Aan de Theoloog der Nederlanden, beste Arnold,

Jonathan Sacks schreef ooit dat eenheid niet hetzelfde is als uniformiteit — en dat precies die verwarring aan de basis ligt van zoveel onvermogen om de ander werkelijk te zien. Jouw brief laat mij daar opnieuw over nadenken. Jouw anekdote over het kind in de boekenhoek bleef bij mij hangen — en de vader die mee begon te lachen. Dat lachen is het mooiste weerwoord aan de labelmachine: een herkenning die weigert zich te laten vertalen in een diagnose. Je sluit af met iets dat ik niet had zien aankomen: de doop als bevrijdend label. Ik wil daar op ingaan — maar eerst de Toren van Babel, want daar ligt het onderscheid dat ik bedoel: het verschil tussen taal die definieert en taal die voorschrijft.

Babel: waar taal zichzelf vergat

Jij leest Genesis 11 als een verhaal over gewenste diversiteit. God wil geen eenheidsworst — hij wil dat de mensheid zich verspreidt, talen uiteengroeien, misverstanden worden ingebakken in de communicatie. Ik herken die lezing. Al vraag ik mij af of ze iets meer is dan de tekst ons geeft: wat er staat is een ingreep en een gevolg — het motief vullen wij zelf in.

Maar laat ik er een stap aan toevoegen. In Babel is er iets mis met de taal voordat God ingrijpt. Die taal is één — en ze wordt ingezet voor één doel: zichzelf bewijzen, een naam maken, een toren bouwen die tot de hemel reikt. Het is een taal die niet beschrijft — ze schrijft voor. Ze is niet nieuwsgierig naar de werkelijkheid, ze wil de werkelijkheid naar zich toe buigen. De verwarring die God sticht is dan niet alleen een spreiding van volken: het is ook een breuk in die gesloten, zichzelf bevestigende taal. God opent de taal. Hij maakt haar meerduidig, tastend, onaf — en daarmee ontstaat ruimte voor de vraag wie spreekt en wie verstaat, voor het besef dat taal nooit neutraal is.

Precies dat onderscheid bedoel ik met definiërende en normatieve taal. Definiërende taal beschrijft: ze probeert iets te vatten, te benoemen, te begrijpen. Normatieve taal schrijft voor: ze bepaalt wat mag, wat kan, wat verwacht wordt. Beide zijn nodig. Maar ze worden ontwrichtend zodra ze verwisseld worden — wanneer een beschrijving stiekem een voorschrift wordt. Wanneer dit kind zoekt de boekenhoek op omslaat in dit kind is anders en moet onderzocht worden.

Wie de regels niet kent, speelt niet mee

De filosoof Wittgenstein leerde ons dat taal leeft in gebruik, in situaties, in gemeenschappen. Hij noemde dat taalspelen: elk domein heeft zijn eigen woorden, zijn eigen regels, zijn eigen manier om de werkelijkheid te ordenen. De dokter spreekt anders dan de dominee, de leraar anders dan de rechter. Dat is onvermijdelijk. Maar elk taalspel beschrijft de werkelijkheid vanuit één hoek — niet vanuit alle hoeken tegelijk.

Het probleem ontstaat wanneer een taalspel zijn eigen begrensdheid vergeet. Wanneer de school het gedrag van een kind uitsluitend bekijkt door de bril van diagnose, en die bril de enige bril wordt. Wanneer sociale media de vraag wie je bent beantwoord met een categorie die je kunt aanklikken.

Elk taalspel sluit per definitie mensen uit die de regels niet kennen. Soms is dat onvermijdelijk. Maar het wordt verraderlijk wanneer die uitsluiting onzichtbaar wordt — wanneer we vergeten dat ons taalspel slechts één manier is om de werkelijkheid te benoemen. Wie de taal niet spreekt, haakt af. En daar begint vervreemding.

De gevangenis die wij zelf bouwen

Een label sluit niet alleen de ander uit — het sluit ook onszelf in. Zo ben ik nu eenmaal is niet alleen een boodschap aan de ander — het is een gevangenis die we zelf bouwen. De definitie die ons bevrijdde, wordt de muur die ons insluit. We stoppen met zoeken naar onszelf omdat we denken onszelf gevonden te hebben. Wat dan volgt is verraderlijker: we zoeken geen tegenspraak meer, geen verschil, geen informatie die niet past bij wat we al denken te weten. En juist daardoor raken we de ander kwijt — niet de ander die op ons lijkt, maar de ander die anders is.

Sacks laat zien dat dit niet alleen een verlies is van de ander — het is een verlies van onszelf. Groei ontstaat precies daar waar wij worden uitgedaagd door wat ons vreemd is. Wie alleen nog bevestiging zoekt, ontneemt zichzelf de kans om te worden wie hij nog niet is. Dit is de subtielste vorm van uitsluiting: de zelfuitsluiting.

In mijn werk als pastor en orthopedagoog zie ik dit geregeld. Een jongere die op zijn negende een diagnose ontving en op zijn vijfentwintigste nog uitsluitend in de taal van die diagnose over zichzelf spreekt — omdat het de enige taal is geworden die hij over zichzelf kent. Hij heeft geleerd hoe hij heet, maar niet wie hij is.

Een teken — maar voor wie?

Dan jouw verrassende wending: de doop als bevrijdend label. Niet een stempel dat vastpint, maar een teken dat roept — naar vrijheid, naar de naaste, naar wie je geroepen bent te zijn. Maar ik blijf zitten met een vraag. Want de doop is in de eerste plaats een handeling die anderen over jou verrichten. Jij bent object voordat je subject bent. En voor wie dat taalspel niet kent — de geseculariseerde buurvrouw, het kind dat later zegt: ik ben er ingerold zonder het te kiezen, de mens die nooit over het evangelie heeft gehoord — kan precies hetzelfde teken een muur worden waar het een deur wilde zijn.

Weten wij werkelijk dat alleen de gedoopte in Christus is? We lezen het, maar weten we het? Misschien zegt de doop uiteindelijk meer over ons dan over God. Als de doop de voorwaarde is voor insluiting, dan sluit God uit. Niet wij. Dan hebben wij een God geconstrueerd die grenzen trekt zoals wij grenzen trekken — langs sacramenten, langs kennis, langs geboorte in het juiste gezin, het juiste land, de juiste eeuw. De vraag is of dat Godsbeeld klopt, of dat het onze eigen behoefte aan orde en afbakening weerspiegelt. Want geen enkel label is groot genoeg voor een mens. Geen enkele categorie omvat het hele verhaal.

Jouw anders maakt mij ik

Jij schrijft dat zonder echte verscheidenheid geen verbinding kan ontstaan. Groei is niet wat er gebeurt als we bevestigd worden, maar wat er gebeurt als we worden uitgedaagd. In mijn gedicht Anders probeer ik dat te zeggen: jouw anders maakt mij ik. De ander die mij vormt, is niet de ander die ik zelf had uitgekozen — het is de ander die mijn taalspel niet kent, die mijn verwachting doorkruist, die niet past in de categorie die ik klaar had liggen.

Maar dan moet die ontmoeting werkelijk kunnen plaatsvinden. Dan moet de ander de ruimte krijgen om anders te zijn — niet ingesnoerd in mijn verwachting, niet ingepast in mijn taalspel. Groei gebeurt aan de grens. Daar waar mijn taal ophoudt en de jouwe begint. Beschrijf ik nog — of schrijf ik al voor?

Wat zijn wij bereid los te laten?

De vraag aan ons allen is niet alleen hoe wij spreken, maar wat wij bereid zijn los te laten. Hoe spreken wij — gelovigen en niet-gelovigen, theologen en pastors, insiders en buitenstaanders — op een manier die de ander niet opsluit in ons eigen taalspel, maar uitnodigt om mee te zoeken? En hoe bewaken wij — ook in de taal van de kerk, ook in de taal van de doop — dat definiërende taal niet stiekem normatief wordt?

Dat vraagt meer dan goede wil. Het vraagt een fundamentele bereidheid om te worden verrast — door de ander, door de werkelijkheid, door God zelf. Want die waakzaamheid is wat de Babelscène ons vraagt. Houd je taal los genoeg om te kunnen worden tegengesproken. Door de ander die anders is. Door de vraag die je nog niet had gesteld. En soms — zoals de vader deed in die kamer op de kleuterschool — door te lachen wanneer de categorie tekortschiet. Dat lachen is geen onverschilligheid. Het is de erkenning dat de werkelijkheid altijd groter is dan de woorden die wij ervoor hebben.

Met dankbaarheid voor je antwoord, Birgit

Drs. Birgit Jaarsma-Mollers MTh (54). Is pastor, missionair theoloog, musicus, orthopedagoog, dichter en kunstenaar. Zij is verbonden aan twee gemeenten in Noord-Holland en in opleiding tot predikant. Dit essay is de tweede bijdrage aan een publieke briefwisseling met prof. dr. Arnold Huijgen, hoogleraar dogmatiek aan de PThU en Theoloog der Nederlanden 2025–2026.

1741891434692

Birgit Jaarsma

Birgit Jaarsma is missionair theoloog en pastor. Tevens is zij opgeleid als musicus, orthopedagoog, cognitief gedragstherapeut en remedial …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.