijke snelle en overtuigende overwinning. Hun piloten zouden nimmer in staat zijn onze schepen te raken omdat “hun ogen te dicht bij elkaar staan om goed diepte te kunnen zien…”, zo luidde één van de blanke vooroordelen. Wij achtten ons onverwinnelijk, maar moesten na het verlies van de vloot op de Javazee binnen een week capituleren aan een land waarvan wij ten diepste overtuigd waren dat zij onze ongelijke waren, dat zij niet aan ons niveau van beschaving en technologie zouden kunnen tippen.

Wij moeten in onze herdenking dus verder reiken dan het leed van de Nederlanders en Indo’s – zoals de halfbloeden van gemengd Nederlands-Indische afkomst werden genoemd – en van wie de overlevenden en hun kinderen en kleinkinderen hier nu in zo grote getale aanwezig zijn.

Wij zullen ons rekenschap moeten geven van het totale gebrek aan erkenning dat de teruggekeerden hier in ons land ten deel viel. De benepenheid waarmee zij hier werden ontvangen. De schraperige opschorting van salarissen bij zowel overheid als bedrijfsleven die de internering in de kampen eendrachtig hebben beschouwd als uitdiensttreding waarvoor geen salaris meer verschuldigd was. Nog los van de bureaucratische rompslomp waarmee de overige regelingen waren omgeven, is deze krenterigheid een schandvlek die ook nu, na 70 jaar, nog altijd niet is uitgewist. Onze regering zal zich hard maken om – samen met het bedrijfsleven – een fonds in het leven te roepen waarmee alsnog recht gedaan kan worden aan het onrecht dat hier velen van de teruggekeerden is aangedaan.

Belangrijker nog is dat wij ons rekenschap geven van het leed dat is aangedaan aan alle inlandse Nederlanders. Want natuurlijk heeft de vrijheidsstrijd van 1945-1949 een scheidslijn getrokken tussen Nederland, het koloniale moederland, en Indonesië, de voor zijn vrijheid strijdende kolonie. Deze strijd heeft ons wellicht het zicht ontnomen op het feit dat de Japanse bezetting niet alleen blanke Nederlanders (in de kampen) en Indo’s (de buitenkampers) heeft getroffen, maar ook en vaak in veel heftiger mate de inlandse bevolking. Die inlandse bevolking was op het moment van de Japanse bezetting Nederlands onderdaan. Dus zij verdienen het, meer dan tot nu toe vaak gebeurt, deel uit te maken van deze herdenking, deel uit te maken van wat toen nog onze gezamenlijke geschiedenis was. Zo is de bouw van de Pekanbaroe-spoorlijn op Sumatra door dwangarbeiders in Japanse kampen in meerdere boeken uitvoerig beschreven en gefilmd, maar daarbij heeft de nadruk te vaak en te eenzijdig gelegen op de ruim 2.500 blanke Nederlandse en Engelse krijgsgevangen (POW’s) die daarbij zijn omgekomen. Veel minder aandacht is er voor de 80.000 romousha’s, inlandse dwangarbeiders die bij de bouw van deze spoorweg het leven lieten. Romousha’s werden door de Japanners geworven door bij filmvertoningen in de grote steden aan het einde van de voorstelling bij de uitgang van de bioscoop de mannen van de vrouwen te scheiden en de mannen naar de werkkampen te sturen. Die 80.000 romousha’s die zijn omgekomen bij de bouw van de spoorlijn over Sumatra zijn slechts een beperkt deel van alle Indische Nederlanders die in die 3 jaar door de Japanners zijn geronseld en in werkkampen om het leven zijn gekomen. De Nederlandse regering zal in overleg treden met Indonesië om de lotgevallen van deze onfortuinlijke landgenoten uit die tijd beter in kaart te brengen dan tot nu toe is gebeurd.

Wij zullen ons ook rekenschap moeten geven van de wel erg beperkte spijtbetuigingen van de Japanse regering. Weliswaar heeft de Keizer opnieuw zijn excuses gemaakt voor alle leed dat door Japan 70 jaar geleden in Zuid-Oost Azië is aangericht, maar premier Kobe heeft – opnieuw, hij deed dat al eerder – zijn berouw verpakt in een toespraak waarin hij meldde dat een land niet kan doorgaan met het maken van excuses, dat er eens een eind aan zal moeten komen, dat we verder moeten naar de toekomst en dat daartoe een herhaald stilstaan bij een gruwelijk verleden in de weg staat. Terecht zijn daar vele landen, waar de meeste slachtoffers zijn gevallen, boos over geworden. Niet alleen toenmalig Nederlands-Indië, maar ook – en meer nog – China, Korea, Birma en Thailand hebben immens te lijden gehad onder het gruwelijk gewelddadig en bij wijlen racistisch optreden van het Japanse leger. Want hoezeer wij – vanuit gerechtvaardigde gronden – racisme veelal zien als een bij blanken heersend giftig vooroordeel, juist de Tweede Wereldoorlog heeft laten zien dat er andere, niet-blanke vormen van racisme bestonden. Japan achtte zich volstrekt superieur aan niet alleen blanke tegenstanders, maar ook en vooral aan andere Zuid0ost-Aziatische volkeren, zoals Korea, Thailand, China en de inwoners van Nederlands-Indië. De Nederlandse regering zal er bij Japan op aandringen dit onderdeel van de geschiedenis meer aandacht te geven dan deze nu krijgt. Niet alleen als serieus wetenschappelijk historisch onderzoek, maar ook in Japanse schoolboekjes waar deze kant van de oorlog schromelijk wordt onderbelicht. Japan zou hierin een voorbeeld kunnen nemen aan Duitsland, waar zowel Angela Merkel als Von Weiszäcker opnieuw hebben benadrukt dat geen enkele spijtbetuiging opweegt tegen het leed dat is aangebracht.

Maar bovenal zullen we ons rekenschap moeten geven van de manier waarop Nederland zich na 1945 in Indië – vanaf 19 augustus 1945 Indonesië – heeft gedragen. De tienduizenden doden die het gevolg waren van wat lange tijd door onze regering eufemistisch als ‘politionele actie’ werd betiteld – geframed zouden we vandaag de dag zeggen – is pas kort geleden genoemd zoals deze acties genoemd horen te worden: een oorlog tegen de vrijheidsstrijd van Indonesië. Er waren wellicht goede redenen om de zichzelf tot machthebber en volksvertegenwoordiger uitgeroepen volksleiders te wantrouwen, maar niets rechtvaardigt de hardnekkigheid waarmee Nederland vond dat hier een militaire oplossing voor gevonden moest worden. Tegen alle adviezen van de internationale gemeenschap in, met tegenwerking van de Verenigde Staten en de Verenigde Naties, volhardde Nederland – ten onrechte – in een koloniaal superieur gedachtegoed. En hoe schaamtevol is het dat een serieus onderzoek naar wat nu ‘structureel geweld’ genoemd wordt pas nu, 70 jaar na dato en dan nog niet eens in Nederland maar in Bern, Zwitserland, plaats moet vinden. Wij kunnen het verleden niet herstellen. Wij kunnen excuus aanbieden, maar hoe mooi dat voor een korte termijn ook mag klinken, daar heeft niemand echt wat aan. Veel kunnen we niet doen, maar wat we kunnen doen, zullen we doen. Niet alleen zullen wij ook in Nederland serieus onderzoek entameren naar wat niet langer als ‘exces’ maar als ‘structureel’ geweld aangemerkt moet worden. Ook zullen wij als regering vanaf heden niet langer december 1949 beschouwen als het begin van de staat Indonesië, maar onder erkenning van ons historisch ongelijk, vanaf heden 17 augustus 1945 in de boeken schrijven als het begin van de staat Indonesië. De souvereiniteitsoverdracht van december 1949 is daarmee niet van zijn betekenis beroofd. Integendeel. Dat blijft het sluitstuk waarmee formeel werd bezegeld wat vier jaar daarvoor al feitelijk was bereikt: een zelfstandig Indonesië.

Blijft over de rekenschap die de Indonesische regering zich moet geven van hetgeen men met de verworven vrijheid – Merdeka – heeft gedaan. Natuurlijk zijn er successen en overwinningen te melden. 240 miljoen inwoners – in 1945 nog 80 miljoen – hebben meer te eten en te besteden dan in het verleden. Ook onderwijs en gezondheidszorg hebben grote vooruitgang geboekt. Maar op de corruptie-index staat Indonesië op de 107de plaats met een score van 34 (TPI 2014), mensenrechten worden nog te vaak met voeten getreden, nog te veel vrouwen zijn slachtoffer van discriminatie en onderdrukking en religieuze tegenstellingen zorgen voor spanning en bloedvergieten waarop de regering geen greep lijkt te hebben. Ik aarzel deze laatste zinnen uit te spreken. Want begeef ik mij hier niet over de grens van de oprechte zorg om terecht te komen in de o zo gekende neokoloniale betweterij? En toch spreek ik hem uit. Onze relatie is er nu al tientallen jaren één van internationale politieke gelijkwaardigheid. Een gelijkwaardigheid die door onze oude koloniale banden niet verstoord, maar juist versterkt wordt. Wij zeggen het nu niet meer als belanda betweter, maar als vriend met een lang verleden. Noblesse oblige, niet alleen voor Nederland, maar ook voor de Indonesische regering: herinner je de idealen waarmee de onafhankelijkheidsstrijd in 1945 is begonnen en die ten slotte met zoveel bloedvergieten – terecht – is gewonnen. Gedenk de ambities waarmee het koloniale juk werd afgeworpen en maak waar wat toen op de vaandels stond geschreven.

Kortom: het boek van de Japanse bezetting van voormalig Nederlands-Indië is nog lang niet dicht. Niet voor de tweede- en derdegeneratie nabestaanden, niet voor de Indische Nederlanders en nu Indonesiërs die in de geschiedschrijving te zeer zijn ‘vergeten’, niet voor de Japanse overheid die meer dan zij nu doet rekenschap moet afleggen aan de landen die zij 70 jaar geleden heeft onderdrukt en geminacht, niet voor de Indonesische overheid die nog een stevig stuk te gaan heeft om de met bloed en zweet bevochten idealen van 1945/1949 waar te maken, maar bovenal niet voor de Nederlandse overheid die de moed zal moeten hebben te erkennen dat de vier jaar ‘nasleep’ van deze bezetting alle reden geeft tot een diepe buiging van spijt en berouw. Een buiging tot de Nederlandse en Nederlands Indische repatrianten voor de benepen en schraperige terugkomst die hen ten deel viel, maar bovenal een buiging tot het Indonesische volk en zijn regering voor het kortzichtige geweld waarmee gepoogd is de onhoudbare status quo van voor 1940 te herstellen.

Het boek ‘de bevrijding van Nederlands-Indië’ kan en mag nog niet gesloten worden.

Hans Onno van den Berg is tweedegeneratie ‘binnen-kamper’

Nog geen reactie — begin het gesprek.