De afgelopen weken vond er een bijzonder interessante briefwisseling plaats tussen Jan Jaap de Ruiter en Nourdeen Wildeman. Een gesprek met als hoofdthema de toekomst van de moslimgemeenschap in Nederland. De mensen bij wie de nekharen gelijk al rechtovereind gingen staan, werden in de ondertitel van de briefwisseling snel gerustgesteld: “Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat de aanwezigheid van moslims in Nederland ter discussie wordt gesteld.” Godzijdank, dacht ik toen ik dit voor het eerst las, laten we dan maar verder gaan lezen.

Beide heren zijn, zoals ze zelf zeggen, ‘oer-Hollandse kaaskoppen’. De Ruiter is arabist, Wildeman is een Nederlandse bekeerling tot de islam en wordt in de briefwisseling omschreven als opiniemaker. Dat er opinie gemaakt is, staat vast. In tien brieven verandert een hoopvolle en nieuwsgierige ontmoeting in harde wederzijdse stellingnames, en daarmee een verwijdering in woord en geest. De lijn waarlangs deze verwijdering plaatsvond is symptomatisch voor het islamdebat in Nederland. Een reflectie op deze briefwisseling is daarom op zijn plaats.

De openingsbrief van ‘kaaskop’ De Ruiter begint hoopvol met nieuwjaarswensen. Helaas wordt de discussie meteen uit het lood geslagen door het introduceren van drie integratiemodellen waarvan Wildeman mag aangeven welke het beste past op de islamitische gemeenschap. Zo! Kort samengevat: die modellen zijn gericht op:

(1) vasthouden aan de eigen islamitische identiteit (zoals de Joden),
(2) volledig opgaan in de samenleving (zoals de Hugenoten) of
(3) een parallelle gemeenschap vormen (zoals de orthodoxe christenen in de Bible Belt).

Kopje koffie, iemand? Dat alle drie de modellen gewoon werken, en daarmee de vraag irrelevant maken, wordt overgeslagen.

Elk gesprek dat op deze manier begint, plaatst de ander in een hoek waar hij niet meer uitkomt. Waarom moeten moslims een integratiemodel omarmen? Wat is integratie eigenlijk, en vooral: wanneer ‘voldoe’ je aan andermans beeld van integratie? “Dag buurman, welk integratiemodel hangt u aan?” Zo potsierlijk als deze kennismakingszin in de praktijk zou klinken, zo potsierlijk is elke dialoog met moslims die op deze wijze begint. De Ruiter heeft ongetwijfeld een goede intentie, maar het blijft een beetje dom. Mensen laten zich niet vangen in integratiemodellen. Zou het niet beter geweest zijn om Wildeman te vragen wat geloof voor hem persoonlijk betekent? Hoe en waarom hij het proces van bekeren heeft doorlopen?

Enfin, tweede ‘kaaskop’ Wildeman slaat in zijn eerste reactie, niet geheel onverwacht, aan op deze bijzondere opening. Hij herkent de geschetste dialogische valkuil, maar maakt de kuil doelbewust nog iets groter door een extra wij/zij-tegenstelling toe te voegen. Wildeman wil namelijk spreken over het onderscheid tussen moslims en niet-moslims. De Ruiter en Wildeman gaan elkaar voor het vervolg van de briefwisseling definiëren op basis van integratiemodellen en het wel of niet moslim zijn! Hier gebeurt in het klein feitelijk wat er ook gebeurt in het verfoeide islamdebat in Nederland. Dat het lokale en nationale islamdebat Wildeman niet in de koude kleren is gaan zitten, blijkt uit het einde van zijn eerste antwoordbrief: “Wanneer is de rest van Nederland er klaar voor om de islamitische gemeenschap niet langer te tolereren, maar te accepteren? Moslims zijn namelijk niet te gast, maar zijn hier inmiddels geboren en getogen.” Daar zou het toch juist níet over gaan?

Het duurt een paar brieven voordat deze vraag beantwoord is. Ondertussen graven beide heren gebroederlijk nieuwe dialogische valkuilen. De Ruiter legt Wildeman een nieuwe keuze voor: is hij voorstander van een rekkelijke islam of meer van een strakke islam? Of is een polderislam niet de weg voorwaarts? Weer drie modellen. Zie de parallellen met het nationale islamdebat: de liberale moslims versus de orthodoxe islam, gij zult kiezen! De vraag of alleen een rekkelijke godsdienst kan integreren in de Nederlandse samenleving is in de eerste brief al beantwoord. Het integratiemodel met een orthodoxe Bible Belt vertegenwoordigt de ‘strakke’ manier van christendom-beleving. Toch draaien ze keurig mee en zijn ze geaccepteerd in het pluriforme Nederland. Orthodoxie en acceptatie gaan dus prima samen, zou je zeggen. Maar goed, De Ruiter vindt dat er een rekkelijke islam nodig is, omdat niet iedereen aan de regeltjes en aan de geloofsdogma’s kan voldoen. Niet mee eens, Wildeman? Nou, wat vind je van twee meisjes of twee jongens die verliefd zijn op elkaar en daarmee verstoten worden uit de islamitische gemeenschap? Of van de verstandelijk beperkte jongeman die niet gehoord wordt in zijn achterban? De Ruiter: “God bepaalt de religie, maar mensen máken de religie.” Oprekken die regels!

Het antwoord laat niet lang op zich wachten. Tijd voor een nieuwe valkuil. Wildeman: “Ik geloof dat de islam perfect is, moslims zijn dat niet.” Wildeman vertegenwoordigt blijkbaar een stroming binnen de islam die zegt dat islam alleen geleefd en beleefd kan worden aan de hand van een overkoepelende set van starre geboden en verboden. Voldoe je daar niet aan, dan pas je niet de regels aan, maar jezelf. Helaas, De Ruiter moet zichzelf maar aanpassen. Het risico is dat er geen ruimte ontstaat om met nieuwe sociale en maatschappelijke vraagstukken om te gaan. Je past of in het systeem of je past er niet in en het ligt aan de zwakte van de persoon als hij uit het systeem wenst te stappen. Afvalligheid is in dat denkraam een teken van zwakte. Je zou Wildeman bijna een portie homoseksualiteit, afvalligheid, interreligieuze liefde en levensbeschouwelijke tegenslagen toewensen zodat zijn regels op hun grondvesten schudden.

De briefwisseling nadert na deze misstappen een onvermijdelijke climax. Of misschien is anti-climax een beter woord. Wildeman schrijft met volle overtuiging: “De islam zal nooit geaccepteerd worden.” De context is dat Wildeman vindt dat alleen als je afstand doet van je geloof, en de daarbij horende regels, je in Nederland tof gevonden wordt. Zie bijvoorbeeld de blijde reacties van de media, nadat de Marokkaanse Elou Akhiat een wijnbar opende. Pas toen zij alcohol ging schenken, werd ze onthaald als een heuse ‘knuffelmarokkaan’.

In zijn laatste brief stelt De Ruiter, terecht, dat hij en Wildeman elkaar stevig de maat hebben genomen. De ondertitel bij de briefwisseling is voorbarig gebleken, de discussie ging wel degelijk over de vraag óf de islam thuishoort in Nederland. De Ruiter stelt Wildeman vervolgens gerust en zegt dat hij hem erkent in zijn geloof en hem oproept om dat geloof zo goed als mogelijk is in Nederland handen en voeten te geven. Dan komt hij met zeer persoonlijke ontboezemingen, over zijn afvalligheid van het christendom, over zijn homoseksualiteit en hoezeer hem dat zwaar gevallen is. Hij vindt troost in de waardigheid van het feit dát hij een leven leidt, voldoende legitimatie is voor de eeuwigheid. Zonder regels, zonder dogma’s. Waarom is De Ruiter de briefwisseling niet met deze brief begonnen! Wildeman had dan de omgekeerde weg kunnen toelichten, de weg van bekeren, naar het vinden van een nieuwe zekerheid. In plaats daarvan lijkt het erop dat Wildeman De Ruiter een schop na geeft, door al zijn eerdere vragen te bagatelliseren, nu ze eigenlijk over De Ruiter’s eigen leven leken te gaan. Het is niet sjiek, verre van dat, maar de reactie is begrijpelijk. Die openheid was aan het begin nodig.

Zoals ik mijn analyse begon, zo eindig ik hem ook. De abstracte dialoog over islam en moslims in Nederland manifesteert zich steeds meer in het persoonlijke contact tussen mensen. Voordat mensen elkaar leren kennen, moet er eerst wederzijds een berg modellen, beelden en verbeeldingen weggewerkt worden. Ondertussen vergeten we de menselijke maat, de persoonlijke levenswandel en de oprechte interesse in wat iemand denkt en voelt, buiten zijn/haar geloofsovertuiging, etniciteit of uiterlijke kenmerken. Deze briefwisseling tussen twee volwassen mensen laat zien dat voor een vruchtbare dialoog over islam en moslims altijd het individu voorop moet staan. Elk mens weet zich omringd door een gemeenschap, door een geloof, door een context, maar hij/zij blijft op de eerste plaats altijd een uniek individu.

Enis-DNW (2)

Enis Odaci

Zakelijk leider en Programmaleider Communicatie

Als Zakelijker leider en als Programmaleider Communicatie liggen zijn hoofdtaken op het gebied van het doorontwikkelen van de organisatie …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.