Een voorbeeld van deze traditionele terminologie is het gebruik van ‘slaaf’ in plaats van ‘tot slaaf gemaakte’. Dit kan bijdragen aan ontmenselijking en objectivering van individuen die onderworpen waren aan slavernij. Renate Sluisdom, journalist van het Antilliaans Dagblad en docent Nederlands op Aruba en voorheen Suriname, legt het uit: ‘Het woord ‘slaaf’ is niet door ‘slaven’ verzonnen, maar door mensen die vonden dat anderen slaven waren. Het reduceert individuen tot onbetwistbaar bezit. ‘Tot slaaf gemaakten’ benadrukt dat slavernij een opgelegde toestand is en erkent daarmee de menselijkheid van het individu.’
Hetzelfde geldt volgens Sluisdom voor ‘kolonie’ en ‘gekoloniseerd gebied’. ‘In ‘gekoloniseerd gebied’ zien we dat de vaak vernietigende actie van koloniseren wordt benadrukt in plaats van het door anderen opgelegde resultaat.’ Het gebruik van deze geëvolueerde terminologie helpt ons volgens Sluisdom inzien dat ‘slavernij en kolonisatie zaken zijn die mensen zijn aangedaan en dus niet hun identiteit definiëren’. Dat is waar het voorheen misging, vindt Ludmila Duncan, onderzoeker, beleidsadviseur en voormalig Parlementslid op Sint Maarten: ‘Door traditionele terminologie te gebruiken was het alsof we onze voorouders zagen door de ogen van degenen die hen meedogenloos tot slaaf maakten.’
Nodige taalveranderingen
Op die manier speelt taal een rol in het behouden en uitdagen van koloniale denkbeelden en structuren binnen onze samenleving. ‘Taal herkadert ideeën, geeft de gebruiker macht en heeft het vermogen om een verschil te maken in hoe we onze eigen verhalen zien,’ legt Duncan uit. Volgens haar houdt het ook de manier in stand waarop we als samenleving vinden wat goed of fout is, simpelweg vanwege de culturele ideeën die in een bepaalde taal zitten.
Journalist en docent Renate Sluisdom is het daarmee eens. ‘Kijk maar naar woorden als ‘ontdekkingsreiziger’, ‘primitieve volkeren’ en ‘primitieve talen’. Deze termen tonen een eenzijdige visie en zullen de ongelijkheid tussen culturen in stand houden en versterken.’ Net als de term ‘Joodse slachtoffers’. In plaats daarvan wordt nu vaker gesproken over ‘slachtoffers/overlevenden van de Holocaust’. ‘Deze benaming erkent beter de verschrikkingen die betrokkenen hebben doorgemaakt.’ Of vervang ‘weggelopen slaaf’ met ‘vrijheidszoeker’, zoals mensen die streden voor hun vrijheid tegenwoordig worden genoemd. ‘Het zorgt voor een krachtige verschuiving in het historisch narratief’, voegt Ludmila Duncan toe. ‘De term ‘weggelopen slaaf’ versterkt een koloniaal idee, maar we weten dat onze voorouders nooit als eigendom beschouwd hadden mogen worden. Dankzij aangepaste terminologie erkennen we hun geest van verzet, trots en moed – niet als vluchtelingen, maar als makers van hun eigen bevrijding.’
Negatieve gevolgen
Toch is het veranderen van onze taal en het vermijden of verbieden van bepaalde woorden niet volgens iedereen de oplossing. ‘Tot ongeveer 2017 werd veel traditionele terminologie, zoals ‘slaaf’ en het n-woord, algemeen gebruikt, waardoor het in heel veel literatuur over de Caribische eilanden of Suriname voorkomt’, duidt Hilde Neus, universitair docent aan de Anton de Kom Universiteit. ‘Doordat daar woorden in staan die niet meer maatschappelijk geaccepteerd zijn, wordt bepaalde literatuur niet meer gelezen.’ Het weglaten van deze woorden zou ook negatief kunnen werken voor onderzoek. ‘Archiefbronnen over slavernij bevatten frequent traditionele woorden en om informatie te vinden, zoek je ze op in het archief. Maar eigenlijk mogen we deze woorden niet meer denken, schrijven, uitspreken of zelfs lezen’, gaat Neus verder.
‘Als we ons hier strak aan houden, valt er een grote verzameling bronnen weg en kunnen we geen onderzoek meer doen naar het slavernijverleden.’ Neus denkt dat we met het verbieden van woorden de kans lopen dat de geschiedenis wordt ‘witgewassen’: onaangename feiten worden rechtgetrokken door de waarheid te verbergen. Daarom is er dringend behoefte aan nieuwe publicaties en hulpmiddelen zoals woordenboeken, zegt Ludmila Duncan. ‘Deze publicaties moeten wereldwijd toegankelijk zijn en beschikbaar in meerdere talen. Historici, onderwijsinstellingen en media hebben de verantwoordelijkheid om aangepaste termen te begrijpen wanneer ze het hebben over slavernij en andere gerelateerde misdaden tegen de menselijkheid.’
Gelijkwaardigheid in taal
Gebruiken we niet de juiste terminologie, dan draagt dat volgens Sluisdom en Duncan bij aan het in stand houden van machtsverhoudingen, oneerlijke wereldbeelden en berooft het de individuen waar het om draait van hun waardigheid en menselijkheid. De oplossing? Bewust kiezen voor terminologie die de gelijkwaardigheid onder de wereldbevolking erkent. ‘Daarmee dragen we bij aan een kritische herwaardering van onze geschiedenis’, legt Sluisdom uit. ‘En die herwaardering draagt op zijn beurt bij aan het aanpassen en hervormen van bestaande structuren.’ Met de juiste terminologie krijgen we volgens haar een objectiever zicht op onze geschiedenis. Ludmila Duncan vult aan: ‘We kunnen onze geschiedenis pas holistisch begrijpen als de taal authentiek, heel en gedekoloniseerd is.’
Doe het samen
De volgende stap is: hoe doen we dat? Wat kunnen historici, onderwijsinstellingen en media nog meer doen om een accurate en respectvolle taal te gebruiken bij het bespreken van gevoelige historische onderwerpen, zoals slavernij? ‘Ten eerste: we moeten hierover blijven onderwijzen en trainen’, zegt Sluisdom. ‘Angst voor verandering is menselijk, maar het is belangrijk dat geëvolueerde terminologie wordt gebruikt én vereist.’
Ook is het van belang dat betrokken gemeenschappen en individuen mee worden genomen in besluitvorming, vindt de journalist en docent Nederlands. ‘Maak gebruik van hun feedback ten aanzien van specifiek woordgebruik en wees alert. We moeten onszelf blijven afvragen of ons taalgebruik kan schaden of beledigen.’ Deze verandering is niet alleen vandaag de dag essentieel, maar ook – en juist – voor het bewustzijn en de bewustwording van toekomstige generaties.
