Recent werd bekend dat twee jonge baha’is, Peyvand en Borna Naimi – neven van elkaar – zijn onderworpen aan meerdere schijnexecuties en martelingen en hun leven is onzeker. Onder zware druk hebben beide jonge mannen bekend te hebben deelgenomen aan de moord op Basij-agenten, paramilitariren van de Iraanse autoriteiten, ondanks bewijs dat zij op het moment van de moord niet ter plekke waren. Een van hen was zelfs gevangen op dat moment.
Hun behandeling is geen incident maar een structureel en escalerend patroon van onderdrukking dat al bijna vijftig jaar lang wordt uitgeoefend door de Islamitische Republiek. Het is een patroon omdat deze overheid een programma uitvoert dat “de vooruitgang en ontwikkeling blokkeert” van de baha’i-gemeenschap.
De vervolging van baha’is in Iran is diepgeworteld. Sinds de islamitische revolutie van 1979 worden baha’is systematisch uitgesloten van onderwijs, werk en politieke participatie. Hun huizen worden gesloopt, hun eigendommen geconfisqueerd, en hun geloof wordt gecriminaliseerd. Wat nieuw is, is de intensiteit. Europese instellingen spreken inmiddels van een “escalerend patroon” van intimidatie en arrestaties. Dat zou voor Nederland een alarmsignaal moeten zijn.
De vraag die Nederland zich moet stellen is eenvoudig: wat betekent onze inzet voor mensenrechten, als we zwijgen wanneer die rechten tegen een religieuze minderheid op zo’n schaal worden geschonden? En waar christenvervolging op dit moment – terecht – grote aandacht krijgt, moet ook aan de vervolging van andere religieuze en levensbeschouwelijke stromingen aandacht worden besteed, want ieder mens moet beschermd worden in zijn of haar mensenrechten.
Juist nu Iran zich in een grote nationale crisis bevindt, lijkt de overheid religieuze minderheden opnieuw als zondebok te gebruiken. Het is een bekend mechanisme: wanneer regimes onder druk staan, wordt repressie naar binnen gericht. Baha’is, die geen politieke macht hebben en zich principieel geweldloos opstellen, vormen een gemakkelijk doelwit. Nederland heeft historisch gezien een sterke reputatie op het gebied van mensenrechten. Den Haag profileert zich als stad van vrede en recht. En die reputatie verplicht tot handelen. Concrete stappen zijn nodig.
Nederland moet zich expliciet uitspreken in internationale fora, zoals de Verenigde Naties. Daarbij moeten de baha’is specifiek benoemd worden, niet omdat zij belangrijker zijn dan andere minderheden, maar omdat baha’is door de Islamitische Republiek niet als geloofsgemeenschap erkend worden – de Grondwet erkent het Baha’i-geloof niet, dit in tegenstelling tot het Christendom, het Jodendom en het Zoroastrisme – en dus kunnen zij de basale rechten van baha’is schenden en tegelijkertijd beweren dat ze de rechten van religieuze minderheden respecteren.
Critici kunnen zeggen dat Nederland weinig invloed heeft op Iran, maar de Iraanse autoriteiten zijn gevoelig voor internationale druk, dat hebben wij door de jaren heen ondervonden. En verschillende soorten druk, diplomatieke statements en publieke aandacht, kunnen elkaar daarin versterken. Dit is voor Nederland het moment om steun te bieden aan de baha’is in Iran.
