“Na de regime-verandering van de Sjah naar de Ayatollah in 1979 ben ik gaan vechten tegen het nieuwe bewind. En niet alleen met woorden.”

Saber is een Iraanse man van 63 jaar. Klein van stuk. Hij oogt kwetsbaar, maar tegelijkertijd is hij heel tanig. Ik voel intuïtief dat er een heel verhaal achter zijn woorden zit. Hoe zou hij er veertig jaar geleden hebben uitgezien, vraag ik me af. Hij zet zijn grote zwarte bril af en poetst wat met een doekje aan een van de glazen.

“Eerst vanuit Iran zelf. Dat heb ik een paar jaar gedaan, maar toen het te gevaarlijk werd, ben ik naar Europa gevlucht. Ik heb een hele reis gemaakt door Turkije en via Servië naar Duitsland en uiteindelijk naar Nederland.”

Zijn Engels is goed, zoals bij veel hoogopgeleide mensen uit Iran. Helaas is ook door de IND vastgesteld dat hij uitgezet moet worden naar Duitsland omdat hij daar volgens hen de EU is binnengekomen — dit is een Dublin-claim. Zijn advocaat heeft beroep aangetekend, maar we weten dat een beroep tegen een ‘Dublin Duitsland’ weinig kans van slagen heeft. En dat laatste weet hij ook wel, denk ik. Ik geef hem de vervelende boodschap.

“Saber, het betekent dat je waarschijnlijk terug moet naar Duitsland. En dat je recht op opvang in Nederland ook eindigt. De Dienst Terugkeer & Vertrek zal binnen￾kort contact met je opnemen om met jou je terugkeer te bespreken.”

“Mijn leven is voorbij. Ik zie geen perspectief meer,” zegt hij zachtjes.

Hij zit erbij met ingezakte schouders. Zijn gezicht leunt op zijn hand. Hij zucht en kijkt naar beneden. Dan draait hij zijn hoofd weer rechtop en staart afwezig naar de tolkentelefoon die tussen ons in staat.

Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen. De wanhoop die hij uitstraalt lijkt de kamer te vullen. En ik leef met hem mee, maar ik kan weinig — lees: niets — voor hem doen. Behalve hem zo goed mogelijk ondersteunen in deze moeilijke periode.

“Ik wandel veel, dat houdt me fit en maakt dat ik niet zoveel pieker,” vertelt hij.

“Dat doe je goed. Misschien kunnen we af en toe samen een wandeling maken,” opper ik voorzichtig. “Alleen als je dat op prijs zou stellen natuurlijk.” Hij knikt, bedankt uitvoerig en beleefd voor het gesprek.

Een paar dagen later krijg ik een bericht dat Saber zoals dat heet een ‘suïcide-uiting’ heeft gedaan. Hij heeft bij de medische dienst na een gemiste afspraak verteld dat het hem niets uitmaakt, omdat hij toch zelfmoord gaat plegen. Hij krijgt diezelfde dag nog bezoek van een paar woonbegeleiders en het lijkt weer wat beter te gaan.

Hetzelfde weekend, zondag 23:00. Een mail van Saber. “Ik heb een uitnodiging gekregen voor een gesprek met de Dienst Terugkeer en Vertrek deze week,” schrijft hij. “And I am worried, very worried.” Ik lees het bericht en denk eerst: ik mail hem morgen wel terug.

Maar als ik in bed lig, begin ik te malen. Ik zie opeens een beeld voor me. Dat hij zich vannacht van het leven berooft en dat zijn — onbeantwoorde — mail aan mij zijn laatste daad was. Geschrokken spring ik uit bed, open de laptop en stuur snel een mailtje terug waarin ik voorstel dat we morgen praten.

Om 10:00 de volgende ochtend zien we elkaar. Ik heb met mijn collega’s voorgesproken hoe ik dit gesprek het beste kan insteken. Ik wil proberen hem de realiteit onder ogen te laten zien en er niet voor weg te lopen. “Saber, deze situatie gaat niet veranderen. Ik zie hoe je hiermee omgaat en zou je graag helpen om een draai te maken, er anders naar te kijken,” probeer ik. Hij zwijgt en kijkt naar de grond.

“Je leven is nog niet voorbij. Je hebt nog steeds een keuze,” vervolg ik. “Niet in wat je overkomt, maar wel hoe je ermee omgaat.”

Ik weet dat ik gemakkelijk praten heb. Hij vertelt over zijn negatieve ervaringen in Duitsland en Roemenië. Ik weet niet of ik hem bereik. Het lijkt er niet op.

“Ik wil het gesprek met DT&V uitstellen,” zegt hij dan zachtjes. Ik vraag hem waarom hij dat wil. “Kan ik het uitstellen of niet?” zegt hij.

“Waarom wil je dat,” vraag ik weer. Het lijkt een spelletje, maar dat is het niet. “Ja of nee?!” vraagt hij nu licht geïrriteerd. Ik vraag hem nog eens waarom.

Hij zucht eventjes. Nauwelijks hoorbaar zegt hij langzaam: “Ik ben bang…”

“Ik begrijp dat je je zo voelt,” zeg ik. “Maar het is niet nodig. En eerlijk gezegd heeft uitstel niet zoveel zin, volgende week is de situatie niet veranderd. Daarom denk ik dat het beter is om gewoon maar te gaan. Misschien moet je proberen je angst in de ogen te kijken.”

Bijna onmerkbaar knikt hij met zijn hoofd. Shit, denk ik ondertussen, ik kan er helaas niet bij zijn, want die dag werk ik niet. Nou ja misschien maar beter ook. Zwijgend zitten we tegenover elkaar.

“Gisteren was ik jarig…” zegt hij plotseling. “Ik ben 64 geworden.”

“Gefeliciteerd.” Het klinkt opeens wat droog. “Heb je het gevierd?” vraag ik. “Nee, ik heb het niet gevierd, vanwege de situatie,” zegt hij somber.

Weer is het stil. Mijn oog valt op een poster van de taalles die aan de muur hangt. Afbeeldingen van een peer en een appel staren me in het gezicht. Ik wil het gesprek wat verluchtigen, maar weet niet zo goed hoe ik het moet aanpakken. “Wandel je nog wel elke dag?” vraag ik dan. “Ja, ik loop veel. Ik doe aan wandelen, elke dag loop ik door de groene weilanden. De Nederlandse luchten zijn schitterend. Ik blijf uren lopen.”

“O”, zeg ik, “dan heb je daar zeker speciale wandelschoenen voor?” Hoe ik bij deze vraag kom weet ik eigenlijk niet, maar ik stel hem.

“Mijn schoenen zijn oud en versleten. Ik heb nieuwe schoenen nodig, maar die heb ik niet gekocht. Vanwege de situatie.” Geen verjaardag, geen nieuwe schoenen.

“Saber”, zeg ik. “Je bent nog niet dood. Je kunt gewoon leven, nieuwe schoenen kopen, je verjaardag vieren. Je kan toch niet je leven stopzetten — nu al?! Je bent ‘pas’ 64 en hebt nog een heel leven voor je! Probeer het anders te benaderen. Laten we samen kijken wat er wel mogelijk is. Je kunt de situatie niet veranderen, maar wel hoe je er mee omgaat,” herhaal ik nog maar een keer.

Hij zwijgt en kijkt naar de grond. Hij wil het graag anders zien, maar het lukt hem niet. We praten nog wat verder over welke opties er zijn. “Going back is out of the question,” zegt hij. “Ik zou direct worden vermoord.”

Ik beloof dat ik het internationale Migration Office13 benader om te kijken of zij hem kunnen helpen, misschien met terugkeer naar een ander land dan dat van herkomst.

Uiteindelijk adviseer ik hem nog een keer om zijn angst in de ogen te kijken en er iets mee te doen. Hij knikt. “Dank voor dit gesprek,” zegt hij zachtjes.

Ik informeer mijn collega’s van DT&V en ben benieuwd of hij morgen aanwezig zal zijn bij hen op gesprek.

Linda komt binnen met lachende ogen. “Ik heb wat moois,” zegt ze. “Gevonden op de markt.”

Ik zie een voorwerp dat strak is ingepakt met plastic en plakband. Terwijl we nieuwsgierig toekijken maakt Linda voorzichtig het plakband los en verwijdert het plastic. Het lijkt iets van steen, maar wat is het…?

“Het is een tegeltje,’ zegt ze, “met zo’n spreuk. Past hier prima in deze kamer!” Zelf giert ze het al uit van de lach. Ze laat het zien: “De wereld is een gekkenhuis en hier is het hoofdkantoor.”

#jiskefetrevisited

Lees over de auteur en het boek

Interview Robbert Paul Schwippert1

“Een beter geïnformeerd gesprek over asiel en migratie is noodzaak”

Robert Paul Schwippert schrijft ‘In de wachtkamer van de toekomst’

Interview-Robbert-Paul-Schwippert1-1170×680

Robert Paul Schwippert

Robert Paul Schwippert is freelance change professional. Hij is onder meer auteur van het boek ‘In de wachtkamer van de …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.