In Nederland werden achternamen pas verplicht in 1811, tijdens de Napoleontische tijd, toen de ‘Code Civil’ werd ingevoerd. Voorheen waren achternamen vooral het domein van de elite, bedoeld om bezit en afkomst vast te leggen. Maar met de verplichte registratie begon ook voor mensen in (voormalige) koloniën een proces waarin namen niet langer alleen persoonlijk waren, maar ook politiek. Namen vormen vandaag de dag nog steeds de basis van onze identiteitsregistratie. Voor velen ontstond toen ook een verlies van identiteit.
Drie vrouwen delen hun persoonlijke ervaringen met hun door kolonialisme beïnvloedde naam in een samenleving waar westerse maatstaven vaak de boventoon voeren. Lisette A.T. van den Berg, Martha Sabajo en Rubiën Kalaykhan vertellen over de waarde, de worsteling en de trots die verbonden is aan hun naam.
Een naam die spreekt
Voor Lisette Anna Theresa van den Berg is haar naam een gelaagde weerspiegeling van haar afkomst. Als zelfstandig tentoonstellingsmaker en adviseur erfgoed & inclusie draagt ze haar naam met zichtbare trots. “Anna kreeg ik van mijn Duitse grootmoeder aan vaderskant, Theresa van mijn Keniaanse oma. Mijn ouders verkozen wel alleen haar christelijke naam hiervoor te gebruiken.” Toch kijkt Van den Berg met trots naar haar naam die haar doet herinneren aan haar familiegeschiedenis. Van den Berg stelt dat “een positieve associatie met je naam belangrijk is. Het is een bron van kracht.” Bovendien zegt ze dat er meer begrip moet komen voor mensen die hun naam willen veranderen als ze er geen positieve associatie mee hebben. Dit is ook een vorm van herstel tegen de koloniale betekenisgeving. “Je naam met trots kunnen dragen is ook jezelf serieus nemen,” zegt ze. “Het is een anker voor je eigenwaarde.”
Ook voor Martha Sabajo is haar naam verbonden met meer dan alleen identiteit. Deze draagt een spirituele lading. Als voorzitter van Stichting Wasjikwa en onderdeel van de Arowakse gemeenschap in Suriname, weet zij hoe namen binnen haar cultuur verbonden zijn met natuur, oorsprong en betekenis. “Sabajo betekent ‘moeder van een rots’,” legt ze uit. De naam werd gekozen door haar familie en op fonetische wijze vastgelegd bij de burgerlijke stand, omdat zij de Nederlandse taal niet machtig waren. Een broer van haar vader koos voor de naam “Biswane”, afkomstig van hun moederszijde. Een woord dat “transformatie” betekent.
Deze keuzes wareneen bewuste daad van verzet en behoud. Voor Sabajo’s familie was het vastleggen van hun eigen namen een manier om verbondenheid met hun voorouders levend te houden en door te geven aan volgende generaties. “Onze naam vertelt wie we zijn en waar we vandaan komen. Dat is onze kracht,” vindt de Arowakse matriarch.
De strijd en trots achter een naam
Voor Rubiën Kalaykhan, oprichter van de organisatie Wan Oso, was haar naam lange tijd een bron van ongemak. Toen ze als jong meisje in Nederland arriveerde, werd haar verteld dat haar naam “te moeilijk” was. Op school was ze de enige leerling met een niet-westerse naam. Steeds weer moest ze hem uitleggen, spellen, herhalen. “Je naam klinkt vreemd,” hoorde ze. “Dat is een rare achternaam.” Wat begon als nieuwsgierigheid van anderen, groeide uit tot schaamte over iets dat zo fundamenteel bij haar hoorde: haar identiteit.
Pas later, als volwassene, begon Rubiën haar naam opnieuw te omarmen. Ze liet visitekaartjes maken met haar meisjesnaam erop – een klein gebaar met grote betekenis. “Het voelde alsof ik mezelf eindelijk erkende,” zegt ze. Inmiddels voelt ze trots, en ziet ze hoe jongeren met een niet-westerse naam deze steeds vaker met overtuiging dragen. Maar het besef dat dit niet vanzelfsprekend is, blijft.
Die pijn komt soms onverwacht terug, zoals toen haar eigen kinderen vertelden dat ze liever een naam hadden gehad die hun culturele achtergrond weerspiegelt. Rubiën begreep hen, maar het raakte haar diep. “Het confronteerde me met mijn eigen verleden,” zegt ze. “Ik had hen verteld dat ik vroeger niet trots was op mijn naam. En nu zie ik hoe die erfenis doorsijpelt.”
Toch ziet ze in het groeiende zelfbewustzijn van de jongere generatie ook hoop. Een naam kan dan wel ‘moeilijk’ zijn, maar juist daarin schuilt de kracht. “Want wat moeilijk is, is vaak ook kostbaar.”
Een naam als spiegel van geschiedenis en veerkracht
Voor de drie vrouwen is een naam nooit zomaar een naam. Hun verhalen tonen hoe koloniale geschiedenis, familietrots en culturele veerkracht doorklinken in wat we dragen en doorgeven. Sabajo wijst op het vergeten leed van Inheemse gemeenschappen. “Wij waren de eersten die tot slaaf werden gemaakt,” zegt ze.
Ze pleit voor zichtbaarheid: onderwijs, een monument en toegang tot voorouderlijke bronnen. Van den Berg ziet hoe een naamsverandering voor sommigen bevrijding betekent, en voor anderen juist een manier is om verbonden te blijven met hun voorouders. Voor Kalaykhan raken deze vragen ook de volgende generatie. Wanneer kinderen verlangen naar namen die hun roots weerspiegelen, wordt duidelijk hoe diep het verlangen naar erkenning nog steeds leeft.
Wat ooit werd opgelegd, wordt nu steeds vaker herwonnen. In een samenleving waar westerse normen nog steeds domineren, zijn namen als de hunne krachtige herinneringen aan wat behouden bleef én wat opnieuw betekenis krijgt.
Wie zijn naam kent, kent zijn verhaal. En dat verhaal verdient het om gehoord te worden.
