Ik kom uit het land van de luchtspiegelingen, fata morgana’s. De illusie kan mooier zijn dan de werkelijkheid omdat die eerste verwachtingen bij ons oproept. Die hoop neemt de gedachte aan van een ster. En die ster wijst me de weg – althans, dat is wat ik hoop.

Dus stel ik me een hooggebergte voor dat ik nooit zal bereiken, waar de avond als een deken overheen getrokken wordt, het rode licht gaat langzaam over in roze licht om uiteindelijk zijn diepe, blauwe kleur prijs te geven waartegen de ster scherp afsteekt, waar een melkachtig licht uit komt dat ik graag ontvang, al was het maar omdat ik stilletjes hoop dat de ontvangst van het licht mijn moed om het goede te doen zal aanwakkeren. Moed die opwelt tussen de mistige wolken en slagregens want het is ondertussen beginnen te regenen, een lawine van water dat het hooggebergte teistert en ik concludeer dat ik hier ben en niet daar en dat ik dus nog leef. Dan begin ik de reis en hoop dat bij aankomst de ergste regens voorbij zullen zijn.

Op een transistorradio, die ik bij me draag om de eenzaamheid mee te verbannen, hoor ik dat regenval zoveel overlast heeft veroorzaakt dat het doden tot gevolg heeft gehad. Ik zet de radio uit. Dan maar liever eenzaam. De ster lijkt me uit te lachen om de snelheid waarmee ik me afsluit voor het ergste leed. Maar wat de ster niet weet is dat wanneer leed wordt onderbouwd met kille cijfers, wat eerder afstompt dan iets oproept. Wat de ster allemaal niet weet! En wat is het dat ik niet weet maar waarvan ik hoop dat de ster het me geven zal? Het liefst van alles hoop ik een huis te vinden. Alle ambities teruggebracht tot de droom van een warm huis waar in het haardvuur een paar blokken hout vrolijk knetteren. Hoor ik over verwoestend water, dan denk ik aan vuur. Maar denk ik te lang aan vuur dan roept dit apocalyptische beelden op van bossen en steden die in de as zijn gelegd door de ontketende vlammen.

Ik zet de radio weer aan en inderdaad, ook het vuur heeft toegeslagen. Ergens ver weg. Maar omdat ik onderweg ben en dus alle kanten op kan, ook waar het vuur is, voelt dit dichtbij. Ik wil thuiskomen maar omdat het huis ver weg is moet ik een huis in mijn hoofd maken. Noem het een talisman.

De mens kan niet genoeg talismannen hebben – dat is wat ik voel dat de ster me wil zeggen. Ik reik met mijn hand naar de ster en grijp mis. Lopen zal ik. Dat huis draagt water en vuur maar zal me niet overstromen noch in brand steken. In het huis is alles stabiel wat bijdraagt aan wat de Engelsen ‘peace of mind’ noemen. Vrede in het hoofd. Ik begin al sneller te lopen want de belofte van vrede zet me in beweging. Ik weet zeker dat wanneer ik dat huis bereik er iemand zal zijn die de deur opendoet. Dat is toch een wat huis moet zijn, een plek waar je binnengelaten wordt, zonder aanziens des persoons. Ook als er een luchtje aan me hangt mag ik snel naar binnen; ik verlang naar die gastvrije blik, het uitdoen van de schoenen, het ophangen van de jas om daarna binnen te treden. Om mijn hoofd hangt een tikkeltje de geur van een verloren zoon wat de gastheer- of vrouw helemaal niet erg vindt, is niet iedereen verloren?

De ster schuift weer een stukje verder en ik schuif mee. Eindelijk na al die jaren beginnen de dingen op hun plek te vallen. Of is het niet zo: de dingen vallen op hun plek, eindelijk, na al die jaren.

Ik ben er nog lang niet maar heb toch al mooi heel wat verhalen gemaakt als voorpret op de aanstaande thuiskomst. Stel dat het huis aan de rand van het ravijn gebouwd is, zal me dat ervan weerhouden het te betreden? Het kan zijn dat de gesel van de natuur het huis zo heeft aangetast dat de muren zijn verkruimeld. Kan ik het dan nog wel een huis noemen? Technisch bewoonbaar, maar menselijk niet? Dit zijn de gedachten die me bezig houden in deze heilige nacht.

Heilig is voor mij wanneer alles wat zich aandient erom smeekt om in een dieper verband geplaatst te worden, als kinderen die een koor vormen om een beeldschoon lied te zingen. De onschuld blijkt tot diepe ontroering in staat, onafhankelijk uit welk huis het komt. Het stemt me gerust te weten dat dit voor alle kinderen overal geldt. Een jochie fietst op zijn achterwiel, het voorste wiel omhoog. Alles om hem heen applaudisseert.

De ster wenkt me. Ik moet me haasten. Straks haal ik het niet. Ik trek de sjaal nog wat aan en versnel. Overbodig om te zeggen dat wie ver wil komen goede schoenen moet hebben. Want schoenen vertellen uiteindelijk het verhaal, het is het kledingstuk dat het meest meemaakt en het meest lijdt.

Stel dat het huis dat ik ga betreden gebouwd is in een drooggevallen rivier, moet ik de bewoner dan waarschuwen dat het bij hevige regenval meegesleurd zal worden door het wassende water? Natuurlijk doe ik dat. Maar ik zal het niet op een hoogdravende manier doen want dan stoot ik mijn gastheer voor het hoofd. Samen bespreken we de situatie, maken een plan en gaan dan tot actie over. Zo redden we het huis en de vriendschap. En ik zal aanbieden om het huis op een andere plek te herbouwen – ik wil niet dat hij zich in de steek gelaten voelt.

De ster weet dat de mens niets liever doet dan waarschuwen. De ster weet ook dat de mens niets liever doet dan waarschuwingen in de wind slaan. De ster weet dat alleen in vriendschap waarschuwingen serieus worden genomen en soms zelfs dan niet.

Ik begrijp steeds beter waarom deze ster elk jaar opnieuw op hetzelfde punt tevoorschijn komt: het herinnert me aan de kracht van de tijd, tijd is een herhalingsoefening, elke seconde herhaalt zichzelf. En dat mag geruststellen. De ster komt terug. Op precies dezelfde plek terwijl ik andere dromen zal hebben. Wanneer de ster de droom aanraakt gebeurt er iets wat ze ‘magisch’ noemen: ik voel me verlicht, ik hang eventjes aan de ster en ik zie het al dat onder me ligt en het al dat voor me ligt.

Dan laat de ster me vallen wat best wel pijn doet. Ik kom overeind en loop door. Ondertussen passeer ik huizen die me eraan herinneren dat het ongeschonden huis niet bestaat. Ik zie gebombardeerde huizen. Huizen bezet. Huizen verzwolgen door vuur. Huizen opgeslokt door water. Beschimmelde huizen. Gebarricadeerde huizen. Verlaten huizen. Ingestorte huizen. Belaagde huizen. Huizen waarvan ik niet meer weten wie er heeft gewoond. Of zal wonen. Huizen waar een kind is geboren. Huizen waar een kind is gestorven. Huizen die nooit door een kind zijn gezien. Huizen die hologig de nacht inkijken.

De ster schuift boven deze huizen, het licht stroomt erdoor. Ik zie schaduwen van mensen. Daar zijn ze: echte mensen met echte dromen die echt eten voorbereiden in afwachting van de gast. Die gast moet ik dan maar zijn. Wat is er tegen om je gast te voelen? Alleen op deze manier kan je leren gastgever te zijn, je moet toch ergens de kunst afkijken? Ik klop aan. Geen gehoor. Ze hebben me niet gehoord.

Ik klop nog een keer aan. Geen gehoor. Ze maken zich klaar. Ik klop aan. Geen gehoor. Ze zijn druk. De nieuwsgierigheid maakt dat ik door het raam kijk. Er is niemand. Ik steek mijn vinger op naar de ster. “Je hebt me op het verkeerde been gezet. Met je licht heb je een illusie van aanwezigheid gecreëerd. Maar er was niemand!” De ster antwoordt niet terug, het kijkt wel uit, het is al bijna achter de bergen verdwenen om ergens anders mensen zoals ik richting te geven, ze naar een huis te brengen waar niemand woont. Of zit het anders? Heb ik buiten mezelf gerekend?

Ik doe de deur maar open want nu ik hier ben, kan ik net zo goed naar binnen gaan. Ik steek het licht aan, pook het vuur in de haard op en geef de plantjes water. Dat doe ik allemaal instinctief; hoe makkelijk is mens-zijn als je niet hoeft denken wat te doen, als het lichaam uit zichzelf de weg vindt in het geheel. Kan dat door het huis komen of vind ik het gewoon prettig om dit huis tot de mijne te maken? Is het bezitsdrang? Het huis is niet van mij. Ik bewoon het. En morgen zal ik verder gaan.

Steeds fijner wordt het in het huis. De warmte trekt door het droge hout, doet het glanzen. Er is eten in de koelkast, wat te drinken ook. Ik blader wat door een boek met kerstgedichten, de ogen worden zwaar. Ik vraag me af of dit het dus is: een man alleen in een huis dat niet van hem is. Dan hoor ik iemand aankloppen. Er klonk opgewonden gelach, duidelijk mensen die toe zijn aan iets warms.

Boven het huis schijnt een ster, het zal verdwijnen. Wat het achterlaat is hoopvolle verwachting. Daar leeft de mens best wel lang van. Ik loop naar de deur. Hoe doe je dat, iemand ontvangen? Maar mijn hand laat me niet toe dit goed te overdenken, het is al bij de deurklink. Het lichaam snakt naar contact – dat snap ik wel, ik heb lang genoeg gelopen. Wie voor me staan, hebben net als ik heel wat afgelegd. Ze zien er moe uit, wel toe aan wat eten en drinken. Een slaapplaats ook. Ik slaak een zucht van verlichting. Ik zal niet meer alleen zijn. We zullen verhalen uitwisselen, lachen om de doorstane ontberingen en bezwerende spreuken uitspreken die ons moeten beschermen tegen wat komen gaat.

En als dat allemaal gedaan is, gaan we slapen. En dromen van een melkzoete maan.

Merlijn Doomernik

Abdelkader Benali

Abdelkader Benali is schrijver, programmamaker, adviseur en coach op verzoek.
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.