elzeIs er toekomst voor religiejournalisten? De afgelopen maanden interviewde Elze Sietzema-Riemer voor haar stage-opdracht voor Nieuwwij.nl maar liefst 5 deskundigen op het terrein van religiejournalistiek (theoloog Frank Bosman, theologe Ida Overdijk, internetondernemer Eric van den Berg, journaliste Naeeda Aurangzeb, presentator en cabaretier Narsingh Balwantsingh en journalist Daniël Gillissen) om een antwoord te vinden op deze vraag. Het werd een interessante interview-serie waarover veel werd gediscussieerd. Vandaag het laatste afrondende artikel van Elze waarin ze terugkijkt op de interviews en haar bestudering van boeken, artikelen en websites, maar ook vooruitkijkt.

Door: Elze Sietzema-Riemer

“Het bruist werkelijk als tien bruistabletten in een glas water van de nieuwe journalistiek. Nooit eerder is er ook zo veel nieuws, reportage en achtergrond verorberd als nu. Hoezo, de journalistiek in nood? Alsof met de Titanic de scheepvaart ten onder ging”. Rob Wijnberg ziet het veranderende medialandschap niet als een probleem, maar als een kans (1). Wanneer je als (religie)journalist die stap durft te zetten, uit je comfort-klaag-zone – dan zal de wereld voor je open liggen (2).

Of dat laatste feitelijk juist is doet er niet toe. Het gaat erom dat je zo de wereld dient te benaderen, wil je een kans maken. Net zoals de boekhandelaar niet meer kan volstaan met het simpel verkopen van boeken, kan de journalist niet volstaan met het al dan niet simpel vergaren en verspreiden van nieuws (3). In dit artikel betoog ik dat de (religie)journalist van de toekomst een gepassioneerde entrepreneur is, die op een creatieve manier zijn kwaliteiten aan de man weet te brengen. Iemand die weet hoe het veranderende medialandschap eruit ziet en daarop inspeelt (4). En, wat mij betreft, iemand die alle arrogantie overboord gooit en écht gaat luisteren en zien (5).

Verbinden + verdiepen = verheffen + verdienen
De geïnterviewde personen, de literatuur en het onderzoek wijzen er allen op dat er een toenemende behoefte is aan achtergrond, context en verdieping. De constante informatieflow zorgt voor onrust en verwarring, wat een vraag creëert naar betrouwbare en gespecialiseerde gidsen. Niet voor niets stelde Jeroen Smit, hoogleraar journalistiek, in zijn oratie de vraag: ‘Waarom worden krantenredacties eigenlijk niet vooral onderzoeksredacties?’. Niet alleen druk je zo drastisch de kosten (6), je speelt in op een belangrijke behoefte, terwijl je iets doet waar je waarschijnlijk het meeste plezier aan beleeft (7). Mark Deuze, professor in media studies, voegt daar nog een andere vraag aan toe in zijn oratie: Waarom niet op grote schaal samenwerken, bijvoorbeeld via het open verzamelen en uitwisselen van kennis en ervaringen? Zo kunnen journalisten voorbij gaan aan het oude ‘van alles een beetje weten’ en zich verdiepen in datgene waar hun passie ligt. De vraag is dus niet óf er een toekomst is voor (religie)journalisten, maar op welke manier. Jeroen Smit durft een succesformule te geven: verbinden + verdiepen = verheffen + verdienen. Naast die verdieping is het dus noodzakelijk dat je het beoogde publiek aan je weet te verbinden, al dan niet door middel van ‘user generated content’. Wanneer je die twee dingen hebt begrepen en toepast in een ‘maakmodel’ ben je in staat je publiek te verheffen en dan zal het verdienmodel vanzelf volgen, stelt Smit.

Entrepreneurship
Ik stelde dat de vraag niet is óf (religie)journalisten een toekomst hebben, maar op welke manier. Het antwoord daarop zal vooral afhangen van je eigen creativiteit en vaardigheden als journalist en entrepreneur. Waarin ga jij je onderscheiden van de rest? Ben je gedreven en durf je risico’s te nemen? Durf je van de gebaande weg af te wijken en je eigen pad te creëren? De Trendrede van 2014 stelt dat het de tijd is voor dergelijke bewegingen: “De energie komt niet langer uit het grote collectief, maar uit onszelf. Zelforganisatie is de bronenergie van onze maatschappij. (…) Nederland stevent af op een tijdperk van zelforganiserende dwarsverbindingen. De fundamentele revolutie voltrekt zich tussen de oren van de mens. De komende jaren draaien om de bewustwording en acceptatie van een nieuwe bronenergie. Het is de verschuiving van de macht van het instituut naar zelforganisatie die verandering aanstuurt. De nieuwe wereld groeit organisch. Vanuit zelforganisatie creëren we nieuwe weefsels, die samen een fluïde ecosysteem vormen”.

Verouderde ethische beroepscode
In het voorgaande heb ik geen onderscheid gemaakt tussen religiejournalisten en gewone journalisten, puur omdat dit niet hoeft – het zijn immers allebei primair journalisten. Toch is uit de interviews wel gebleken dat religie heel gevoelig ligt en dat er niet zelden onzorgvuldig met deze gevoeligheid wordt omgesprongen. Er is dan ook veel ruimte voor verbetering, welke volgens mij onder andere te bewerkstelligen is in de houding van journalisten ten opzichte van ‘de ander’. Er is uiteraard al een ethische beroepscode, maar deze is, het spijt mij, hopeloos verouderd (8). Als ik als religiejournalist aan het experimenteren zou slaan, op zoek naar iets vernieuwends, dan zou ik daar wat mee willen doen. In de overtuiging dat niet alleen ‘de ander’ tot zijn of haar recht komt, maar ook het journalistieke vak zelf. Zoals eerdergenoemde Trendrede het mooi formuleert: “Het is tijd voor mensen die recht willen doen door dwars te liggen”.

Waarheidsgetrouw berichten?
De huidige beroepscode is door en door modernistisch. Artikel 1.1 luidt zelfs: “De journalist bericht waarheidsgetrouw. Dit vloeit voort uit het recht van het publiek om de waarheid te kennen”. Volgens mij hebben wij onderhand geleerd dat ‘de waarheid’ nogal complex en bovendien subjectief is; er is nooit maar één waarheid. Daarnaast valt het mij op dat er naar mensen – met hun belangen en rechten – wordt verwezen als zijnde een secundaire partij. Het gaat niet om de mensen, maar om het nieuws. Dat vind ik problematisch. Volgens mij draait uiteindelijk alle nieuws om mensen, en al die mensen hebben verschillende waarheden ten aanzien van het nieuws (en dus andere mensen). Het is inderdaad zo complex als het lijkt.

De ander recht doen
Daniël Gillissen zei in het laatste interview dat hij het als zijn primaire taak ziet om de ander recht te doen. Dat is wat mij betreft de spijker op zijn kop en ook precies waarom ik journalistiek bedrijven zo mooi vindt: de kansen die daar liggen om recht te doen! Dat dit vaak niet gebeurd is vooral te zien wanneer journalisten zich begeven op het vlak van religie (9). Ik vraag mij oprecht af of framing in dat geval niet per definitie meer kwaad doet dan goed (10). Er is niet zoiets als het christendom, de islam, de christen, de moslim et cetera (11). ‘De waarheid’ vertellen wordt in dit geval nog problematischer.

Macht
Steeds meer wordt er gedacht en geschreven over een journalistiek die haar macht erkent en ten goede gebruikt. Het is een discussie voorbij het oude utopische of anti-utopische kijken naar media. Het gaat erom dat onze levens verweven zijn met media – we ontkomen er niet aan (12). Dat maakt dat media wel degelijk invloed heeft op samenlevingen, politiek en mensen. De daarbij komende verantwoordelijkheid dient zorgvuldig te worden gebruikt (13). De interviews die ik had gingen te vaak over hoe journalisten hierin falen. Deze interviews staan zeker niet op zichzelf. Een ethische code die hierop inspeelt zou een verschil kunnen maken.

Gastvrije (religie)journalisten
In de hermeneutiek en fenomenologie vind ik mooie handreikingen om door te denken over een dergelijke code. Zo stelt Gadamer bijvoorbeeld: “It is the Other who breaks into my ego-centeredness and gives me something to understand” (14) – het zou prachtig zijn als dat de basishouding werd van journalisten. Een fenomenologische houding ook, waar het niet gaat om de wereld zelf, maar om de ervaringen die mensen met de wereld hebben (15).

Journalisten zijn primair verhalenvertellers, heb ik meer dan eens gehoord. Sta dan ook volledig open en laat je houding bepalen door gastvrijheid, zoals Roger Silverstone bepleit in zijn boek Media and Morality: On the Rise of the Mediapolis (p. 136):

“Hospitality (…) is the first virtue of the mediapolis. Hospitality as an obligation to welcome the stranger. Hospitality as a right not just to the freedom of speech but as an obligation to listen and to hear”.

Elze Riemer (27) is masterstudent Media en Religie aan de Vrije Universiteit. 


Voetnoten
(1) Rob Wijnberg, “De Journalistiek” in De Groene Amsterdammer, 7 mei 2014.
(2) Inderdaad een kwestie van durven, van risico nemen. Zo stelt ook de Trendrede van 2014: “We zullen nooit radicale vernieuwing zien als we voortborduren op onze oude aannames van ‘vooruitgang’. Door decennialange conditionering zijn we het begrip verkeerd gaan interpreteren. (…) De ware vooruitgang die we kunnen en moeten realiseren, is het in twijfel trekken en afbreken van ons ingesleten gedrag. Daar ligt de grootste maatschappelijke en menselijke winst. We moeten van controle naar perspectief. Creatieve destructie noemde Joseph Schumpeter dat in de vorige eeuw: alleen door te kappen maak je plaats voor het nieuwe”.
(3) Jeroen Smit, onderzoeksjournalist en hoogleraar journalistiek, sprak in zijn oratie over de noodzaak tot vernieuwing bij traditionele media. Zijn oratie is een must-read voor elke dagbladjournalist. Zo zet hij vraagtekens bij het nut en de waarde van het al bekende nieuws via eigen titel doorgeven. Wie dat doet staat volgens hem ‘met een kolenschop op de elektrische trein: verzetten werk waar niemand meer voor hoeft te betalen’.
(4) Mark Deuze, professor in media studies, zegt hierover in een interview: “Aside from being skilled, tomorrow’s journalists need to be savvy entrepreneurs and prepare for a career which is fulfilling but also volatile. An entrepreneur isn’t just someone who knows how to generate revenue, but is also a risk-taker pur-sang; someone who pushes the envelope and sees new opportunities. This is what the world of journalism needs now more than ever”. Kijk ook eens op www.persinnovatie.nl.
(5) Naar mijn mening dus (!) Er zullen wellicht meer wegen naar Rome leiden, dit is de weg die ik ben tegengekomen en die ik verder heb uitgewerkt.
(6) “Er gaat twee keer zoveel geld (!) naar het ding bij u op de mat leggen dan naar het produceren van de inhoud ervan”, schrijft Rob Wijnberg in een column in Trouw, over de toekomst van kranten. De column werd gedrukt in de papieren krant, waarbij Wijnberg talloze hyperlinks had opgenomen met ongetwijfeld waardevolle informatie. Als je dacht dat ik hard was in het laatste interview met Daniel Gillissen, dan had je vast deze column nog niet gelezen.
(7) Eerdergenoemde Jeroen Smit legde in het kader van zijn promotieonderzoek zeshonderd dagbladjournalisten een enquête voor (met overigens opvallende uitkomsten). Hieruit blijkt onder andere dat vrijwel iedere hoofdredactie graag meer aan verdiepende onderzoekende journalistiek willen doen – dat zelfs als een belangrijke taak van de redactie zien. Tegelijkertijd leggen de hoofdredacties de verantwoordelijkheid hiervoor bij de redacteuren, terwijl er relatief weinig faciliteiten worden gecreëerd om hier daadwerkelijk iets mee te doen.
(8) Gelukkig is dit niet alleen mijn mening, maar ook van mensen die meer gezag ten toon spreiden. Mark Deuze stelde in 2005 (!) al dat “(…) any definition of journalism as a profession working truthfully, operating as a watchdog for the good of society as a whole and enabling citizens to be self-governing is not only naive, but also one-dimensional and sometimes nostalgic for the wrong reasons”. Ook hij stelt dat het reviseren van deze verouderde code goede dingen kan opleveren. Zie verder: ‘What is journalism? Professional identity and ideology of journalists reconsidered’.
(9) In ingewikkelde, maar toch rake, bewoordingen: “The media trade in otherness, in the spectacular and visible, and in so doing inevitably refuse the possibility of connection and identification. The media, just as often, trade in identity: in the elision of the different to the same and in the refusal to recognize the irreducibility in otherness. Both of these familiar representational moves are symptomatic of the failures of current media, but they also echo – though not only echo, for they also sustain – the palpable failures of modernity to court to acknowledge plurality and the rights of the stranger”. Roger Silverstone in Media and Morality: On the Rise of the Mediapolis, p. 47.
(10) Zie ook het boek ‘Media, religion and conflict’, van Lee Marsden and Heather Savigny.
(11) Meredith McGuire schrijft in dit verband: “To understand modern religious lives, we need to grasp the complexity, diversity, and fluidity of real individuals’ religion-as-practiced, in the context of their everyday lives. Although studies of religious organizations and movements are still relevant, they cannot capture the quality of people’s everyday religious lives. As messy as these lives may be in the practice, individuals’ lived religions are what really matters to them” (Lived Religion, p. 213).
(12) Zie het boek van Mark Deuze ‘Media Life’. Of de trailer voor de gelijknamige universitaire cursus.
(13) Zie ook Roger Silverstone, in Media and Morality: On the Rise of the Mediapolis: “(…) the morality of the media refers to the generality of orientation and procedure within which the world is constructed by the media and within which the other appears. (…) it is because the media provide, with greater or lesser degrees of consistency, the frameworks (or frameworlds) for the appearance of the other that they, de facto, define the moral space within which the other appears to us, and at the same time invite (claim, constrain) an equivalent moral response from us, the audience, as a potential or actual citizen”.
(14) Gadamer, ‘Reflections On My Philosophical Journey’, in The Philosophy of Hans-Georg Gadamer.
(15) The Routledge Handbook of Research Methods in the Study of Religion, p. 311. Vergelijk ook Alan Bryman in het boek Social Research Methods: “The phenomenologist views human behaviour (…) as a product of how people interpret the world. (…) In order to grasp the meanings of a person’s behaviour, the phenomenologist attempts to see the things from that person’s point of view” (p. 14).