Het zou een mooie boel worden

Ik beschouw Segers als een integer politicus en ik begrijp dat hij vanuit zijn principes en achterban zo moet reageren. Maar wat ik telkens niet begrijp is dat zoveel christenen dood altijd laten rijmen op nood. Met andere woorden: dat een doodswens altijd negatief wordt geassocieerd, namelijk met termen als ‘levensmoe’, ‘ondraaglijk’ en ‘lijden’. Wie zegt dat daar altijd sprake van is?

De dood is een wezenlijk onderdeel van het leven. Om het met Gerard Reve te zeggen: ‘De dood is noodzakelijk en volslagen aanvaardbaar. Het zou een mooie boel worden als iedereen bleef leven.’

Een mens leeft zijn leven en op een gegeven moment komt daar een einde aan. Soms vroeg, soms laat. Vroeg is bijna altijd te vroeg, hoewel dat verschillend beleefd wordt. Ik heb mensen gekend die er volkomen vrede mee hadden om betrekkelijk jong dit leven te moeten verlaten. Laat is voor sommige mensen ook nog te vroeg. Dan denk ik aan de mevrouw van zevenennegentig die nog volop genoot van alles en zei: ‘Ik vind het zo jammer dat je dood moet.’ Maar zij is eerder een uitzondering dan een regel. En dan denk ik aan de oude monnik die telkens op het randje lag en als hij weer bijkwam verzuchtte: ‘Nou vind ik mezelf alweer terug in die wachtkamer… Wanneer hengelt de goede God mij nou eens binnen?’

Het hangt er sterk van af hoe intens, hoe licht of hoe zwaar je leven is geweest. Hoe dan ook kan er voor iedereen een moment aanbreken dat het genoeg is.

Dat een mens verzadigd is van het leven.

Omarmen en ter hand nemen

Dat kan zijn als het leven dermate zwaar is dat de dood te verkiezen is boven het leven. Een beslissing die je alleen zelf kunt afwegen en die we dus te allen tijde dienen te  respecteren.

Maar ook als het leven nog relatief leefbaar is kan een mens het gevoel hebben verzadigd te zijn en ernaar verlangen om het te voleindigen in de eeuwige rust.

De dood is een volwaardig element van het leven. Een fase die je bewust mag ondergaan. Die je, ja, ook omarmt, zoals je elke fase hebt omarmd. Ik begrijp maar niet dat zoveel mensen die zich christen noemen en dus zoiets als een hemel en opstanding verwachten, zo rigide met de dood omgaan. Je zou die vanuit dat perspectief toch veeleer omarmen?

Ik ben niet van het liberale gedachtegoed en al helemaal niet van de maakbaarheid die onze cultuur zo kenmerkt. Integendeel, ik beleef mijn afhankelijkheid intens en ik beschouw het leven als een ontvangen geschenk. Maar juist omdat we het ontvangen hebben zijn we er zelf verantwoordelijk voor en mogen we het bewust en waardig ter hand nemen, om – in de formulering van A. den Doolaard –  ‘ons vonkje terug in het grote vuur te leggen’, als we de tijd rijp achten.

Het leven een zaal

Een mens brengt zijn bestaan grotendeels dood door. Wat ik daarmee bedoel? Dat zal ik verduidelijken met een oud verhaal. In de zeer vroege middeleeuwen gaan benedictijnse missionarissen naar Engeland om de boodschap van Christus te verkondigen, tot in het verre Northumberland toe. De lokale vorst Edwin stelt zich zeer gereserveerd op. In een vergadering over het nieuwe geloof neemt een van de aanwezige wijzen het woord:

Als u ’s winters om het haardvuur zit in een behaaglijk verwarmde en verlichte zaal, dan kan het gebeuren dat een kleine vogel door een open deur de zaal invliegt, even verdwaasd rondfladdert om vervolgens door een deur aan de andere kant weer naar buiten te vliegen. Hij komt zo uit de donkere winternacht, vertoeft een ogenblik in het licht en verdwijnt weer in de winternacht. Zo is het ook met het mensenleven. Wij weten niet wat er aan voorafgegaan is en niet wat erop volgt. Als die nieuwe leer ons daarover enige zekerheid kan verschaffen is zij waard dat wij haar volgen.  

Dat kan die nieuwe leer natuurlijk net zo min als welke andere leer dan ook. Wij weten niet. Het enige wat we weten is wat we ervaren. En dan kan ik zeggen dat ik het anders ervaar dan in de mooie parabel van de wijze middeleeuwer. In dat verhaal vliegt het vogeltje vanuit de eeuwige winternacht de verlichte zaal van het leven binnen, vertoeft daar kortstondig en vliegt aan de andere kant de eeuwige nacht weer in. Om in dit beeld van een kasteelzaal te blijven, zelf ervaar ik in die zaal het licht juist van buiten door de ramen naar binnen vallend. Waarom zou ik dan de eeuwigheid benoemen als winternacht? Waarom niet als licht?

Dan draai ik het om: we vliegen vanuit het eeuwige licht de schemerige zaal van het leven binnen, fladderen hier wat verdwaasd rond en verdwijnen na korte tijd aan de andere kant weer in het eeuwige licht.

Anders gezegd: we zijn eeuwig in God. Sterker nog: we zijn eeuwig God. Al dan niet bewust, dat laat ik open. Ik sluit niets uit. Waar het om gaat is dat we nooit uit God vallen. Dat is de eenheid van leven en dood. Dat we altijd God zijn geweest en zullen zijn. In alles zijn wij energie tot in eeuwigheid. Liefdesenergie – buiten de zaal en in de zaal.

Het behoort tot de vrijheid en verantwoordelijkheid van de mens om te bepalen wanneer het tijd is om de zaal te verlaten.

U kunt gratis verder lezen

Klik deze melding weg via het kruisje. Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze schrijvers en word al vanaf € 5 per maand Vriend/in van Nieuw Wij.

Ik lees eerst het artikel verder.
jansenwim

Wim Jansen

Theoloog, schrijver en dichter

Naast het predikant-schap was Wim Jansen (1950) lange tijd werkzaam als docent levensbeschouwing, met name op de Hogeschool Zeeland. Tot …
Profiel-pagina
Al één reactie — praat mee.