“Mijn vader is een Nederlander en kwam als 18-jarige marechaussee naar Suriname, hij ging werken voor Troepenmacht in Suriname (TRIS). Ik denk dat hij het strenggelovige Zeeland wilde ontvluchten. Hij zou eigenlijk naar Nieuw-Guinea gaan. Maar kort voor zijn vertrek waren daar geen troepen meer nodig.
Bert Kalle (Paramaribo, 1955) is de zoon van een TRIS-militair en een Surinaamse moeder. Bert groeide op met alle soorten kinderen en smeedde hechte vriendschappen. Op het schoolplein in Suriname was Bert altijd de ‘bakra boi’: een witte Hollandse jongen (met zijn jeugdvrienden van toen is hij nu hechter dan ooit). Met de naderende Onafhankelijkheid keerde het gezin terug naar Nederland. Het is dan 1972; Bert is 17 jaar en net klaar met de MULO. Hij wil niet weg uit Suriname maar hij moet. Hij komt terecht in Nunspeet en bouwt daar een nieuw leven op. Suriname raakt op de achtergrond. Tot hij in 2018 op zoek gaat naar zijn roots. Bert ontdekt als 65-plusser dat hij veel meer Surinamer is dan hij dacht! Hij schreef er een ontluisterend boek over: ‘Mijn oma was een slavin’ (2023). Dit jaar verschijnt een tweede boek over zijn familiegeschiedenis, de roman ‘De nazaten van een slavin’. Bert is getrouwd en vader van een zoon en dochter. Hij werkte jaren in de grafische sector en ontpopt zich nu als schrijver.
Mijn vader zocht nog wel het avontuur en toen lonkte Suriname. In Paramaribo leerde hij mijn moeder kennen. Zij was de dochter van een Nederlandse militair uit Arnhem met Friese roots die al sinds de jaren twintig in Suriname zat. Mijn ouders trouwden in 1955, het jaar dat ik werd geboren. We woonden toen aan de Drambrandersgracht, midden in de stad. In 1957 keerden we voor drie jaartjes terug naar Nederland. We woonden toen in Tilburg. Mijn moeder kreeg daar een tweede zoon. In 1960 vertrokken we weer naar Suriname. Dat kwam omdat mijn moeder heimwee had naar haar familie en mijn opa was ook ziek.”
Gemixt en gemêleerd
“In 1960 woonden we op Zorg en Hoop. Al snel vonden we een huis dichter bij de kazerne. En later een woning aan de rand van de stad. Mijn moeder wilde niet in een compound wonen. Op zo’n plek tref je alleen maar militaire gezinnen die bovendien constant wisselen. Buiten een compound heb je je eigen kennissengroep, met familie, buren en vrienden. Dat sprak haar veel meer aan en was ook in ons voordeel. De plekken waar wij woonden gaven zoveel ruimte en vrijheid!
Mijn broertjes en ik gingen naar de openbare school. En we speelden met Surinaamse kinderen. Met Creolen, Chinezen, Javanen, Inheemsen, noem maar op. Ik maakte heel gemixt en gemêleerd vrienden. Dat voelt nog steeds als rijkdom, want mijn vriendengroep van toen is nog altijd intact.
Op het schoolplein was je als kinderen gewoon één of je huid nu bruin, zwart, oranje, geel, rood of wit was; dat zag je als kind niet. Het onderscheid leefde meer bij volwassenen. Zoals mijn schooljuf op de Zinniaschool die tijdens een geschiedenisles – zo besefte ik later – veelzeggend een hand op mijn schouder legde, toen ze vertelde over de slavernij en de wrede praktijken van vooral de Nederlandse plantagehouders. Ook elders maakte je wel eens soortgelijke dingen mee. Bijvoorbeeld op het sportveld. Ik voetbalde in het schoolteam en mijn vader stond langs de lijn. Hij ving toen op dat ze die bakra boi niet moesten opstellen, omdat het een Surinaams toernooi was! Na die wedstrijd mocht ik niet meer voetballen. Waarom? Dat werd mij toen niet verteld, dat hoorde ik pas jaren later.”
Brommers over balustrades
“Eind jaren zestig werd het grimmiger. Er braken rellen uit en er waren brandstichtingen. Het nationalisme stak steeds meer de kop op. Het kabinet Den Uyl wilde eigenlijk van de kolonies af en helemaal van Suriname. Men vond het not done om nog een kolonie te hebben. Engeland was al bezig om kolonies af te stoten, net als België. Soms met een oorlog erbij. Nederland wilde dat voorkomen; ze wilden geen toestanden zoals in Indonesië. En daarmee werd de Onafhankelijkheid er doorgedrukt. Tenminste, zo zie ik dat, met de blik van nu. Het ging veel te snel. Mijn vader zat bij de militaire inlichtingendienst en wist heel goed wat er speelde. Als kind had je hier geen weet van. Ik wist niets van politiek en zag geen gevaar. Ik was een puber en vond het gewoon spannend! Soms hoorde je op school in de verte al een stel brommers aankomen. En dan wist je: er gaat weer iets gebeuren! Er waren onderwijsstakingen; de studenten van scholen die dicht gingen, reden dan naar scholen die nog wel open waren zoals de mijne. Ik heb op de Zinniaschool, de Wulfinghschool en de Calorschool gezeten. Ze vlogen dan met veel bravoure het schoolplein op en reden over balustrades: toeterend, schreeuwend en zwaaiend met vlaggen. Dat maakte op dat moment veel indruk op mij. Ik wilde dat grote feest van de Onafhankelijkheid wel meemaken! Zo beleefde ik dat toen, net als mijn vrienden.
Feest vieren zat er voor mij helaas niet in. Ons gezin vertrok in 1972 al naar Nederland. Ik was net klaar met de MULO en dat was voor mijn ouders een uitgelezen moment om te vertrekken. Ik vond het vreselijk. Voor mij was het leven in Suriname de hemel op aarde! Mijn vrienden en ik maakten alleen maar plezier. We organiseerden allerlei tripjes buiten de stad en hielden met weinig geld veel Amerikaanse fuiven. Dus wilde ik hoe dan ook blijven. Ik mocht bij een vriend wonen, maar mijn vader ging daarmee niet akkoord. Ons vertrek stond vast en ik móest mee. Ik was zelfs al ingeschreven bij een school in Harderwijk. Er was geen ontkomen aan.”
Wie is je moeder?
“We gingen wonen in Nunspeet. Daar werd een hele nieuwe wijk gebouwd voor overheidspersoneel, onder wie ook militairen. Gekleurde mensen kenden ze niet in mijn nieuwe omgeving. Op school hoorden ze wel een accent, maar ze konden het niet plaatsen. Kwam ik uit België? Of misschien Zuid-Afrika? Ik deed er het zwijgen toe. Pas later durfde ik te vertellen dat ik uit Suriname kwam. Stom hè? Er was toen veel gaande in de Bijlmer, de wijk ontplofte bijna van de Surinamers. En ik hoorde klasgenoten daar grapjes over maken. Daarom besloot ik even niks te zeggen. Ik wilde niet het mikpunt worden van plagerijen. Later vertelde ik wel dat ik uit Suriname kwam en vol trots! Maar die eerste jaren in Nunspeet probeerde ik vooral mijn plekje te vinden. Ik was bezig met school, sport, vakanties, meisjes en verkering. En Suriname ebde wat weg uit mijn leven.
In 1975 verhuisden veel Surinaamse vrienden van mij ook naar Nederland. Ze kwamen terecht in plaatsen als Tilburg, Zwijndrecht, Etten-Leur en Amsterdam. Vroeger zagen we elkaar elke dag, want Paramaribo is niet zo groot en we woonden op een kluitje! Hier in Nederland was dat anders. Bijna dertig jaar spraken we elkaar weinig. Tot we rond ons vijftigste de banden weer aanhaalden. Ineens was er weer die vonk, bij iedereen. Ik denk omdat we ouder werden; we realiseerden ons steeds meer hoe bijzonder onze tijd in Suriname was geweest. We kregen interesse in de bekende levensvragen. Wie is je vader, wie is je moeder? Wie ben ik en waar kom ik vandaan? Bij mij ging het in 2018 borrelen.”
Voor 10 procent Afrikaans
“In de familie Stienstra, van moederskant, sprak men altijd over een Nederlands-Inheemse mix. Zo was het mijn moeder, oom en tantes altijd verteld. En ook aan hun ouders en grootouders. Ik kon die bewering niet staven met feiten. En ook als ik naar foto’s van mijn oma keek, zag ik geen Inheemse trekken. Ik stuitte op onbegrip en ongeloof in de familie: waar ben je mee bezig? Geloof nou maar gewoon wat je verteld wordt. Maar het liet me niet los. Toen ik van de oogarts hoorde dat ik glaucoom had, begon ik nog meer te twijfelen aan de Nederlands-Inheemse combinatie. De arts vroeg mij of ik ook Afrikaanse voorouders had: glaucoom komt namelijk veel voor in Afrikaanse landen! Toen was ik helemaal de weg kwijt. Ik besloot een DNA-onderzoek te doen naar afstamming. Daaruit bleek dat er bij mij geen inheems DNA aanwezig is. De uitkomst was: 0,0 procent Zuid-Amerika en dat is 0 procent inheems. Mijn DNA is 90 procent Noord- en West-Europees en 10 procent Afrikaans (overwegend Nigeriaans). Verrassende percentages en toch ook weer niet! Ik voelde namelijk altijd al dat ik iets anders was. Dat gevoel gaat al heel ver terug… alleen kon ik er nooit de vinger op leggen. Ik was wit van kleur. Daarom dacht ik dat ik niet kon afstammen van zwarte mensen. Maar als je terugkijkt, dan kun je wit worden als er ver weg in het verleden al ‘gemixt’ is. Dan word je steeds lichter van kleur.”
Mijn oma was een slavin
“Na de uitkomst van het DNA-onderzoek was er voor mij geen houden meer aan. Ik startte een zoektocht naar mijn Surinaamse voorouders en focuste mij op mijn moeders stamboom. Mijn opa Stienstra was een militair die in 1920 naar Suriname kwam. Daar ontmoette hij mijn oma met wie hij vijf kinderen kreeg, waaronder mijn moeder. Ik ben specifiek die voormoederskant gaan uitfilteren en dat is gelukt. Ik heb de geschiedenis kunnen achterhalen tot 1787!
In 2020 ontdekte ik dat mijn betovergrootmoeder Alexandrina in 1855 geboren is, in slavernij. Net als haar moeder en net als haar oma. Alexandrina is verwekt door een Engelse plantagehouder. Ze is de enige van een heel grote familie die later vrijgekocht is en ze heeft daarom een andere achternaam dan al haar broertjes en zusjes. Het voelt als een verlossing dat ik duidelijkheid heb gevonden! Al mijn speurwerk en bevindingen hebben geleid tot het schrijven van het boek Mijn oma is een slavin. Eigenlijk is Alexandrina de oma van mijn oma, maar mijn betovergrootmoeder voelt ook als míjn oma! Met de woorden ‘mijn oma’ in de boektitel haal ik bewust de geschiedenis dichterbij. Je kunt haar bijna aanraken – en dat raakt je. Want zo lang geleden is het ook niet. Exact één jaar voor de geboorte van mijn moeder is mijn betovergrootmoeder overleden. Op 17 januari 1934.”
De nazaten
“Nazaten van slaven houden hun afkomst soms stil. Ik vind dat je juist trots moet zijn! Onze voormoeders hebben gevochten en geprobeerd om in leven te blijven. Dankzij die voormoeders staan wij nu hier. Ze hebben heel veel offers moeten brengen om te kunnen overleven. Hun kinderen kregen ze soms zelfs van slaveneigenaren; en als ze daarin niet meegingen, werden ze een kopje kleiner gemaakt.
In mijn nieuwe boek De nazaten van een slavin wil ik verklaren waarom bepaalde zaken rondom onze afkomst niet verteld worden en zelfs zijn verdraaid. Het verhaal speelt zich af in de jaren dertig van de vorige eeuw en is grotendeels gebaseerd op mijn eigen familiegeschiedenis. Om het goed neer te zetten heb ik veel kranten uit de jaren dertig nageplozen. Wat speelde er in die tijd? Op allerlei gebied van logistiek tot politiek: van de broodkar-overvallen tot de hongersnood die er toen heerste in Suriname. Het zijn de jaren, vlak voor Anton de Kom naar Suriname kwam. Ik vind het heel interessant om dit nu allemaal te onderzoeken en te beschrijven.
Een foto uit mijn vorige boek Mijn oma was een slavin speelt in dit nieuwe boek een hoofdrol. Het gaat om een foto die genomen is op de vijftigste verjaardag van mijn overgrootmoeder. Vanuit die verjaardagsfoto ontvouwt zich mijn verhaal, waarin ik ook veel interessante weetjes deel. Zo vertel ik over het vieren van speciale verjaardagen in Suriname. Elke bigi jari heeft zijn eigen kleur. Bij 50 jaar is dat geel en daar stemmen gasten dan hun kleding op af. De avond vóór de verjaardag blikken familieleden terug op het voorgaande jaar en vereren ze de voormoeders met verhalen en zang. Dat gebeurt nog steeds binnen de Creoolse gemeenschap. En tegenwoordig is de mix met andere groepen zo groot dat dit ook breder plaatsvindt.
Op die bewuste verjaardagsfoto zie je mijn oma Stienstra staan, ze is in verwachting van – wat iedereen zei – haar derde kind. Ik ontdekte in mijn zoektocht dat het niet om haar derde, maar om haar vierde kind ging! Het derde kind is overleden, zo bevestigt een akte. Ook mijn in slavernij geboren betovergrootmoeder staat op de foto. Maar in de familie werd altijd gezegd dat die mevrouw de buurvrouw was … Wij hadden geen Creools bloed. Onvoorstelbaar, hè. Als je op deze verjaardagsfoto inzoomt, ontdek je ook nog een klein meisje op de achtergrond. Die betrek ik ook in mijn verhaal.’
‘Mijn schoondochter noemt mij een detective. Dat klopt, ik speur alsmaar verder, ik wil nu alles weten. Hoe mijn hoogbejaarde moeder dat allemaal vindt, daar kom ik niet echt achter. Ook hoe andere familieleden erover denken is niet altijd duidelijk. Ze vinden het “hartstikke mooi” dat ik een en ander heb uitgezocht. Maar het besef dat ze zwarte voorouders hebben, dat is (nog) niet ingedaald. Ik denk dat het ook komt omdat er altijd een ander verhaal over vroeger is verteld. Het is dan moeilijk te bevatten dat het toch echt anders in elkaar zit.”
Accentloos Surinaams
“Niet iedereen in Suriname is ook geïnteresseerd in de geschiedenis. Veel mensen, niet alleen mijn familie, redeneren: we leven vandaag en ik moet vanavond eten op tafel hebben. Mijn grootste zorg is dus niet waar ik vandaan kom. Dat merkte ik ook in Suriname toen ik, met honderd boeken als bagage, op een aantal middelbare scholen vertelde over de zoektocht naar mijn voorouders. De één zat op het puntje van z’n stoel, de ander keek verveeld. De trigger voor mijn verhaal was: mijn verhaal beginnen in het Surinaams, het Sranang! Toen zag ik de kinderen opveren en denken: hoe kan dat nou? Die man spreekt accentloos Surinaams en hij heeft een witte huid! De eerste lezing hield ik in een voormalige huishoudschool. Ik vertelde dat hier vroeger de allermooiste meisjes op school zaten en klaarblijkelijk nog steeds zitten … Als je zo begint, heb je meteen de aandacht.
Ik kijk en luister ook graag naar verhalen van anderen. Ik bezoek diverse symposia en maak elk jaar bewust de 1 juli-viering van Ketikoti mee, om de afschaffing van de slavernij te vieren. Ik dacht altijd dat ik een Nederlander was met een Suri-achtergrond. Maar dat klopt niet. Ik ben veel meer een Surinamer met een Nederlandse achtergrond.”
Bestel het unieke boek 50 jaar onafhankelijkheid Suriname met 50 interviews waaronder dit interview. Wie waren de eerste Surinamers in Nederland? Wat bracht hen hierheen? Wie waren sleutelfiguren of andere mensen met bijzondere verhalen? Bestel het boek hier!

