Waarom is Stichting Meld Islamofobie opgericht?

“Stichting Meld Islamofobie is ontstaan in januari 2015 na de verschrikkelijke aanslag op de redactie van het Franse satirische weekblad Charlie Hebdo. Een aantal van mijn vriendinnen en ik vreesden voor een vergelijkbare situatie als na 9/11. Voor ons als moslima’s veranderde de wereld toen onmiskenbaar.”

Kunt u die verandering beschrijven?

“Ik studeerde in 2001 sociologie. Ik kwam thuis na mijn colleges, waar ik mijn vader starend naar de televisie aantrof. Hij had Al Jazeera aanstaan en daarop waren de beelden van de Twin Towers te zien. Ik dacht: ‘oh mijn God, als het maar geen moslims zijn.’ Dat was na afgrijzen toch mijn eerste reactie. Dat zegt iets over de islamofobe tijd waarin we toen al leefden.

De aanslag bleek inderdaad gepleegd door mensen met een islamitische achtergrond. De volgende dag ging ik naar college met mijn vriendinnen. Twee van ons droegen een hoofddoek en daar waren we ons erg van bewust op dat moment. We gingen met een angstgevoel naar de universiteit. Gelukkig kregen wij geen nare opmerkingen of maakten we fysiek geweld mee, zoals wel bij anderen gebeurde. Maar ik merkte dat er iets was veranderd. 9/11 was de druppel die de emmer deed overlopen. Ik herinner me vanaf vrij jonge leeftijd dat er discussies waren over moslims en Marokkanen en dat ik als anders werd gezien. Discriminatie en uitsluiting zijn niet altijd concreet te maken. Dat is het lastige wanneer het over discriminatie gaat: er wordt altijd om hard bewijs gevraagd. Of het wordt teruggelegd bij degene die gediscrimineerd is met argumenten als ‘zo bedoelden we het niet’, ‘het was maar een grapje’ of ‘dat moet je je niet aantrekken’.”

En toen vond in 2015 de aanslag op de redactie op Charlie Hebdo plaats.

“We maakten ons zorgen over wat er zou gaan gebeuren. Islamofobie was iets waar weinig over werd geschreven of onderzoek naar werd gedaan. Het werd eigenlijk nog nauwelijks erkend, politiek en maatschappelijk. We ontdekten dat er nog geen plek was waar meldingen werden geregistreerd die specifiek over islamofobie gingen. Het idee ontstond om een facebookpagina te maken om in ieder geval te laten zien wat islamofobie is en om incidenten te registreren. En die incidenten vonden ook vrijwel direct na de aanslag op Charlie Hebdo plaats. Er werden een aantal dames uitgescholden en met bierblikjes bekogeld op een station. Een facebookpagina was een laagdrempelige manier voor mensen om hun ‘ervaringen’ te delen. Wij deelden hun melding geanonimiseerd door om op die manier zichtbaar te maken wat er gebeurde. Ons doel daarmee was om te laten zien wat er allemaal onder islamofobie valt, omdat we merkten dat veel Nederlandse moslims zo gewend waren geraakt aan discriminerende ervaringen dat ze dat als normaal waren gaan beschouwen. Gelijk na de oprichting overstroomde onze facebookpagina met meldingen.”

Het raakte een snaar?

“Zeker. Mensen deelden massaal wat ze meemaakten. We vonden het zonde als er niks met deze meldingen gedaan zou worden, dus besloten we om ze in kaart te brengen en ook te analyseren in een rapport. Er was behoefte aan een verzamelpunt, maar ook aan meer kennis over islamofobie.”

Islamofobie was natuurlijk niet nieuw, maar via jullie actie werd ineens veel zichtbaarder wat er allemaal plaatsvond. Waarom lukte dat via jullie facebookpagina wel?

“Ik denk dat mensen het ervaarde als een veilige plek. Via onze vragenlijsten ontdekten we dat de meldingsbereidheid bij bijvoorbeeld een antidiscriminatiebureau of de politie heel laag was, zelfs bij gewelddadige incidenten. Als reden daarvoor werd bijna altijd een gebrek aan vertrouwen opgegeven. Mensen vreesden dat hun melding niet serieus genomen zou worden door deze instanties.

Daders kunnen zich alleen veilig wanen om zoiets openlijk te doen wanneer er een politiek en maatschappelijk klimaat heerst, waarin hun acties gelegitimeerd worden.

Wij zijn vervolgens deze meldingen gaan analyseren. Wij wilden niet vooraf definiëren wat islamofobie is en de meldingen die binnenkwamen daaraan toetsen. We werken wel met een kader, maar de analysemethode is bottom-up.  Het komt vanuit de mensen zelf. En dat werkt, want je hebt op deze manier ook oog voor ervaringen die in de statistieken onzichtbaar blijven. Zo krijgen we soms veel meldingen binnen over een politicus of een columnist die zeer islamofobe uitspraken doet. Er zijn weinig plekken waarbij je terecht kunt met zo’n melding, want melders krijgen dan te horen dat het valt onder de vrijheid van meningsuiting. Maar vrijheid van meningsuiting of niet, dat neemt niet weg dat deze uitspraken islamofoob en zeer kwetsend zijn. Daarnaast worden deze uitspraken gedaan door machtige mensen met veel invloed op de beeldvorming.”

Jullie brengen geregeld rapporten uit over jullie analyse van de meldingen. Welke patronen vallen op?

“Wat gelijk opviel in ons eerste rapport in 2016 is dat vooral vrouwen het slachtoffer waren van islamofobie. Een derde van incidenten richting vrouwen bestond uit fysiek geweld. De daders daarvan waren in de meeste gevallen witte, autochtone mannen. Opvallend was ook dat de meeste incidenten niet stiekem werden gepleegd, bijvoorbeeld in een achteraf steegje of ’s nachts. Maar juist overdag in het volle zicht met vaak veel mensen eromheen.”

Deze daders willen een statement maken met hun daad?

“Daar lijkt het wel op. Ze vinden hun daad gelegitimeerd en wanen zich onaantastbaar. Wij vroegen ons af waar dat vandaan komt. Daders kunnen zich alleen veilig wanen om zoiets openlijk te doen wanneer er een politiek en maatschappelijk klimaat heerst, waarin hun acties gelegitimeerd worden. Of waarvan zij in ieder geval de kans groot achten dat ze gesteund worden. Ons werk gaat dus niet alleen over de discriminatiepraktijken, maar ook over de politieke en maatschappelijke context erachter. Er is duidelijk een relatie tussen die twee. Het ene versterkt het ander. Islamofobie bestaat uit verschillende dimensies. Dat bevestigt ook ons meest recente rapport dat we onlangs hebben gepubliceerd.”

Ibtissam-Baaziz
Ibtissam Abaâziz Beeld door: Tayfun Balçik

Wat betekent het voor de mate van islamofobie in de Nederlandse samenleving dat veel machtige instituten niet religieus divers zijn?

“Discriminatie loont. Dat merk je aan het politieke en maatschappelijke discours op dit moment. Er zijn maar weinig politieke partijen die echt een ferm standpunt innemen tegen islamofobie. We hebben partijen die het juist als speerpunt gebruiken om openlijk islamofoob en racistisch te zijn. Maar ook op meer verhullende wijze zien we al tientallen jaren dat partijen en politici zich proberen te profileren op het gefabriceerde punt dat moslims en de Nederlandse samenleving niet goed zouden samengaan.

Ook in de media zie je veel voorzichtigheid als het gaat om islamofobie. De focus ligt vooral op de meldingen, en dan het liefst op zo concreet mogelijke gewelddadige voorvallen van islamofobie. Dan is er aandacht en ruimte voor afkeuring. Maar islamofobie gaat ook over alledaagse vormen van discriminatie die vaak subtiel lijken, maar enorme impact kunnen hebben op de getroffenen. Over de neveneffecten hebben we het weinig. Dat zag je duidelijk tijdens de invoering van het niqaabverbod.”

Wat viel u toen op?

“In het publieke debat worden moslims al jarenlang tot mikpunt gemaakt van discriminerende opmerkingen. Het was te voorspellen dat het niqaabverbod tot allerlei negatieve neveneffecten voor moslims zou gaan leiden. Ik werd door meerdere media benaderd om duiding te geven bij het niqaabverbod, maar de meeste journalisten wilden het over concrete voorvallen hebben en niet over het klimaat dat ervoor heeft gezorgd dat deze incidenten konden plaatsvinden.”

Het verhaal moet in een individuele ervaring gegoten worden?

“Die vraag krijg je bijna altijd vanuit mediamakers: ‘kan je dan ook even iemand regelen die over haar ervaring met islamofobie kan vertellen?’ Het risico van het uitvergroten van die individuele ervaring is dat het islamofobe klimaat wordt gereduceerd tot één heftig incident. Dat gebeurt vaak met onderwerpen die over discriminatie gaan. Het structurele probleem, de mechanismen die achter discriminatie schuilen blijven onderbelicht. Systeemkritiek verkoopt niet.

Door deze beeldvorming blijft de focus liggen op de slachtoffers in de zin dat zij weerbaarder gemaakt moeten worden. Zij moeten leren omgaan met het systeem: met uitsluiting en discriminatie. Hoe wil je überhaupt met zoiets om leren gaan? Racisme en islamofobie dehumaniseren mensen. Slachtoffers ervan worden niet meer als een persoon gezien, waardoor er makkelijker iets naars gezegd wordt over hen. We zien bij ons onderzoek dat ervaringen met islamofobie bij melders leiden tot gevoelens van onveiligheid en tot minder vertrouwen in de toekomst.

Het risico van het uitvergroten van die individuele ervaring is dat het islamofobe klimaat wordt gereduceerd tot één heftig incident.

Daarom richten wij ons bij Meld Islamofobie op het geven van systeemkritiek vanuit ons onderzoek. Het is belangrijk dat we dus niet afhankelijk zijn van machtige instituten binnen dit systeem.”

Hoe houden jullie dat vol?

“Dat is niet makkelijk, maar we krijgen gelukkig financiering van een fonds. Maar ook zij hebben een beperkt budget. We ontvangen ook donaties. We hebben bijvoorbeeld in de afgelopen Ramadanperiode een succesvolle donatiecampagne gevoerd. Gelukkig zijn er heel veel mensen die ons willen steunen. Er is vertrouwen in ons werk.”

Jullie bestaan bijna 5 jaar. Welke lessen hebben jullie geleerd over hoe je je onafhankelijk staande kan houden?

“Geloof in je verhaal. Wij doen geen concessies. Dat is in deze tijd belangrijk. Jouw verhaal kan zich wel ontwikkelen, maar het is belangrijk om consequent en standvastig te zijn.

Wij hebben ook vanaf het begin nagedacht over onze doelgroep. Wij hebben ervoor gekozen om ons te richten op de communities die dichtbij ons staan, dus in eerste instantie op medemoslims. Onze boodschap is bewustwording, zodat zij ook zelf begrijpen dat wat zij meemaken of wat medemoslims meemaken islamofobie is. En we richten ons op bondgenoten. Mensen die op andere fronten strijden tegen ongelijkheid. Dat heeft echt gewerkt. In vier jaar tijd hebben we een sterk, heel divers netwerk opgebouwd.

Daarnaast is volhouden erg belangrijk. Al die ellendige islamofobe berichten vormen mijn drive. Als een of andere politicus weer iets roept over islamitisch onderwijs dan raak ik niet ontmoedigd, maar dat geeft mij juist energie om ertegenin te gaan. Het gaat om kleine stappen, maar elke kleine stap is er één.”

Op persoonlijk vlak kan het veel energie kosten om met deze zware onderwerpen bezig te zijn. U bent nu hoogzwanger. Hoe verdeelt u uw energie?

“Ik heb maatschappelijke betrokkenheid meegekregen vanuit huis. Mijn vader was een feminist. Hij vond onderwijs heel belangrijk. Hij spoorde ons altijd aan om boeken te lezen, om huiswerk te maken. Hij wilde dat we doorleerden na de middelbare school. We moesten onafhankelijk zijn. Maar daarnaast zei hij ook: ‘vecht voor je recht.’ Het zit een beetje in onze familie. Niet iedereen in ons gezin staat misschien op dezelfde manier op de barricades als ik, maar als ze in hun omgeving onrecht zien dan proberen ze daar wat aan te doen bijvoorbeeld op werk.”

Maar u bent geen robot.

“Nee. Het werk voor Stichting Meld islamofobie gaat altijd door. Het is moeilijk uit te zetten en dat is een valkuil. Ik probeer mezelf af en toe helemaal af te sluiten voor alles en iedereen. Dat geeft rust, maar eigenlijk krijg ik juist de meeste energie van contact en dan vooral van de verbinding met andere activisten. Erkenning en herkenning vinden bij elkaar is heel belangrijk. Het helpt ook dat je weet dat je er niet alleen voor staat.”

Begin volgend jaar presenteren jullie een zwartboek naar aanleiding van het niqaabverbod dat 1 augustus inging. Kunt daarover al iets vertellen?

“Deze wet beperkt zich misschien officieel tot bepaalde publieke ruimten, maar daar houden niet alle burgers zich aan. Mediaberichtgeving heeft daaraan natuurlijk bijgedragen. Denk aan het Algemeen Dagblad waarin haarfijn werd uitgelegd dat mensen een burgerarrest zouden mogen uitvoeren als er een niqaabdraagster op een plek was waar dat nu bij wet verboden is. Er werd op sociale media opgeroepen tot klopjachten. Dat heeft ervoor gezorgd dat niqaabdraagsters nu ook op andere plekken waar het verbod niet geldt worden gehinderd of weggestuurd en soms zelfs belaagd. Een aantal van deze vrouwen durft bijna niet meer naar buiten te gaan. Zij worden beperkt in hun vrijheid.”

Wat zouden machtige instituten zoals de politiek kunnen doen om islamofobie tegen te gaan?

“Ik kan niet wachten tot een van de grote politieke partijen een stevig openlijk standpunt inneemt tegen islamofobie. Dat ze zich daarover in heldere taal uitspreken zoals ze dat ook doen wanneer het over klimaat of armoede gaat. Niet dat softe gedoe, maar echt systeemkritiek. Dat zou heel veel uitmaken.”

Onze samenleving is superdivers, maar veel machtige instituten zijn dat (nog) niet. Wat zijn de gevolgen voor onze samenleving wanneer machtige spelers als media, onderwijs, overheid en het bedrijfsleven deze nieuwe realiteit niet kunnen bijbenen? Onze verslaggever Superdiversiteit, Zoë Papaikonomou, doet al jarenlang onderzoek naar diversiteit en inclusie in de media. Samen met organisatieantropoloog Annebregt Dijkman schreef ze het boek ‘Heb je een boze moslim voor mij?’. In de serie Superdiversiteit en Macht verbindt ze hun bevindingen naar vragen en tendensen in diversiteitsbeleid (of het gebrek daaraan). Dit keer: islamofobie

Zoe7

Zoë Papaikonomou

Verslaggever Superdiversiteit

Zoë is onderzoeksjournalist, mediadocent en onderzoeker & adviseur diversiteit en inclusie. Ze is auteur van het boek ‘Heb je een …
Profiel-pagina
Al 4 reacties — praat mee.