Begin deze maand bracht Elsevier het overigens al oude nieuws dat de Vlaming David van Reybrouck bezig is met een boek over Nederlands-Indië waarin Nederland zal worden geconfronteerd met de schade die Nederland in de voormalige kolonie heeft aangericht. Van Reybrouck, die eerder het prachtige werk Congo schreef over een pijnlijk deel uit de Belgische geschiedenis, kreeg in de reactiepanelen van Elsevier een hoop negatieve reacties.

Veel Nederlanders hebben immers nog steeds moeite in de historische spiegel te kijken. Wat de rest van de wereld een dekolonisatie-oorlog noemde, werd in de Nederlandse geschiedenisboekjes tot voor kort verzachtend omschreven als ‘politionele acties’. Waar wij zelf soms op hoge toon (en terecht) de vervolging van bijvoorbeeld Duitse oorlogsmisdadigers eisten, waren we lang blind voor onze eigen misdaden die we liever ‘excessen’ noemden en lieten we onze eigen misdadigers, zoals kapitein Raymond Westerling, lopen. Pas na publicatie van het proefschrift van Rémy Limpach, besloot het kabinet eind vorig jaar dat er diepgravend onderzoek naar Nederlandse oorlogsmisdaden nodig is.

De onderzoekers die Nederlandse oorlogsmisdaden gaan beschrijven, lopen het risico straks beschuldigd te worden van ‘zelfhaat’, oikofobie , occidentofobie of wie weet, ‘cultuurmarxisme’. Degenen die met dergelijke verwijten komen, vrezen dat de aandacht voor de donkere kanten van ons verleden of onze cultuur uiteindelijk zal leiden tot de ondergang van onze cultuur, onze nationale identiteit of ‘het Avondland’.

Nationale identiteit

Dit sentiment past bij de toenemende aandacht die de afgelopen twintig jaar is gegeven aan het herwaarderen of versterken van onze nationale identiteit, onze nationale cultuur of onze Nederlandse waarden. PvdA coryfee Paul Scheffer pleitte er in de jaren ’90 al voor, Pim Fortuyn deed het en in hun navolging deden politici van diverse partijen het in de 21e eeuw. CDA-leider Sybrand Buma was onlangs de laatste in de rij.

De behoefte is verklaarbaar. Door processen als ontzuiling, individualisering, globalisering en innovaties op het gebied van (digitale) communicatie is ons leven drastisch en in hoog tempo veranderd. De wereld is veel kleiner geworden, de internationale verhoudingen zijn sinds de val van de Muur en de opkomst van nieuwe economieën snel gewijzigd. De Europese Unie is flink uitgebreid en de samenstelling van onze bevolking is, zeker in de (buurten van grote) steden in enkele decennia ingrijpend veranderd.

Voor veel mensen is dat allemaal wel erg snel gegaan. En dat geldt niet alleen voor ouderen. De behoefte om tegen deze achtergrond te proberen te definiëren wie we als Nederlanders zijn, wat onze normen en waarden en wat ‘onze manier van leven’ is, is begrijpelijk. Wanneer we bijvoorbeeld van nieuwkomers eisen dat ze zich aanpassen, moeten we op zijn minst weten waaraan.

Daarnaast kan het voor het behoud van een verzorgingsstaat en de daarvoor noodzakelijke onderlinge loyaliteit nuttig zijn aan een gevoel van nationale verbondenheid te werken.

Het treurige is alleen dat ongeveer twintig jaar discussie over onze identiteit of cultuur weinig positiefs heeft opgeleverd.

Paling

Allereerst komt dat omdat het praktisch onmogelijk is om onze identiteit of onze nationale cultuur te omschrijven. Het is gemakkelijker een paling uit een emmer snot te halen. Nou herkennen we waarschijnlijk allemaal Nederlandse toeristen in het buitenland, maar het valt niet mee om een Nederlandse identiteit te omschrijven waarin alle leden van onze verbeelde nationale gemeenschap, variërend van een Amsterdamse hipster tot een ouderling uit Staphorst, zich kunnen herkennen. Een volksaard is met geen woorden te beschrijven, stelde Johan Huizinga 80 jaar geleden al.

Wanneer aan politici wordt gevraagd naar wat onze identiteit of onze manier van leven is, komen ze dan ook meestal niet veel verder dan het opsommen van de gelijkheid van man en vrouw, de acceptatie van homoseksualiteit en een aantal elementaire vrijheden die niet alleen zijn vastgelegd in onze grondwet, maar ook een wezenlijk onderdeel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hartstikke goed om die essentiële vrijheden te benoemen, meer aandacht daarvoor voor lijkt me voor veel Nederlanders geen overbodige luxe, maar typisch Nederlands? Nou, nee.

Het valt ook niet mee. Het probleem met identiteiten en culturen is dat ze per definitie dynamisch zijn. Ze worden continu en afhankelijk van de plaats en omstandigheden opnieuw ingevuld, geïnterpreteerd en aangepast. Bovendien weten we inmiddels dat een mens afhankelijk van plaats, tijd en situatie, van de ene identiteit naar de andere kan hoppen en zich tegelijkertijd met verschillende (verbeelde) groepen kan identificeren.

Molen
Beeld door: Pixabay

Heimwee

Het debat over onze nationale identiteit heeft ook weinig opgeleverd, omdat het tot nu toe niet insluitend, maar juist uitsluitend uitpakt. Dat komt omdat het debat wordt overheerst door conservatieven met heimwee. Zij zoeken de ijkpunten voor een nationale identiteit in een ver en bepaald niet smetteloos verleden. Zo verkozen we bijvoorbeeld de grootste Nederlander allertijden, hadden we een premier die de VOC-mentaliteit bejubelde en wil het CDA nu dat alle kinderen staand het Wilhelmus leren zingen.

Ook wordt te pas en vooral te onpas verwezen naar onze (joods) christelijke roots. Nou kun je een aardig debatje houden over de vraag in hoeverre we onze huidige vrijheden en waarden te danken hebben aan het christendom, maar wat niet ter discussie staat is dat er weinig landen in Europa zijn waar de kerken zo hard leeglopen als in Nederland. De tijd dat Nederland in meerderheid een christelijk land was, is voorbij en zal ook nooit meer terugkomen.

Uitsluitend

De discussie over onze identiteit richt zich keer op keer dus vooral op een verleden waar nieuwkomers geen deel van uitmaakten, hooguit als gekoloniseerden of slaven en op een religie die door de helft van de bevolking inmiddels vaarwel is gezegd.

Sterker, onze joods-christelijke roots worden er meestal vooral bij gesleept om ze af te zetten tegen (vermeende) waarden van een andere religie, altijd de islam – en dan bij voorkeur de meest orthodoxe varianten hiervan.

We definiëren onze identiteit en cultuur blijkbaar graag op zo’n manier dat een groot deel van de Nederlanders er geen onderdeel van uitmaakt. Dat werd bijvoorbeeld duidelijk toen voormalig minister van Integratie, Ella Vogelaar tien jaar geleden in dagblad Trouw liet weten dat zij zich kon ‘voorstellen’ dat wij ‘ooit’ (over een paar eeuwen voegde ze er voorzichtig aan toe) zullen zeggen dat Nederland een land is van joods-christelijke-islamitische tradities. Geert Wilders noemde haar direct ‘knettergek’ en diende een motie van wantrouwen in. Volgens opiniepeiler Maurice de Hond twijfelde destijds niet alleen de PVV-leider, maar diens achterban en meer dan de helft van de VVD-stemmers aan de verstandelijke vermogens van de minister.

Toch deed Ella Vogelaar niet veel meer dan een feit uiterst voorzichtig formuleren. Of Wilders en anderen het namelijk leuk vinden of niet: moslims zijn hier en zullen hier blijven. Van de miljoen moslims is een groot deel in Nederland geboren en ook hun kinderen en kleinkinderen zijn niet minder Nederlands dan bijvoorbeeld Sybrand Buma of Thierry Baudet. Evengoed zijn andere religieuze en etnische groepen die hier al decennia wonen net zo Nederlands als bijvoorbeeld Geert Wilders, Jesse Klaver, Marco Borsato en de belangrijkste leden van ons koningshuis.

buma
Beeld door: Wikimedia

Blik op de toekomst

Wanneer we dan zo’n behoefte hebben onze nationale identiteit te definiëren, laten we ons dan wat minder op het verleden en wat meer op het heden en de toekomst richten. Laat het gaan over een samenleving die we willen hebben en waar alle Nederlanders een onderdeel van kunnen zijn en niet over een samenleving die we misschien ooit hadden en die zeker nooit meer terug zal komen.

Laten we verworvenheden als de universele mensenrechten en tal van vrijheden, waaronder die van meningsuiting en die van godsdienst, koesteren en verder uitbreiden. Geef binnen de wettelijke kaders alle ruimte aan het individu, stop mensen niet in de gevangenis van een collectieve etnische of religieuze identiteit. Geef de ruimte om ‘anders’ te zijn en pak vormen van discriminatie en uitsluiting keihard aan. De individuele vrijheid om bijvoorbeeld te zijn wie je bent, te vinden wat je wil of lief te hebben wie je wil, is kostbaar en leidt vanzelfsprekend tot een steeds diversere samenleving waarin het soms flink kan botsen en schuren.

Laten we ons niet leiden door angst voor verandering en laten we kritiek op ons verleden of heden vooral niet gaan definiëren als zelfhaat. Kritiek op de eigen cultuur is nog geen cultuurrelativisme. Juist twijfel en zelfreflectie zorgen voor vooruitgang, kennis, verandering, relativering en humor. Laten we niet alleen trots zijn op het verleden, maar ook van de mogelijkheid gebruik maken ervan te leren en werken aan een samenleving waar zo veel mogelijke Nederlanders zich een onderdeel van kunnen voelen en trots op kunnen zijn.

Ewoud Butter

Ewoud Butter

Politicoloog

Ewoud Butter is politicoloog en werkt als publicist, onderzoeker en beleidsadviseur. Diversiteit, participatievraagstukken, mensenrechten, …
Profiel-pagina
Al 2 reacties — praat mee.

Advertentie

Dominicanenklooster Huissen