Het is begin juni 1967, en Nederland is in rep en roer. Niet om een interne reden, maar omdat er andermaal een oorlog in het Midden-Oosten op uitbreken staat.
Een agressieoorlog, zo verluidt het vrijwel unaniem in de vaderlandse publieke opinie, tegen Israel. Een oorlog die Israel had willen vermijden en die de dappere kleine Joodse Staat als nooit tevoren in zijn voortbestaan bedreigt. Zou die verlichte joodse David de bloeddorstige Arabische Goliath ook nu kunnen trotseren? Of zou de militaire en territoriale overmacht van Israels gezworen vijanden deze keer de doorslag geven? De goegemeente hoopt vurig van niet, maar houdt haar hart vast.
De Amsterdamse studentenvakbond ASVA, die geheel naar de tijdgeest een zeer links-activistische koers vaart, weifelt. De solidariteit met Israel is vermoedelijk terecht, maar toch zijn er bedenkingen. Voorzitter van de vakbond is de bevlogen en buitengewoon geëngageerde Bertus Hendriks (24). Van Israel en het Midden-Oosten wist hij eigenlijk niets, zo bekent hij 58 jaar later in zijn kleine, met boeken vol gemetselde werkkamer in Oud-Zuid in Amsterdam. En dat was niet zo gek. Vietnam, dáár stond je als geëngageerde student destijds voor op de barricaden. Je liep te hoop tegen ‘Johnson Moordenaar’, niet tegen Golda Meir.
Maar, zo voegt Bertus er glimlachend aan toe, ‘ik had wel slechte joodse vrienden, die mij in korte tijd wijzer maakten’.
Eén van hen was At van Praag, met wie Bertus namens de ASVA een jaar eerder Cineclub Vrijheidsfilms had opgericht. Dit invloedrijke instituut, officieel een vereniging, zou in zijn 33-jarige bestaan tal van films over bevrijdingsbewegingen produceren en verspreiden. Dat was in de jaren zestig geen overbodige luxe, want openbare vertoning van politieke films over bijvoorbeeld Vietnam was verboden.
Haast evenzeer verboden was het in die dagen om Israel niet onvoorwaardelijk te steunen. Wie kon die druk weerstaan? Nou, iemand als Van Praag dus. ‘Je gaat toch zeker niet meedoen met die Israel-hysterie?’ zei hij tegen Bertus. ‘Want: het zit daar wel een beetje ingewikkelder in elkaar. Israel was echt niet zo’n arm landje dat het steeds tegen kwaadaardige reuzen moest opnemen, zo hield hij mij voor. Als jood die zich had verdiept in het politieke zionisme [te onderscheiden van het religieuze zionisme] en het kennelijk afwees, was hij geloofwaardig. En zo werd het eerste zaadje van twijfel aan het Israelische heldenverhaal in mij geplant.’
Dat zaadje kreeg – onbedoeld – nog meer voedsel dankzij de Nederlandse Zionistische Studenten Organisatie. ‘Vlak na de afsluiting van de Golf van Aqaba stond die club ineens bij ons op de stoep. Of wij maar even een solidariteitsverklaring wilden ondertekenen. Mede omdat Van Praag al op mij had ingepraat, zei ik: daar moeten wij eerst over nadenken.
‘Je moet weten, we hadden die zionistische club nooit eerder gezien. Niet bij demonstraties tegen het Griekse kolonelsregime of tegen de Vietnamoorlog of wat dan ook Dat was al een teken dat deze mensen niet zomaar ons vertrouwen verdienden. Nu klopten ze bij ons aan, maar waar waren ze toen er andere internationale misstanden aan de kaak dienden te worden gesteld ? Dus reageerden we terughoudend.’
‘De reactie was onmiddellijk verontwaardigd, en voor we het wisten was er een schandaal geboren. Er kwam een open brief van oud ASVA-bestuursleden van joodse afkomst, ondertekend door onder anderen Victor Halberstadt, later hoogleraar Economie en PvdA-kopstuk, dat ze zich schaamden voor onze houding. Ik heb nog een kleine polemiek gevoerd met Halberstadt in het dagblad Het Parool. Maar naar goed joods gebruik verscheen er ook een tegenbrief van de trotskist en latere hoogleraar sociale geschiedenis Theo van Tijn, die het voor ons opnam.’
Dat was Bertus’ eerste proeve van de argumentatieve joodse cultuur, die hij zou gaan bewonderen: ‘Die traditie van Lernen: blijf opmerkzaam, blijf leren, blijf lezen. Eén ding heb je altijd bij je: je hoofd. Dat kunnen ze je niet afnemen. De hang naar debat: zet twee joden in een kamer, en je krijgt drie politieke partijen. Wat niet wegneemt dat het mij bleef verbazen dat de minste afwijking van een algemene lijn zo veel commotie veroorzaakte. Het wekte mijn argwaan.’
Hier openbaart zich wellicht een opvallende karaktertrek van Bertus. Hij heeft in zijn leven een zeer breed palet bestreken. Hij komt uit een arm katholiek gezin van kermisexploitanten, maar kon zeer goed leren. Hij was geen typische alfa, of bêta, hij blonk simpelweg in alles uit. Hij werd activist, wetenschapper en journalist. Met zowel de joodse als Arabische gemeenschap zou hij nauwe banden smeden. Hij was van veel markten thuis en kon met veel mensen door één deur. Desalniettemin is Bertus nooit een allemansvriend geweest. Steeds wanneer hij onredelijke tegenwerking ondervond, werd hij taai, en hield hij onverbiddelijk vast aan zijn overtuiging.
Hij had een scherpe antenne voor een verschijnsel dat wel eens met de beroemde regel ‘the lady does protest too much, methinks’ uit Hamlet wordt aangeduid: het overdreven scherp reageren op de minste kritiek om onzekerheid over eigen opvattingen te maskeren. De felle reacties op de bedachtzame opstelling van de ASVA waren een klassiek geval van ‘the lady does protest too much.’
Er was nog wel een moment van verwarring toen Bertus de ASVA even aan haar eigen lot overliet om een syndicalistisch congres in Parijs te bezoeken. Hij zag hoe in France-Soir – destijds de grootste krant van Frankrijk – op de 5e juni, de dag na het uitbreken van de Juni-Oorlog, op straat werd uitgedeeld en schrok van de kop: ‘Israel aangevallen !’
‘Ik dacht: verdomme, zit ik toch fout! Ik moest zo snel mogelijk terug naar Amsterdam om me te verantwoorden.’
Spoedig werd de ware toedracht duidelijk. Israel had zelf als eerste aangevallen, zij het ‘preventief’. ‘Dit was mijn eerste kennismaking met de uiterste brutale hasbara-propagandamachine, gespecialiseerd in Orwelliaanse omkeringen. France-Soir – geen kwaliteitskrant – had braaf opgeschreven wat de Israeli’s het hadden voorgezegd.’
Uiteindelijk kwam de ASVA met een verklaring. ‘Die luidde dat hier sprake was van een botsing van recht op recht. Kortom: we namen een neutrale positie in. Beide partijen hadden legitieme aanspraken, legitieme grieven. Dit standpunt werd geïnterpreteerd als pro-Arabisch. Want als je niet honderd procent pro-Israelisch was, dan werd je in het Arabische kamp ingedeeld.’
‘Ook binnen de ASVA was de verklaring niet onomstreden. Ik heb als voorzitter moeten praten als Brugman om die er doorheen te krijgen. De ASVA functioneerde als een soort parlement. De linkse Studentenvakbeweging (SVB) vormde de meerderheid, maar er waren nog andere zogenaamde partijen. Het parlement als geheel was er zeker niet van overtuigd dat ik het zo goed had gedaan. Bedenk dat veel jongeren in die tijd na de middelbare school een jaartje gingen werken in een kibboets, waar het socialisme voorbeeldig in de praktijk werd gebracht. Dus als je links was, kon je in die dagen enthousiast zijn over Israel. Uiteindelijk kwam ik zonder kleerscheuren uit dat debat, maar dat ging niet zonder moeite. Stel je eens voor dat ik mijn huidige standpunt toen al had gehuldigd.’
Er was nóg een reden dat Bertus met en macht vasthield aan zijn stellingname. Hij trekt een vuistdikke pil uit zijn boekenkast. De pil blijkt een nummer van een tijdschrift te zijn, dat hij net na terugkeer uit Parijs kocht: Les Temps Modernes, in 1945 opgericht door Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir. Een magazine dat tientallen jaren lang een groot stempel drukte op het intellectuele leven in Frankrijk. De aflevering die een blijvende invloed op Bertus zou uitoefenen, was geheel gewijd aan Le Conflit Israelo-Palestinien.
‘De hoofdredacteur van Les Temps Modernes was Claude Lanzmann, die later de beroemde, negen uur durende televisiedocumentaire Shoah zou maken. Hij was fel pro-Israelisch, maar ook bij Les Temps Modernes heerste een argumentatieve cultuur. Dus stonden er ook artikelen in die niet pro-Israelisch waren. Zoals het tachtig pagina’s tellende stuk: ‘Israel, fait colonial ?’ Dat was voor mij umwerfend, zoals onze Oosterburen zeggen. Het was van Maxime Rodinson, een joodse marxistische socioloog, taalkundige, historicus, arabist en islamoloog. Een geweldige man, met wie ik goed bevriend ben geraakt. Pas veel later vernam ik tot mijn ontzetting dat zijn ouders in Auschwitz waren vergast.
‘Rodinson was enerzijds een product van die typische joodse Lernen-cultuur, maar ook een product van het pure, strikt egalitaire Franse Republikeinse model, dat alleen burgerschap erkent, geen etniciteit. Bijzonder aan hem was ook dat hij de Tweede Wereldoorlog had doorgebracht in het Institut Arabe in Damascus. Daardoor kende hij de Arabische Wereld heel goed, en dan krijg je een totaal ander beeld. Je begrijpt beter hoe het hele conflict is ontstaan. Het artikel van Rodinson weerlegde alle zionistische argumenten in de pro-Israelische stukken. Het toonde voor mij zonneklaar aan dat Israel een koloniaal project is.’
‘Rodinson was uiteindelijk nog heel gematigd, want in zijn slotconclusie stelde hij Noord-Ierland ten voorbeeld. Hij propageerde, met andere woorden, een deling van het land. Ofwel een twee staten-oplossing. Daarvoor is hij door alle kampen aangevallen, want deze oplossing was destijds voor niemand bespreekbaar. Hij lag er niet wakker van, nam een strikt onafhankelijke positie in. Toen ook ik een keer ruzie kreeg met Arabieren – ik weet niet meer waarover – zei hij: “Ne vous en faites pas. Aujourd’hui on vous insulte, et demain vous êtes de très bons amis.” Ofwel: zit er maar niet over in. Vandaag krijg je ervan langs, morgen ben je weer de beste vrienden.’
De Israelisch-Palestijnse kwestie was toen nog niet bepalend in Bertus’ leven. Dat gebeurde pas na de groepsreis naar het Midden-Oosten waaraan hij in 1969 deelnam, en die de geboorte betekende van het Nederlands Palestina Komitee (aanvankelijk Comité), waarvan hij tussen 1970 en 1978 de voorzitter zou zijn.
Het verhaal van die reis begint bij Piet Nak, een van de helden van de Februaristaking van 1942. Een ongeschoolde maar zeer opmerkelijke man, die in de oorlog werkte bij de gemeentelijke reinigingsdienst – hij werd wel eens denigrerend “vuilnisman” genoemd – en later als illusionist (‘Pietro Nakaro’) aan de bak probeerde te komen.’
‘Piet Nak had voor zijn aandeel in de Februaristaking van de Staat Israel de Yad Vashem-onderscheiding ontvangen – de hoogste onderscheiding voor wie joden in de oorlog te hulp was geschoten,’ vertelt Bertus. ‘Maar toen las hij, naar aanleiding van het uitbreken van de Juni-Oorlog, in het dagblad Het Vrije Volk een interview met Mahmoud Rabbani, die consul van Koeweit was – én een Palestijnse vluchteling. Het verhaal in Het Vrije Volk maakte op de verzetsheld zo’n diepe indruk dat hij contact met Rabbani zocht. Rabbani werd Naks Rodinson. Rabbani begreep al snel dat hij met Nak goud in handen had. Een man die zijn leven voor joden had gewaagd en nu wilde weten hoe het zat met de Palestijnen! Rabbani, die natuurlijk over de nodige contacten beschikte in het diplomatieke circuit, besloot een reis naar het Midden-Oosten op touw te zetten voor Nederlandse politici, met Nak als paradepaard. De consul was echter te optimistisch: geen politicus wilde zich aan zo’n reis branden. Dus moest hij teruggrijpen naar het tweede echelon: onder anderen enkele vredesactivisten uit kerkelijke kring – zoals pater J. van Eupen en Wim Bartels van Pax Christi – en een aantal studenten, van wie ik een der uitverkorenen was.’
In de Arabische Wereld werd de rode loper voor dit proto-Palestina-comité uitgerold. ‘Dat was dankzij Piet Nak. Hij stond op alle voorpagina’s in de Arabische Wereld. Men lag in katzwijm voor hem. We werden ontvangen door koning Hoessein, door de Syrische president Nureddin al-Atassi en de Libanese president Charles Hélou. Alleen Gamal Abdul Nasser liet zich excuseren, die was al doodziek, wij moesten ons tevreden stellen met de Egyptische minister van Buitenlandse Zaken, Mahmoud Riad.’
‘Ik moet zeggen dat ik niet heel veel wijzer werd van deze ontmoetingen. Maar ik ging ook naar Israel. Dat was op aandringen van Halberstadt, met wie ik zoals gezegd eerder de degens had gekruist. Hij kon mij nuttige adressen verschaffen. Ik ging op zijn suggestie in.
Niet voor het eerst verschijnt er een glimlach op Bertus’ gelaat. ‘Dankzij Halberstadt kreeg ik hoge ambtenaren te spreken, mensen van wie je meestal meer opsteekt dan van staatshoofden. Punt was wel dat ik kort vóór de reis een in Amsterdam Moshé Machoverhad ontmoet die kort daarvoor een Amsterdam een lezing had gegeven. En die ontpopte zich tot mijn tweede grote inspirator. Ook hij was, behalve een briljant wiskundige en filosoof, een anti-zionistische jood, die vond dat er geen sprake was van een conflict tussen Israel en Arabische staten, maar tussen zionistisch kolonialisme en de Palestijnen. Machover heeft later de consequenties uit zijn visie getrokken, Israel de rug toegekeerd en zich in Groot-Brittannië gevestigd. Maar hij bleef in contact met Matzpen, een joods-Arabische, antizionistische organisatie in Israel waarvan hij zelf lid was geweest. Machover gaf mij een aantal adressen door.’
‘Mijn gesprekken in Israel pakten bijzonder vormend voor mij uit, maar niet op de manier die Halberstadt had gehoopt. Want ook al leverden de ontmoetingen met de ambtenaren tot wie hij mij toegang verschafte de nodige nuttige informatie op, de activisten van de Israelisch-Palestijnse Al-Ard-Beweging [het Land] die ik ook sprak, kwamen met het meest overtuigende verhaal. Zo werd ik in Israel zelf, dankzij Israeli’s zelf, definitief antizionistisch.’
‘De Israelische overheid was ook nog eens zo vriendelijk geweest veel activisten onder huisarrest te plaatsen, waardoor ik geen moeite had ze te traceren. Ja, ik mocht ze spreken, maar tegelijkertijd leerde ik een typisch Israelische vorm van kleinzieligheid kennen. Zo woonde een van de activisten boven een café waarvan hij de eigenaar was. Maar hij mocht er niet in, kon daar dus niet werken, moest personeel inhuren dat hij niet kon betalen. Het kostte hem veel extra geld en dat was de precies bedoeling. Ongelooflijk min.’
Dit waren de vormende jaren van Bertus. Hij woonde daarna een jaar in Caïro, en werd docent antropologie van het Midden Oosten aan de Universiteit van Amsterdam, met politieke islam als specialisatie. Eind jaren tachtig maakte hij de overstap naar de journalistiek en tot zijn pensionering in 2007 waar hij hoofd van de Arabische Afdeling van de Wereldomroep werd en zo bekendheid verwierf als de man die in nieuwsprogramma’s het Midden-Oosten kwam duiden, met Arabische kranten – die hij kon lezen – voor hem uitgespreid.
Nu, in zijn levensavond, is het misschien tijd de balans op te maken. Bertus Hendriks nam het op voor de Palestijnen en bleef uiterst kritisch tegenover de Staat Israel. Tegelijk ontwikkelde hij een grote belangstelling voor joodse geschiedenis en bewondering, zo niet een fascinatie, voor de joodse cultuur.
Heeft dat nooit geschuurd ? ‘Tja. Ik moet bekennen dat ik daardoor waarschijnlijk naïef ben geweest wat het met “Oslo” aangeduide vredesproces betreft. Ik geloofde erin. Dat deden meer mensen, onder wie mede NPK-er van het eerste uur Kees Wagtendonk. Je had ook felle tegenstanders, en dat waren niet de minsten, zoals de prominente Palestijnse intellectueel Edward Saïd. Ook Robert Soeterik, de huidige voorzitter van het NPK, wees met steekhoudende argumenten het akkoord af. Ik moet ze achteraf gelijk geven: de Palestijnen zijn bewust in het pak genaaid. Waarom ik niet meteen inzag dat Rabin niet de De Gaulle van Israel was ? Omdat ik zo graag wilde dat het conflict zou worden opgelost. Dat ik zo diep in de joodse geschiedenis was gedoken, zal daar mee te maken hebben gehad. Ik heb wel eens gewenst dat ik me meer met Zuid-Afrika had beziggehouden: lekker zwart-wit. Soms werd ik door huilende onbekende joodse Nederlanders gebeld die niet begrepen dat mensen zo anti-joods konden zijn. Maar ik wás niet anti-joods. Verre van.’
Is de argumentatieve traditie van de joodse cultuur wel te rijmen met het politieke zionisme? ‘Tijdens mijn eerste bezoek aan Israel zag je daar in ieder geval wel sporen van. Je trof antizionistische lectuur aan in de boekhandel. Er was ook een vredesbeweging die wat voorstelde. Maar sinds de Juni-Oorlog van 1967 is Israel afgegleden tot een soort onverdraagzame theocratie. Een in naam seculiere leider als Benjamin Netanyahoe is de religieuze term Judea en Samaria – voor de bezette Westelijke Jordaanoever – gaan gebruiken omdat hij weet dat dit resoneert, en Geert Wilders doet dat in navolging dus ook.’
‘Uiteindelijk kan het politieke zionisme niet zonder religieuze component. Men heeft altijd geweten dat het geloof een identiteit is die je kunt aanspreken. Alleen zo kon je mensen naar het Heilige Land lokken. Zelfs de grootste joodse godslasteraar hecht wel aan de religieuze traditie, want die heeft de joden erdoorheen geholpen. De overleveringen van de rabbijnen, de scholen, zijn het cement van de samenleving geweest. Maar als je op grond van Bijbelse aanspraken stelt dat het land uitsluitend voor joden bestemd is, terwijl er ook andere mensen wonen, ben je een racist. Het moge duidelijk zijn dat racisme zich slecht verhoudt tot wat ik zo mooi vind aan de joodse cultuur. Een racist zal niet geneigd zijn tot Lernen. Het politieke zionisme is dus eigenlijk een anomalie binnen de traditie van het diaspora-jodendom. Het was ook lang een minderheidsbeweging. Dat veranderde na de Holocaust.’
Het politieke zionisme heeft vermoedelijk nog altijd een betere reputatie dan de politieke islam, zeker na de aanval van HAMAS op 7 oktober 2023 en wat er allemaal op is gevolgd, die ook Bertus diep hebben geschokt. In feite zijn beide stromingen verwant, zegt hij, want ‘in beide gevallen gaat hem om radicalisme met een religieuze rechtvaardiging’. Als ze op elkaar lijken, sluiten ze elkaar in principe ook uit.
Volgens Bertus had dat toch niet zo hoeven zijn. ‘HAMAS heeft in het verleden wel degelijk compromisbereidheid getoond. Samen met de journalist Joris Luyendijk heb ik de historische leider van HAMAS, sheikh Ahmad Yassin, geïnterviewd. Ik vroeg hem naar een oplossing. Hij verlangde “internationale legitimiteit” en noemde de VN-Veiligheidsraadsresoluties 242 en 338, die land voor vrede stipuleren. “Wacht even, dan erkent u Israel impliciet,” zei ik. “O nee,” daar wilde de sheikh niets van weten ! En toch had hij het gezegd. Yassin stelde een hudna, een wapenstilstand voor onbepaalde tijd voor. En toen trof Israel hem met een raket in zijn rolstoel. Hij moest kennelijk niet te redelijk worden.
Nadat HAMAS in 2006 de eerste vrije democratische verkiezingen in Palestina had gewonnen, kondigde Israel met steun van het Westen HAMAS onmiddellijk een boycot van HAMAS af – tenzij deze de condities voor overleg van het zogenaamde Kwartet – de Verenigde Staten, Rusland, de Europese Unie en het Kantoor van de secretaris-generaal van de VN – onvoorwaardelijk onderschreef: het afzweren van het gebruik van geweld, erkenning van de Staat Israel en het onderschrijven van eerder tussen Israel en het Palestijns Nationaal Gezag (PNA), waaronder de Oslo-Akkoorden (die door Israel zelf toen al op grote schaal werden geschonden). Die blanco cheque ging HAMAS te ver. Men wilde die akkoorden niet erkennen (i’ttiraaf – erkenning) maar wel respecteren (ihtiraam – respect). Geen cynisch woordspel, eerder een signaal dat er met de organisatie te onderhandelen viel. Dat laatste hebben Netanyahoe en zijn voorgangers steeds geweigerd, waarbij zij naar buiten toe bleven zeggen dat zij “geen partner voor vrede” hadden. Tegelijk heeft Netanyahoe miljoenen dollars van Qatar naar HAMAS laten doorsluizen om deze sterk en radicaal te houden.’
Hoe nu verder ?
‘Ik denk dat het Israel niet zal lukken om op brute manier van de Kwestie Palestina af te komen. De Palestijnse sumud – standvastigheid – is nu eenmaal heel sterk. “Un peuple qui refuse de mourir,” schreef Alain Gresh, voormalig hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique. Een volk dat weigert te sterven, en zo is het. Je zou kunnen zeggen dat HAMAS tegen een verschrikkelijke hoge prijs de huidige oorlog van Israel al gewonnen heeft. Want Israel zal nooit meer de steun genieten die het sinds zijn ontstaan heeft gekregen.’
‘Israel ondermijnt zichzelf, maar ik waag me verder niet aan voorspellingen. Ik denk wel vaak aan wat de beroemde Amerikaanse journalist I.F. Stone ooit zei, meteen na de Juni-Oorlog van 1967: “Overal hangt het welzijn van joden af van een seculiere, niet-raciale, pluralistische samenleving. En dat is Israel nu net niet. Joden moeten wereldwijd vechten tegen principes en praktijken die ze in Israel juist verdedigen”.’
‘Uiteindelijk denk ik dat die irrationele hebzucht van Israel een halt wordt toegeroepen. Ik zal dat helaas niet meer meemaken. Wat dat betreft vind ik het jammer dat een eeuwig leven niet voor me is weggelegd.’
Dit interview is afkomstig uit Soemoed, jaargang 53, nummer 3-4 (mei-augustus 2025).
