“Christelijke naastenliefde! Dat is waar Nederland behoefte aan heeft!… Liefde die ons leert knielen! …. leert bukken! … voor de ander!” Aan het woord is de directeur van een christelijke omroep. Zijn spreektijd is een kwartier eerder al verlopen. De man was gevraagd een beschouwing te geven over de spanning rond religie in de media, maar heeft daar blijkbaar vanaf gezien. In plaats daarvan trakteert hij zijn publiek op een belerende preek met bijbehorende blik en armgebaren. Geestdriftig vervolgt hij: “Weg met die obsessie voor ons eigen ego! Wij moeten leren luisteren naar de armen, zwakken en onderdrukten!”

Stilte. Glazig staart het publiek naar het podium. Een man met een gebloemd overhemd tekent kleine poppetjes in de kantlijn van zijn aantekeningenblok. Deze vermaning had hij niet verwacht op een wetenschappelijk symposium over media en religie. De spreker kijkt tevreden de zaal in. De moderator bladert onrustig door een stapeltje losse papiertjes in de hoop tussen zijn aantekeningen een relevante vraag te vinden. Hij vindt niks.

Een niet al te beste advocaat voor naastenliefde. Zo zou je het hele voorval kunnen afdoen: de inhoud van de toespraak was sympathiek, de spreker paste er niet zo goed bij. Maar is daar alles mee gezegd? Wat nu als de weerstand van het publiek niet alleen te maken had met het gedrag van de spreker, maar met de christelijke liefde zelf; de liefde die de Westerse traditie diepgaand heeft beïnvloed? In Europa kunnen we niet anders dan erkennen dat we uit naam van naastenliefde niet alleen zelf door de knieën zijn gegaan, maar vooral ook anderen (lees: slaven, vrouwen, ‘inferieure rassen’ en religies) hebben laten buigen, knielen en sloven.

Seksisme, kolonialisme en racisme. Niet echt begrippen die we associëren met liefde, maar misschien hebben ze meer met elkaar te maken dan we denken. Niet omdat het christendom vanaf het begin gedoemd was een beschaving van koloniale expansiedrift te worden, maar omdat de radicale christelijke liefde ons heeft opgezadeld met een aantal blinde vlekken; een blindheid voor de werking van politiek, macht en eros. Of, in andere woorden, de christelijke liefde heeft het Westen een taal in handen gegeven waarmee het onderdrukking en marginalisering kon verdoezelen.

Blinde liefde. Over politiek, macht en eros

De Britse socioloog Salman Sayyid zegt over politiek: politiek ontstaat daar waar je een onderscheid kunt maken tussen vriend en vijand. Hoezeer we ook zouden streven naar een inclusief en harmonieus model, aldus Sayyid, mensen zijn begrensd en zullen altijd anderen buitensluiten. Politiek gaat daarom per definitie over conflict en macht, over in- en uitsluiting en over belangen en beslissingen die daarover genomen moeten worden.

Jezus was niet vies van politiek. Hij zette graag de verhoudingen tot religieuze en politieke leiders op scherp: hij speelde met hen, daagde hen uit en ondermijnde fijnzinnig hun gezag. Een armetierige bastaard die geen blad voor de mond nam tegen het establishment. Maar daar liet hij het niet bij. ‘Hebt uw vijanden lief’: met dat zinnetje zette Jezus de grondvesten van de hele politieke werkelijkheid op zijn kop. Van Sayyid’s vriend-vijand-tegenstelling en politiek-als-machtsspel blijft niks meer over: vijand wordt vriend, zwak wordt sterk en haat wordt liefde.

De Joodse rabbi paste deze woorden tot het uiterste toe. Zijn dood was een stijfkoppige ontkenning van de kloof tussen macht en onmacht, vriend en vijand, schuld en onschuld, godslastering en vroomheid. Een daad van rebellie. Veel vrijheidsbewegingen hebben Jezus’ dood zo opgevat: als een aanstootgevende aanklacht tegen de macht. Een bron van verzet. Voor Afro-Amerikaanse slaven was het niet moeilijk zich te herkennen in een man die met een zweep werd toegetakeld en in rare kleren aan een boom werd gehangen. Hem ‘slaaf’ én ‘God’ noemen was een directe provocatie van hun ‘meester’ en diens godsdienst.

Toch heeft Jezus’ dood ons evengoed opgezadeld met een probleem, een soort zwaard van Damocles dat boven onze hoofden bungelt: zijn omkering van de macht kan weliswaar leiden tot rebellie en verandering, maar ook tot een blindheid voor macht. Want hoe kun je nadenken over macht en de werking ervan, als het concept van macht zelf is ondermijnd? En hoe kun je politiek bedrijven als de fundamenten ervan – conflicterende belangen en tegenstellingen tussen vriend en vijand– zijn opgeheven?

De Joden kregen deze paradox als eerste voor hun kiezen. Met een beroep op de liefde werd hun traditie afgedaan als wettisch, star en barbaars. De Joden wachtte niets anders dan de heilige toorn van God omdat ze zichzelf hadden opgesloten in een verouderd en exclusief verbond. Ze waren blind voor Christus’ alomvattende liefde. Paradoxaal genoeg werden de Joden dus op grond van de liefde juist uitgesloten.

Zo bleek de christelijke liefde niet in staat haar eigen belofte in te lossen: grenzen opheffen tussen Jood en Griek, tussen man en vrouw, tussen slaaf en meester. De radicaliteit van de christelijke liefde, de agape, lag erin dat die niets van de ander verwachtte; het was een gevende liefde die alleen zichzelf op het spel zette. Daarin verschilde ze van die andere liefde: de eros die altijd begrensd is, lichamelijk, en wordt aangewakkerd door blinde hartstocht of de willekeurige pijlen van Eros.

Maar de liefde die ruimte zou moeten geven aan de ander, ontwikkelde zich tot een liefde die alles aan zichzelf gelijk maakte ­– Joden moesten zich bekeren – of onderdrukte wat afweek van de christelijke mannelijke norm: vrouwen en slaven waren van een mindere soort. Hoewel er belangrijke vrouwelijke denkers, heiligen en mystici zijn geweest, domineerde het idee dat vooral mannen toegang hadden tot die alles-overstijgende liefde. Zij waren geestelijk. Vrouwen, Joden en slaven niet. Die zaten opgesloten in hun eigen lichamelijkheid.

Agape had met andere woorden de pretentie iedereen aan te gaan en bestaande grenzen op te heffen, maar leidde tot het omgekeerde. Misschien omdat mensen erotische wezens zijn en uit zichzelf nooit in staat ieder mens als ander lief te hebben. Eros kan met dit gegeven uit de voeten, agape niet. Agape pretendeerde universaliteit, terwijl het mannelijke tot norm werd verheven. Ten koste van Joden, vrouwen, slaven. Zij vielen buiten de boot.

Het was deze neiging – om met een beroep op de liefde politiek, macht en eros uit het oog te verliezen – die in het collegezaaltje zoveel weerstand opriep: de man op het podium moedigde met veel aplomb zijn publiek aan lief te hebben, maar kon zichzelf buiten schot houden. Hoewel ‘eros’, ‘politiek’ en ‘macht’ niet tot het vocabulaire van de directeur behoorden, waren ze op het podium niet minder aanwezig. Want wat gaf de spreker de autoriteit om anderen op te roepen zich klein te maken en hun naaste lief te hebben? Wie waren de ‘onderdrukten’ waar hij over sprak? En welke rol had hij zelf als witte man in ongelijke machtsverhoudingen? Door de algemene oproep tot naastenliefde verdwenen die vragen volledig uit beeld.

Depolitiserende liefdestaal: Amerika en racisme

Vraag is natuurlijk of dit verdoezelende liefdesvocabulaire zich alleen beperkt tot deze omroepdirecteur? Met andere woorden, is het een nicheprobleem dat alleen in kringen voorkomt waar het woord ‘christelijk’ nog in titels voorkomt? Of zien we de depolitiserende werking van liefdestaal veel vaker om ons heen?

Nadat in de zomer van 2015 een 21-jarige witte man negen zwarte kerkgangers had vermoord in de Afrikaanse episcopale methodistenkerk in Charleston, werd in de Nederlandse media lovend gesproken over de opstelling van de nabestaanden, de kerkgemeenschap en president Obama. Tijdens de herdenkingsdienst zette de president ‘Amazing grace’ in en een aantal dagen daarvoor had de zus van één van de nabestaanden tegenover de dader Dylann Roof verklaard: ‘Ik ben ontzettend boos. Maar mijn zus heeft me geleerd dat we een familie zijn van liefde. Hierdoor vergeef ik je.’

Deze door rouw gekleurde uitspraken van hoop en vergeving zijn natuurlijk niet te vergelijken met een voordracht op een symposium. Zo te reageren vergt moed en uithoudingsvermogen. Toch kopte The Washington Post een paar dagen na deze uitspraken ‘Black America should stop forgiving white racists’. De auteur Stacey Patton fulmineerde in het stuk niet zozeer tegen de nabestaanden, maar tegen journalisten die na iedere racistische moord in Amerika aan familieleden vragen of ze de dader al hebben vergeven.

Hoewel Patton erkent dat vergeving een vorm van verzet kan zijn – de dader is niet in staat gebleken het slachtoffer van zijn/haar menselijkheid te beroven – wijst ze er fijntjes op dat na de aanslagen van 9/11 niemand sprak over vergeving. Amerika zon op bloed en wraak en verklaarde de oorlog aan ‘de as van het kwaad’. Ta-Nehisi Coates, schrijver van de Atlantlic Monthly, twitterde iets soortgelijks: ‘Ik kan me geen campagne herinneren over ‘liefde’ en ‘vergeving’ na de onthoofdingen van ISIS.’

Woede of agressie van zwarte nabestaanden wordt gezien als ongepast of gevaarlijk, aldus Patton, en zwarte pijn wordt alleen gehoord nadat de witte dader is vergeven. Daarom springt de media massaal op getraumatiseerde familieleden die met liefde en compassie reageren op de moord van hun geliefden. Het is volgens Patton een manier om niet over racisme te hoeven praten. Een manier ook om de Amerikaanse witte cultuur te beschermen: Dylann Roof was geen terrorist of exponent van een ideologisch systeem, maar een individuele gek. Blanke mannen hebben geen kleur en met het post-raciale Amerika is niks mis.

Universitair docent Afro-Amerikaanse studies, Chad Williams zegt hierover: ‘Veel mensen zien ‘zwarte vergeving’ onterecht aan voor een absolutie van Amerika’s racistische zonden. De verwachting dat zwarten altijd zullen vergeven maakt radicale verandering en engagement met sociale gerechtigheid moeilijker.’ Kortom, vergeving en de eis van compassie en liefde zorgen vooral voor verdoezeling van de structurele uitsluiting en het geweld tegen zwarten.

Politieke liefdesspraak: Europa en racisme

Nu is het gemakkelijk om naar Amerika te wijzen als het over racisme gaat. In Europa vergeten we verrassend goed dat wij nagenoeg de bedenkers zijn van kolonialisme en rassenongelijkheid. Racisme in Europa ziet er weliswaar anders uit dan in Amerika, maar ook hier wordt liefdestaal ingezet om het vuile werk te doen. Zo worden moslims met een beroep op de ‘Joods-christelijke beschaving’ buiten de Europese cultuur geplaatst. Dat Joden tot en met de 20ste eeuw nauwelijks werden geaccepteerd als medeburgers, vergeten we voor het gemak even. Europa is Joods-christelijk. En de Islam, zo is de redenering, past niet bij ‘onze’ cultuur van tolerantie en humanisme.

Cynisch genoeg worden tegen moslims dezelfde stereotypen gebruikt als de Joden eeuwenlang op hun bord hebben kregen. Liefde staat tegenover wet, vrijheid tegenover despotisme  en de Verlichting tegenover barbarij. Een eeuw geleden vond men het Jodendom een gestagneerde godsdienst van de wet, met bijbehorende vreemde kledij en rare talen en rituelen. Nu zegt men hetzelfde over de Islam: de Islam is een godsdienst die niet past in de Europese beschavingsmars.

Helaas vertalen dit soort ideeën zich ook naar politiek beleid. David Cameron verklaarde onlangs dat Groot-Brittannië in de strijd tegen moslimterrorisme te tolerant is geweest. ‘Verdachte’ moslims, zo betoogde Cameron, zullen voortaan onder surveillance staan, nog voordat ze de wet hebben overtreden. Blijkbaar hebben niet alle burgers van Groot-Brittannië gelijke rechten: de liefde van de staat betreft iedereen, maar geldt voor de één (niet-moslim) net iets meer dan voor de ander (moslim).

‘Meten met twee maten,’ dat is de klacht die je in Nederland vaak hoort van moslims, maar ook van antiracisme activisten, ‘voor ons gelden andere regels’. Ze hoeven maar iets te zeggen in het publieke debat of iedereen valt over ons heen. Als Sylvana Simons tijdens De Wereld Draait Door aan Martin Simek vraagt waarom hij bootvluchtelingen ‘zwartjes’ noemt, reageert Simek: ‘Zo praten we toch over ze. Ik ben heel lief voor ze’.  En: ‘Dat is nou niet belangrijk, dat komt wel weer met Sinterklaas.’ Op Twitter werd Simons voor  ‘taalfetisjist’ en ‘hysterica’ versleten. Hoe had ze het in haar hoofd gehaald het mooie pleidooi van Simek te onderbreken?

Hoeveel kunnen minderheden zeggen in het publieke debat, dat is de vraag. Nederland wil zichzelf zien als tolerant en post-raciaal, maar wit en man is hier evengoed de norm. Als moslims iets inbrengen over het Midden-Oosten zijn ze al snel gevaarlijk, zeggen ze iets over islamofobie, dan wentelen ze zich teveel in hun slachtofferschap. Verontwaardigde moslims of antiracisten worden in Nederland net zo min geaccepteerd als woedende zwarten in Amerika. Quincy Gario en Tofiq Dibi moeten over eieren lopen om er niet van beschuldigd te worden ‘racisme op laag water te zoeken’.

‘White male anger is the only sanctioned anger’, schreef Stacey Patton. Witte mannelijke woede is de enige legitieme (en redelijke?) woede. Dat evengoed op voor Amerika, als  Nederland. Youp van ’t Hek, Theo Maassen en Hans Teeuwen storten al jaren hun ongenoegen uit over volle schouwburgzalen; Jan Mulder kan iedere maand zijn gal spuien in een Top 5 Ergernissen (!); om over Nico Dijkshoorn of Geen Stijl maar te zwijgen. Zet vrouwen, moslims of Surinamers in diezelfde positie en ze zijn ‘radicaal’ of erger ‘humorloos’. Willen zij geaccepteerd worden als serieuze gesprekspartner dan moeten ze vooral rustig zijn. Of mild en liefdevol.

De norm van liefde heeft zo het vermogen onze ogen vol te strooien met zand en verzet monddood te maken – ‘ze zijn zo boos, kan het niet wat liefdevoller?’. Onlangs sprak pastoor en activist Anthony Grimes zijn ongenoegen uit over mensen die zeggen dat de Black Lives Matter Movement en de opstanden in Ferguson niet spiritueel genoeg zijn. Grimes: ‘Die jongeren worden neergezet als radicalen en criminelen, maar ik heb daar de meest inspirerende mensen ontmoet. En inderdaad’, voegde Grimes toe, ‘in plaats van ‘We shall overcome’ scanderen de jongeren nu ‘Fuck the police’. Maar er zit waarheid in die zin’.

Politiek bewustzijn en scandaleuze eros

‘Fuck the police’. Misschien is dat de liefdestaal die we nodig hebben; liefde met politiek bewustzijn. Want hoewel agape ook rebellerende potentie heeft, is de uitwerking ervan voor vrouwen en minderheden vaak in hun nadeel gebleken. Door een blindheid voor macht en politiek kon ze gemakkelijk gebruikt worden om anderen de mond te snoeren. Temeer omdat mensen (misschien) bij uitstek erotische wezens zijn en maar slecht in staat meer mensen lief te hebben dan hun eigen clubje. Eros is daar eerlijk over, agape niet. Die heeft de pretentie iedereen aan te gaan.

Misschien heeft de christelijke liefde zo gefaald omdat ze de eigen lichamelijkheid niet genoeg onderkende: ze zou alles en iedereen moeten overstijgen, maar werkte in het voordeel van een klein clubje mannen. Ze zou een gevende liefde moeten zijn, maar werd een dwingende liefde. Ze claimde universeel te zijn, maar sloot alles uit wat afweek van de mannelijke norm. Vrouwen, Joden, zwarten, ‘natives’. Zij waren te lichamelijk. Te particulier.

Wat er gebeurde was dat mannen hun lichamelijkheid onzichtbaar konden maken. En zo werkt het nog steeds. Trek als witte man een pak aan en je bent een ‘talking head’. Vrouwen, zwarten of moslims hoeven zoiets niet te proberen – over hun outfit is altijd iets te zeggen: te islamitisch, te zakelijk, teveel bloemetjes, te ordinair, te bedekt, te etnisch. Vanuit een eros-perspectief bezien heeft iedereen een lichaam en zien we opeens ook het witte vlees dat uitsteekt onder gesteven grijze pakken.

Tijd dus voor een herwaardering van het politieke bewustzijn en de eros. Wat het eerste betreft: naastenliefde zou niet meer genoemd mogen worden zonder ook politiek te denken. We kunnen moeilijk van anderen verwachten mild of liefdevol te zijn zonder inzicht te hebben in de politieke verhoudingen. Wie wordt gevraagd lief te hebben of genereus te zijn (Simons, Dibi) en wie blijft buiten schot? (Mulder, Maassen, Teeuwen, ’t Hek) Wie wordt met een beroep op de liefde uitgesloten? (moslims, Joden, andere minderheden)

Wat de eros betreft: de scandaleuze versie daarvan, de eros die lichamelijk is en tegen het schandaal  aan schuurt, is misschien geschikter voor verzet tegen de status quo dan de algemene agape. De scandaleuze eros ondermijnt tenslotte wat ‘hoort’ en wat ‘niet hoort’. Niet alleen Youp van ’t Hek mag dan tieren en razen tijdens zijn oudejaarsconferentie (dat hoort), maar ook Sylvana Simons en Tofiq Dibi (dat hoort niet). Woede, agressie en verzet zijn met andere woorden niet meer voorbehouden aan een paar geprivilegieerde witte mannen, maar aan iedereen die in opstand wil komen. En dat is goed nieuws voor alle mensen die afwijken van de witte patriarchale norm: zwarten, vrouwen, onbetamelijke mannen, transgenders, homo’s, lesbiennes.

De eros is per definitie lichamelijk en eerlijk over die begrenzing. Dat is haar grensoverschrijdend potentieel: je moet hoe dan ook de discussie over haar aan, want ze is altijd beperkt. Ook in deze tekst. Want klopt het wel wat ik beweer over eros en agape? Welke vragen raken buiten beeld in deze tekst? Waarom schrijf ik over vrouwen, moslims, Joden en zwarten en niet over Hindoes, Latijns-Amerikanen of Chinezen? Waarom heb ik niet geschreven over de bedreigingen aan het adres van Hans Teeuwen? Wat zijn mijn blinde vlekken als witte vrouw uit Nederland? Denkend vanuit de eros kan een tekst niets anders zijn dan een begin van een gesprek. Of een goed conflict. Met de christelijke omroepdirecteur bijvoorbeeld, die ik in dit stuk mateloos te kort heb gedaan.

Dit essay verschijnt later dit jaar in Johan Goud red., Gekust door woorden. Talen van de liefde, Zoetermeer: Klement

Matthea Westerduin

Matthea Westerduin

Historicus en Theoloog

Matthea Westerduin is als promovendus verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
Profiel-pagina
Al 3 reacties — praat mee.