Waar voelt u zich thuis, dames en heren? En hoe zal het met al die mensen gaan die geen thuis meer hebben? Met de twee miljoen vluchtelingen uit Syrië, en de mensen die nog in Syrië verblijven, maar voor het verlies van huis en haard vrezen. Volgens de cijfers van de VN-vluchtelingenorganisatie waren er eind 2012 wereldwijd ruim 45 miljoen mensen op de vlucht, het hoogste aantal sinds achttien jaar. En 46% van alle vluchtelingen zijn kinderen jonger dan 18 jaar.

Het thuisgevoel heeft in tijden van vrijwillige en onvrijwillige migratie een nieuwe actualiteit gekregen. Ook in Nederland! Terwijl de migrant op zoek is naar een nieuw thuis – een thuis dat je nog moet maken, zoals Omar Nahas in onderstaande video zegt, of dat je misschien als tweede of derde generatie migrant al lang bezit in de vorm van een bicultureel thuis-gevoel, zoals Monique Samuel dat in de video benoemt – kampt een aanzienlijk aantal ‘autochtone’ Nederlanders met het gevoel hun thuis kwijt te zijn geraakt. De vertrouwde bakker om de hoek is nu een Turkse bakker met platte, ronde broden in z’n etalage. Mensen vinden het vaak moeilijk dat hun buurt ingrijpend verandert.

Ik hoor het tijdens lezingen die ik in de afgelopen jaren overal in het land heb gehouden – onder meer over de vraag hoe wij een ‘nieuw wij’ kunnen vinden te midden van alle veranderingen in het religieuze landschap van Nederland. Zij roepen veel reacties op. Toen ik laatst vertelde dat ongeveer 6% van de bevolking in Nederland moslim is, stond een oudere dame op en zei: Mevrouw, u moet zich echt in het aantal vergissen. Het moeten er véél meer zijn, ze staan elke dag in de krant! Zo zie je maar: Woorden en beelden geven niet alleen een werkelijkheid weer, maar zij creëren ook een werkelijkheid.

Het thuisgevoel van de ‘autochtone’ Nederlander is behoorlijk in de war. En dat is ook begrijpelijk. Eén reden ligt daarvoor mijns inziens in de stille religieuze revolutie die zich in de afgelopen eeuw in de Lage Landen heeft voltrokken. Terwijl honderd jaar geleden nog bijna iedereen bij een kerkelijke gemeenschap hoorde, zegt nu zo’n 60% van de Nederlanders geen binding meer met enige kerk te hebben. De meerderheid van de Nederlandse bevolking is inmiddels seculier, al betekent dit in de praktijk níet dat mensen geen belangstelling meer hebben voor religie. Volgens dezelfde onderzoeken noemt zich namelijk eveneens 60% van de Nederlandse bevolking ‘gelovig’. Religie is niet verdwenen, zoals door sociologen was voorspeld, maar getransformeerd. Onder de noemer ‘spiritualiteit’ verschijnt zij in een nieuwe gedaante.

Duidelijk is dat de geïndividualiseerde moderne (West-)Europeaan het religieuze heft in eigen hand heeft genomen en niet langer gevoelig is voor institutioneel gezag. Alleen verdwenen met de zuilen en met het kerklidmaatschap ook veel zekerheden. Hoe geef je bijvoorbeeld invulling aan de uitvaart van je ouders als het zover is? Een in mijn seculiere kennissenkring vaak gehoorde vraag. De oude rituelen spreken niet meer aan en nieuwe zijn er nog nauwelijks.

Na de gebeurtenissen van 11 september en de moord op Theo van Gogh werd pijnlijk duidelijk hoezeer mensen houvast misten. De zoektocht naar de Nederlandse identiteit begon: er moest een nationale canon op school komen, die als ik het goed heb begrepen inmiddels al weer is afgevoerd; er werd naarstig gezocht naar Nederlandse waarden en normen; een inburgeringsexamen voor nieuwkomers werd ingevoerd. ‘Retro’ is hot: televisieprogramma’s en tijdschriften besteden er uitgebreid aandacht aan hoe je het thuis weer ouderwets gezellig kunt maken. In een wereld die steeds sneller verandert en waar de invloed van het internet en de sociale media de meest in het oog springende, maar zeker niet de enige razendsnelle ontwikkeling vormen, zijn Nederlanders op zoek naar geborgenheid.

Ook Omar Nahas zei het al in het filmpje: thuis is waar je veilig bent, waar het gezellig is en waar je jezelf kunt zijn. Waar je niet in een hokje wordt gestopt. Waar je je kunt ontplooien en waar je – ook in levensbeschouwelijk of religieus opzicht – in vrijheid kunt leven. Juist dit laatste komt steeds meer onder druk te staan. De Nederlandse samenleving lijkt meer en meer te lijden aan religiestress, vooral wanneer religie niet achter de voordeur blijft, maar zichtbaar wordt in het publieke domein. Wat moeten we met weigerambtenaren, met het vrouwenstandpunt van de SGP, met ritueel slachten, seksueel misbruik in de katholieke kerk, met jongensbesnijdenis en het bijzonder onderwijs, met de discussie over de niet leden gebonden kleine levensbeschouwelijke omroepen, de vraag of je je kind wel of niet moet laten inenten? En wat te denken van het voorstel van de Haagse gemeenteraad om kerken niet meer als stemlokalen te gebruiken vanwege de scheiding van kerk en staat? Om nog maar te zwijgen over de hoofddoek of – nog erger – de boerka.

Er hangt een sfeer van achterlijkheid rond religie. Als ik mij desgevraagd in een meer seculiere omgeving als theologe bekend maak, volgt steevast de vraag: Een theologe – wat is dat ook weer? (dat valt dan in de rubriek: onwetendheid). Of de vraagsteller doet een stapje achteruit en zegt vervolgens met een verbijsterde blik in de ogen: Ben jij een theoloog … je ziet er helemaal niet zo uit! (rubriek: stereotypen). Helaas belemmeren dit soort cliché-voorstellingen – u kunt er ongetwijfeld zelf ook een aantal noemen – het zicht op wat religie werkelijk is. Het gebrek aan kennis is groot. Vooral veel jonge mensen in een geseculariseerde samenleving hebben werkelijk geen idee meer wat christendom, jodendom en islam eigenlijk inhouden, laat staan dat ze iets afweten van de verschillende stromingen die je binnen die religies aantreft.

Hoe kunnen vooroordelen worden doorbroken en hoe vallen wij-zij-tegenstellingen te overbruggen? Hoe bouw je aan een samenleving waarin mensen met verschillende culturele en levensbeschouwelijke achtergronden – seculier én religieus –  vreedzaam en plezierig met elkaar kunnen samenleven? Velen vertalen deze vragen met: Wat bindt ons ondanks alle verschillen? Ik zou de vraag liever anders willen formuleren, namelijk: Hoe kunnen we onze onderlinge verschillen vruchtbaar maken en onze gemeenschappelijkheden versterken? Want beide aspecten verdienen de aandacht. Omwille van de harmonie laat men het benoemen van verschillen vaak liever achterwege en ligt de nadruk op de overeenkomsten, de gemeenschappelijkheden. Volgens mij is dat een verkeerde aanpak, want pas als je weet waarin je verschilt en waarom dat zo is, kun je ook gerichter nadenken over oplossingen voor problemen die mogelijk juist vanuit het verschil in voelen, denken en handelen voortkomen. Het klopt: Onbekend maakt onbemind. Je weet namelijk niet wat achter die manier van handelen zit. Wanneer je het verschil tussen jezelf en de ander wilt zien en leren kennen, vermeerder je kennis. Pas dan ontstaat de mogelijkheid met de ogen van de ander te kijken.

Het interessante is namelijk dat niet het verschil het probleem is, maar juist het idee dat we allemaal hetzelfde moeten worden of naar hetzelfde moeten verlangen. U kent het scenario allemaal: Twee kinderen worden in een ruimte met veel speelgoed gezet. En uitgerekend die ene rode auto, waar het eerste kind op afstevent, precies die wil dat andere kind ook hebben – met als gevolg: ruzie en tranen met tuiten. En de moraal van het verhaal: Als je met zijn tweeën hetzelfde wilt bezitten of wilt zijn, als je elkaar nabootst, dán ligt geweld op de loer. Willen wij het wij-zij-denken doorbreken, dan moet dit zogenaamde mimetische principe dat vooral in groepsprocessen heerst, worden doorbroken – aldus de literatuurwetenschapper en cultuurantropoloog René Girard. Hij heeft duidelijk gemaakt dat mensen in crisissituaties maar al te graag iemand of een hele groep tot zondebok maken om de crisis in de eigen groep te bezweren.

Juist om dit soort conflicten te voorkomen is de erkenning van het verschil tussen mij en de ander in de onderlinge ontmoeting zo belangrijk. Maak van die ontmoeting geen ‘egologie’, zo waarschuwde al de joodse denker Emmanuel Levinas. Hij bedoelde daarmee dat je de ander in zijn eigenheid moet kunnen zien en niet moet proberen hem of haar ‘tot jezelf te herleiden’. Misschien ligt hier het grootste probleem met het verlichtingsdenken, dat het namelijk suggereert alles en iedereen te kunnen doordringen, dat het alles bloot wil leggen, van het geheim probeert te ontdoen, alles wil ontsluieren. Zou het kunnen dat we daarom zo fel op een gesluierde vrouw reageren en de boerka in de ban willen doen?

Zitten er dan bacteriën in de nikab?, vraagt de befaamde Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum uitdagend. In haar nieuwste boek, De nieuwe religieuze intolerantie, hekelt zij een politiek van de angst voor de islam die in Europa rondwaart. Zij houdt een fel pleidooi tegen het verbieden van de sluier. Volgens haar zijn bijna alle angsten voor andere religies geconstrueerd en niet gebaseerd op feiten, maar op onvoldoende respect voor medeburgers. Zij pleit voor meer zelfreflectie en de bereidheid delen van onszelf te verwerpen die we immoreel, irrationeel en schadelijk voor anderen vinden. Daarbij hoeven we geenszins onszelf op te geven, wel moeten wij – zoals zij dat noemt – ons ‘innerlijk oog’ sterker ontwikkelen: het verbeeldend vermogen om de wereld te bekijken vanuit het perspectief van iemand met een andere levensovertuiging of etnische afkomst. Zij wil respect voor de ander, in plaats van tolerantie. Tolerantie betekent dat je iets gedoogt; aan tolerantie ligt volgens haar een hiërarchische wereldvisie ten grondslag. Daar moeten wij volgens haar van af. Voorbij het narcisme van de angst, op weg naar nieuwsgierige verbeelding. Vanuit een empathisch vermogen de wereld zien zoals een minderheid die beleeft, gericht op het welzijn van de ander.

Ook de Britse opperrabbijn Jonathan Sacks houdt een pleidooi voor het leren leven met verschillen. Voor hem is de samenleving als een huis dat we samen moeten bouwen. Pas als je het zelf mede hebt vormgegeven, kun je vol trots zeggen: dit is ook mijn huis. Dan pas voel je je werkelijk thuis, meent hij. En uiteraard mag je dan ook erkenning voor je bijdrage verwachten. Streef naar participatie en zoek naar gedeelde belangen, is zijn advies. Verfraai het huis dat je samen bouwt met mooie details uit de verschillende levensbeschouwelijke tradities. Vier de religieuze feesten samen en laat je door de waarden in de verschillende tradities inspireren tot een gezamenlijke ethiek. Dán is diversiteit rijkdom. En hoe meer verschillen er in het huis worden verwerkt, des te mooier en rijker kan het worden. Maar vergeet niet, zo waarschuwt Sacks, om ook je eigen ruimte te reserveren, een kamer waarin je je kunt terugtrekken omwille van het evenwicht tussen samen en eigen.

De cruciale vraag is: Mag iedereen zich in dit huis daadwerkelijk gedragen alsof hij of zij thuis is en de kamer naar eigen inzicht en smaak inrichten – of hebben wij dat al voor hen gedaan? Staan de meubels er al en is de vriendelijke aansporing ‘doe maar alsof je thuis bent’ slechts een verhulde oproep tot assimilatie? Of het Nederlandse wij in de toekomst een gastvrij wij zal zijn, hangt er mede van af of mensen zich in hun eigenheid gezien en gerespecteerd voelen. Je voelt je thuis als je geen masker hoeft te dragen en je talenten welkom zijn en worden gehonoreerd, als je er werkelijk bij mag horen.

Uiteraard vraag ik me als theologe af of de geboden van naastenliefde, compassie en gastvrijheid in het collectieve geheugen van Nederland behouden zullen blijven als de religieuze tradities in onze samenleving meer en meer naar de achtergrond verdwijnen. Ik zeg hier met opzet religieuze tradities, omdat alle levensbeschouwingen – en dus niet alleen de christelijke en joodse – deze waarden hoog in het vaandel dragen. Zij waren en zijn voor velen nog steeds wegwijzers in de dagelijkse omgang met mensen. Zij geven een richting aan als het gaat om het goede leven voor allen, om een nieuw wij waarin ook voor ‘de minsten’ in onze samenleving plaats is. Bijbelse verhalen en geboden bieden houvast, zoals ook een kunstwerk dat kan doen of een bepaald lied. Je was de tekst en de melodie al bijna vergeten, maar plotseling herinnert het je er weer aan, welke weg je wilde gaan in je leven. Het zou een verarming zijn als we deze schatten van verwondering die in de religieuze tradities besloten liggen niet meer aan elkaar zouden doorgeven, als ze geen inspiratie meer kunnen bieden aan komende generaties.

Er zijn verhalen en beelden nodig die de weg wijzen en ons uitnodigen tradities op een nieuwe manier vorm te geven. Gastvrijheid is zo’n beeld, zo’n metafoor: ‘Wees gastvrij’, beveelt Paulus in zijn Brief aan de Romeinen aan. En in de Brief aan de Hebreeën wordt de oproep zo verwoord: … houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen (Hebr. 13,2). Gastvrij zijn betekent wat mij betreft dat we in het hier en nu een op de mensenrechten gefundeerde humanitaire Europese migratiepolitiek creëren. In plaats van mee te gaan in angst en cynisme, zouden wij het ontstaan van een gemeenschappelijke cultuur moeten bevorderen, een cultuur die niet op etniciteit, maar op gedeelde waarden stoelt, en waarin onderlinge verschillen vruchtbaar worden gemaakt. Waarin het recht ‘anders’ te mogen zijn als één van de belangrijkste verworvenheden binnen een liberale democratie wordt beschouwd. Het debat over de vraag wélke waarden in een samenleving bepalend moeten zijn, hoort daarin thuis. Een dergelijk debat is geen probleem, maar een voorrecht, want in een open en op individuele emancipatie gerichte samenleving zijn belangen altijd met elkaar in conflict. De gemeenschappelijke basis is dat mensen zich aan de wet houden, aan de regels die in onze grondwet zijn vastgelegd. De invulling die de filosofe en politiek denker Hannah Arendt aan politiek gaf, blijkt in deze context verrassend actueel – politiek is bij haar toegepaste naastenliefde voor de wereld.

De vraag is niet of je daaraan een bijdrage kúnt leveren, de vraag is, of je dat wilt.

Literatuur:

– Michael Elias, André Lascaris (red.), Rond de crisis. Reflecties vanuit de Girard Studiekring, Parthenon, Almere 2011.
– Wilberry Jakobs, Ida Overdijk, Grote denkers over de toekomst, Lemniscaat, Rotterdam 2011.
– Manuela Kalsky (red.), Alsof ik thuis ben. Leven in een land vol verschillen, Parthenon, Almere 2013.
– Tom Mikkers, Religiestress. Hoe je te bevrijden van deze eigentijdse kwelgeest, Meinema, Zoetermeer 2012.
– Martha Nussbaum, De nieuwe religieuze intolerantie. Een uitweg uit de politiek van de angst, Ambo, Amsterdam 2013.

Manuela Kalsky

Manuela Kalsky

Hoogleraar Vrije Universiteit

Manuela Kalsky is directeur van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving (DSTS). Sinds 1 januari 2012 bekleedt ze de …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.